NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Over mijzelf
Ik ben Karel D'huyvetters
Ik ben een man en woon in Werchter (Vlaams-Brabant, BelgiŽ) en mijn beroep is gepensioneerd universiteitsambtenaar.
Ik ben geboren op 16/01/1946 en ben nu dus 68 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: cultuur, literatuur, muziek, klokken, astronomie en tijdrekening, etymologie, koken, talen, levensopvatting, typografie en drukkunst, poŽzie, kruiden, boeken, internet.
Mijn blog is mijn hobby, mijn uitlaatklep, mijn blik op de wereld, mijn intellectuele uitdaging, mijn contact met de buitenwereld. Ik hoop dat mijn lezers er ook iets aan hebben.
Categorieën
  • etymologie (69)
  • ex libris (32)
  • God of geen god? (126)
  • historisch (27)
  • kunst (2)
  • levensbeschouwing (172)
  • literatuur (23)
  • muziek (62)
  • natuur (5)
  • poŽzie (63)
  • samenleving (177)
  • spreekwoorden (10)
  • tijd (10)
  • wetenschap (44)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • de blog van Lut
  • Jacques' verdichtsels
  • Edge
  • The Secular Web
  • Vladimir Nabokov
  • Investigating Atheism
  • tweedehandse boeken
    Archief per maand
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geÔnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieŽn bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    14-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.La perfection n'est pas de ce monde.

    La perfection n’est pas de ce monde.

    Alsof we dat nog niet wisten… Maar beseffen we het wel goed genoeg? Vaak lijken we die perfectie wel degelijk te verwachten, en zelfs te eisen, bijvoorbeeld wanneer we een aankoop doen, maar vooral als het over de anderen gaat, en dan speciaal als het instellingen betreft.

    We kopen een auto en gaan er zonder meer vanuit dat hij gedurende vele jaren behoorlijk zal functioneren, zonder noemenswaardige onderhoudskosten. Van een televisietoestel, een hifiset, een computer of smartphone verwachten we optimale kwaliteit zonder enige slijtage. Enzovoort. Nochtans is dat niet evident, als je bekijkt hoe ingewikkeld zo’n toestel is, en hoe relatief weinig het kost.

    Met diensten is het net zo. Gemeentelijke diensten, regionale of nationale, we zijn nooit met minder tevreden dan de perfectie. We willen niet wachten, en de dienstverlening moet vlekkeloos zijn. Als de staat iets doet, moet het perfect zijn.

    En ook van onze medemensen vragen we dat ze op hun manier volmaakt zijn. Ze mogen geen steken laten vallen, niet ziek of afwezig zijn als we hen nodig hebben, niet aan depressies lijden, kortom in niets tekortschieten.

    Dat is in feite heel vreemd, want voor onszelf zijn we heel wat toleranter. Wie betaalt er nu een factuur op de dag dat ze in de brievenbus valt? En dat terwijl je de goederen of diensten al een hele tijd tevoren verkregen hebt. Als we ons niet goed voelen, zijn we niet om aan te spreken en ligt ons rendement heel wat lager dan gewoonlijk. We laten ons niet opjagen, we eisen dat men rekening houdt met onze specifieke mogelijkheden en beperkingen, zelfs met de vraag of we wel zin hebben.

    Er is met andere woorden een scherp contrast tussen de houding die we aannemen tegenover onszelf, en onze verwachtingen tegenover de rest van de wereld. Maar als iedereen evenveel recht heeft op dezelfde welwillendheid vanwege de anderen als wijzelf, is het meteen duidelijk dat onze hoge verwachtingen en eisen tegenover de anderen volkomen onterecht zijn. Dat is een eerste vaststelling: wij zijn niet volmaakt, en de andere mensen zijn evenmin volmaakt.

    Is er enige reden waarom we zouden mogen verwachten dat de wereld wel volmaakt is?

    De wereld is niet chaotisch. Er zijn onveranderlijke natuurwetten die de wereld draaiend houden. De maan gaat niet plots van haar baan afwijken, de zon gaat elke dag op, water stroomt naar beneden, de appel valt van de boom. Dat zijn eenvoudige vaststellingen waar we geen moeite mee hebben. Men zou kunnen zeggen dat die onveranderlijkheid een feitelijke volmaaktheid is. Maar onze wereld is veel ingewikkelder dan dat, en dat komt vooral omdat er leven is op aarde, en water, en nog zoveel meer. Naast de natuurwetten zijn er talloze andere wetmatigheden die eigen zijn aan specifieke verschijnselen en situaties, zowel natuurlijke, zoals beschreven door de biologie, als anorganische of kunstmatige, zoals beschreven door de positieve wetenschappen. Daardoor ontstaat er een uiterst complex samenspel van een ongelooflijk aantal verschillende elementen die in ongelooflijk grote aantallen voorkomen. De eenvoudige natuurwetten blijven vanzelfsprekend gelden, maar zijn ontoereikend om het volledige samenspel te verklaren, laat staan te voorspellen.

    Die complexiteit is zo groot dat ze vaak op chaos lijkt. De weersomstandigheden zijn daarvan een goed voorbeeld. We weten dat alles gewoon het gevolg is van de natuurwetten, maar als je de diversiteit en de intensiteit van de natuurverschijnselen bekijkt, dan is het meteen duidelijk dat men vanuit menselijk standpunt niet meer kan spreken van enige volmaaktheid: het regent teveel, of te weinig, er is teveel zon, of te weinig enzovoort, en alle voorspellingen zijn gebrekkig en enkel op korte termijn betrouwbaar. De perfecte harmonie der sferen uit een vroeger stadium van de wetenschap is volkomen zoek. We weten nu dat onze zon niet zal blijven schijnen en dat bijgevolg ook onze aarde gedoemd is om onbewoonbaar te worden. Er is met andere woorden geen enkele reden waarom onze natuurlijke omgeving perfect zou zijn.

    Als we dan bekijken hoe de mens het er op deze aarde van afbrengt, dan kunnen we niet anders dan vaststellen dat het er allesbehalve ‘volmaakt’ aan toe gaat. Het samenleven brengt zijn problemen mee, zowel op het niveau van twee individuen als voor elke ruimere combinatie, en zeker voor zeven miljard exemplaren. Het is vandaag zelfs onmogelijk om iedereen een min of meer menswaardig bestaan te garanderen, en als we uitgaan van de vooruitgang die we de laatste tienduizend jaar geboekt hebben, ziet het er niet naar uit dat we zelfs dat minimale ideaal binnen afzienbare tijd zullen bereiken. Van volmaaktheid op enige noemenswaardige schaal is nog lang geen sprake. Bovendien is de welvaart ook schrijnend verdeeld: er is een beperkt aantal mensen dat zwelgt in rijkdom, terwijl miljarden anderen in diepe armoede en ellende leven en sterven.

    Volmaaktheid is dus inderdaad niet van deze wereld.

    Het is belangrijk dat we dat inzien, en dat we onze verwachtingen aanpassen aan die algemene waarheid. Het zou al een hele stap zijn indien we voor de anderen slechts zo veeleisend zouden zijn als we voor onszelf zijn, en voor onszelf zo veeleisend als we voor de anderen plegen te zijn. De volmaaktheid bestaat niet, of ze is voorlopig of wellicht zelfs voor altijd onbereikbaar. Als we alles beoordelen vanuit de absolute volmaaktheid, zelfs binnen de grenzen van het mogelijke, dan staan ons bittere teleurstellingen te wachten. Als alleen het beste goed genoeg is, is niets nog goed genoeg.

    Betekent dat dan dat we niet meer mogen of moeten streven naar de perfectie?

    Helemaal niet, natuurlijk. Van nature kan de mensheid blijkbaar niet anders dan gebruik maken van de mogelijkheden die we hebben in dit universum, op alle niveaus en in alle domeinen. Als je onze beschavingsgeschiedenis bekijkt, dan zie je dat we al een enorme weg hebben afgelegd. Er leven nu meer mensen in relatieve gezondheid, welstand, veiligheid en vrede dan ooit het geval is geweest, en een zeer aanzienlijk aantal leeft in een luxe die zelfs honderd jaar geleden ondenkbaar was. De technologische vooruitgang is spectaculair. We zien dus mogelijkheden om onze situatie te veranderen en we grijpen die met beide handen en met een verbazingwekkende vernuftigheid aan. Het gaat daarbij zowel om het verbeteren of optimaliseren van bestaande toestanden en hulpmiddelen als om het ontwikkelen van volkomen nieuwe, de ene al nuttiger of onmisbaarder dan de andere.

    Het volmaakte is dus een illusie en een steeds veranderend streefdoel veeleer dan een realiteit. Wereldverbeteraars gaan uit van een volmaakte heilsstaat, maar die blijkt hogelijk te verschillen, en niet slechts in de details, zowel wat het nagestreefde einddoel betreft als de manier om dat te bereiken. De grote en kleine historische pogingen in die richting hebben ons geleerd dat er aan alle goedbedoelde systemen onverwachte nadelen verbonden zijn. We zijn terecht huiverachtig geworden tegenover oude en nieuwe profeten en koene leiders. Het zal dus veeleer een constant uitproberen zijn van de mogelijkheden en de middelen dat ons telkens een stap verder brengt in een bepaalde richting, zonder dat we er zeker van zijn dat het uiteindelijk de juiste richting is. Als er een zekere, onfeilbare, universeel geldende geluksformule was, dan hadden we die waarschijnlijk al gevonden, of vermoed, maar dat is manifest niet zo. We leren met vallen en opstaan, en dat moeten we blijven doen.

    Het is immers niet zo dat het ideaal, of de perfectie zich helder en klaar aftekent, of dat iedereen hetzelfde ideaal voor ogen heeft of nastreeft. Men mag zelfs niet verwachten dat het zo is, want dan legt men zijn eigen ideaal op aan anderen, en dat is niet wenselijk, dat is zelfs de bron van alle kwaad. Samenleven is niet optimaal als iedereen hetzelfde doet; dat is wat men dacht in de dictatoriale systemen van de eerste helft van de twintigste eeuw. Samenleven is een veel subtieler evenwicht tussen verschillende persoonlijke of groepsidealen, een compromis tussen min of meer tegenstrijdige belangen, waarbij men rekening houdt met de persoonlijke vrijheid van iedereen en zo met het eigen belang van zoveel mogelijk mensen. Mensen zijn uniek, daar is niets aan te veranderen, en dus moet men niet proberen om ze allemaal eender te maken, of ze dwingen om allemaal op dezelfde manier te leven.

    Dat is vooral een zware opgave voor mensen die bezield zijn met hoge idealen en begiftigd met een scherp verstand. Die zien de schrijnende onvolmaaktheid om zich heen, in schril contrast met de perfectie die ze nastreven; ze zien zelfs de manier en de middelen om de bestaande onbevredigende toestand te verbeteren, maar ze stuiten op het onbegrip en de onwil van anderen, die vaak niet eens het probleem zien, en bijgevolg niet geïnteresseerd zijn in de oplossing. Voortrekker zijn is geen gemakkelijke taak, en mensen die dat van nature zijn worden vaak verteerd door hun passionele inzet voor een betere samenleving en de tegenstand die ze daarbij ondervinden. Moeten zij dan hun inspanningen staken, en iedereen maar laten betijen? Natuurlijk niet. Vooreerst zijn ze daartoe niet in staat, maar bovendien zijn die mensen ook noodzakelijk om de evolutie naar een steeds betere toestand op gang te houden. De moeilijkheid is vooral hierin gelegen dat zij ongeduldig en gefrustreerd raken door hun minder verstandige, minder energieke, minder idealistische, minder veeleisende medemensen, en dat zij hen als onwillig gaan beschouwen om mee te werken aan het grote project om althans een stukje van de wereld te verbeteren, als tegenstanders die zich verzetten tegen voor de hand liggende oplossingen voor evidente problemen.

    Nu hoor je mij niet zeggen dat die voortrekkers helemaal ongelijk hebben: een goed deel van de mensen is niet geïnteresseerd in een optimale wereld, ze zijn al blij als ze hun ding mogen doen en met enig succes kunnen overleven in een veeleisende wereld. Ze stellen zich tevreden met minder dan de perfectie, soms veel, heel veel minder, en vormen zo niet alleen een hinderpaal, maar tevens een belasting voor anderen die betere bedoelingen hebben. Taken die de ene van zich afschuift, komen onvermijdelijk terecht op de schouders van anderen, of blijven onuitgevoerd, wat in het nadeel speelt van de gemeenschap. Iedereen is onvolmaakt, maar de ene is wel heel wat onvolmaakter dan de andere. Soms zijn daar goede redenen en oorzaken voor, maar soms drijft men het onvolmaakt zijn wel heel ver, en bewust, wat aanleiding geeft tot asociaal gedrag en zelfs tot misdadigheid. Ook dat moeten we erkennen en beoordelen en waar nodig veroordelen, hetzij als een persoonlijke opinie, hetzij door een maatschappelijke sanctie, opgelegd door de bevoegde instanties.

    Ik besluit. De perfectie van de dingen is niet evident: het kan immers vele kanten uit, en meestal zijn wij het niet eens over de richting die het moet uitgaan, noch over de manier waarop. En de perfectie is ook niet altijd concreet realiseerbaar, zelfs niet als we zouden weten wat, en hoe. Maar wij zijn van nature geneigd om te streven naar wat goed is voor onszelf, en we beseffen uiteindelijk dat dit enkel mogelijk is door met elkaar samen te werken als gelijken.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:levensbeschouwing
    12-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Toby

    Het begon allemaal met de kinderen. Onze schoonzoon wou graag een hond, en na een hele tijd van voorbereidingen was het eindelijk zover. Toen ze op bezoek kwamen met hun nieuwe puppy, een ‘grote Munsterlander’, waren we meteen vertederd. Ik heb eigenlijk altijd al een hond gewild, maar nu kreeg Lut er ook zin in. Mijn kleinkinderen drongen bij mijn oudste zoon eveneens aan op de aanschaf van een hondje, maar ook daar heeft het een hele tijd geduurd voor de hond, een teckel, er kwam.

    Lut vond dat als we een hond namen, we dat goed moesten voorbereiden: de tuin veilig afrasteren, een ‘bench’ aanschaffen enzovoort. Ze had wat schrik van een destructief beest in huis. Ik van mijn kant voelde dat de tijd rijp was en begon me te informeren over geschikte hondenrassen voor onze omstandigheden. Het moest een veeleer rustig dier worden, niet te groot, niet te klein, niet te jong, niet te oud, kortharig, een reu, bij voorkeur al gecastreerd. En als het mogelijk was: een asieldier dat we zo een tweede leven konden geven.

    De eerste verkenningen verliepen niet zo vlot. Wie ooit een bezoek bracht aan een dierenasiel, weet wat ik bedoel. De dieren leven daar vaak niet in optimale omstandigheden, en wie nooit een hond gehad heeft, zoals wij, schrikt wel even van de realiteit. Ik zocht elke dag aandachtig de website van pets.be af, op zoek naar een goede invulling van onze verwachtingen. Zo leer je de verschillende rassen beter kennen, en ook de problemen van asieldieren. Af en toe leek er een geschikte kandidaat voorhanden, maar dan bleek die al geadopteerd te zijn, of waren er ernstige problemen, of was het adres te veraf voor ons…

    In een naburig dorp vond ik toevallig een tweedehandse bench voor een heel schappelijke prijs. Die hadden we dus al. Nu nog een hond.

    Bijna had ik de hoop opgegeven en begon ik te denken aan een puppy, toen we vorige donderdag besloten om een asiel te gaan bezoeken op amper een half uurtje rijden van Werchter. Onze eerste indruk was veeleer gemengd, maar helemaal achteraan, in het laatste hok, een beetje verborgen achter een hoek, vonden we een Beagle, en dat leek wel wat: inderdaad niet te groot of te klein, vier jaar oud, kortharig, een gecastreerde reu. Ook Lut was meteen geïnteresseerd, en we namen de hond mee voor een korte wandeling. Ook dat viel best mee, en Lut en ik keken elkaar even onderzoekend aan, en we merkten dat we het woordeloos eens waren. Lut dacht eerst nog de hond voorlopig even daar te laten, in afwachting van de afrastering van de tuin en de aankoop van het nodige materiaal, maar de gedachte dat ‘onze’ hond nog een hele tijd in het asiel zou moeten blijven deed ons algauw besluiten hem meteen mee te nemen.

    Even de paparassen invullen, een touw aan zijn halsband en dan vertrokken we, ik op de achterbank met Toby naast me. Hij was verrassend rustig in de wagen. We reden meteen door naar een zaak waar we een gareel kochten, een leiband, hondenbrokken en nog een paar benodigdheden.

    En zo begon het avontuur. Toby wende heel snel. Het is een rustige hond, en hij werd met het uur meer aanhankelijk, wat het ons ook gemakkelijk maakte om ons aan hem te hechten. Ik nam hem mee op lange en korte wandelingen en raakte zo vertrouwd met zijn behoeften en belangstellingen.

    Alles leek goed te gaan, tot de eerste nacht. Toen wij gingen slapen, plaatsten we Toby in zijn bench, deurtje vast en dat was dat. Althans: dat dachten we. Blijkbaar had Toby andere slaapgewoonten bij zijn vroegere baasjes, of wou hij niet alleen zijn: eerst was het een bescheiden protest, maar na een kwartiertje begon hij onophoudelijk te blaffen. Ik bespaar je de details, maar het was een lange nacht. En ook de tweede nacht verliep niet beter, zodat ik al begon te wanhopen of we hem wel zouden kunnen houden. We besloten geduld te hebben: het was immers ook voor Toby een hele aanpassing. Zaterdag gingen we een tweede, kleinere bench kopen, die we in de hal plaatsten, aan de voet van de trap die naar onze slaapkamer leidt, in de hoop dat onze nabijheid hem een veilig gevoel zou geven. Aanvankelijk leek het op niets uit te draaien, en vreesden we al voor hetzelfde scenario, maar na hem enkele keren tot kalmte aangemaand te hebben vanuit het bed, werd hij inderdaad rustig en tot onze verbazing en niet geringe opluchting heeft hij de hele nacht doorgeslapen. Toen ik deze morgen bij zijn kooi kwam, lag hij rustig op mij te wachten, en eenmaal bevrijd uitte hij enthousiast zijn vreugde over het wederzien.

    Toby is nu al onze huisgenoot. Ik ga vaak met hem wandelen, en ook Lut doet dat nu al graag. In huis is hij altijd rustig en heel aanhankelijk, hij komt zich aan mijn voeten neervlijen en laat zich uitvoerig strelen en krabben. Als hij ligt te rusten, neemt hij de meest ontroerende houdingen aan. Hij stoort zich niet aan de muziek of aan de nieuwsberichten op tv.

    We hebben een hond! Ik had nooit gedacht dat de aanpassing zo vlot zou verlopen, en misschien staan ons nog verrassingen te wachten, maar dit is beter dan we ooit hadden durven dromen.

    Welkom, Toby!


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    08-10-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Geloof of wetenschap?

    Het is een bericht dat vaak opduikt in de media: 35, of 50% van de Amerikanen (USA) gelooft dat de zon om de aarde draait, of dat de aarde slechts vier duizend jaar oud is, of dat de mens en de dinosauriërs samen op aarde geleefd hebben, of dat de evolutietheorie onwaar is. De onderliggende boodschap is dat Amerikanen domoren zijn, slecht opgeleid, goedgelovig, bijgelovig, of gewoon gelovig.

    Zo eenvoudig is het echter niet.

    Vooreerst moeten we erbij zeggen dat dezelfde bevraging, een enquête bij een willekeurig en beperkt aantal testpersonen, in Europa ongeveer hetzelfde resultaat oplevert, en wellicht ook in Zuid-Amerika, Azië, Afrika en Oceanië. Het is dus een wereldwijd verspreide opvatting, die niet typisch is voor de inwoners van de Verenigde Staten. Bovendien zal men die opvatting vooral vinden bij bepaalde bevolkingsgroepen, en veel minder bij andere. Er zijn bijvoorbeeld maar weinig wetenschappers of hoger opgeleiden die zoiets denken.

    Het is ook nuttig een onderscheid te maken tussen die verschillende punten.

    Dat de aarde slechts vier duizend jaar oud is, meent men te kunnen afleiden uit de Bijbel, namelijk door het tellen van de jaren die de verschillende vermelde generaties hebben geleefd. Volgens de Schriftgeleerden was dat ongeveer 3600 tot 5500 jaar, en dat was een opvatting die algemeen verspreid was: ook Mercator († 1594) nam dat nog aan. Het is dus een gegeven dat zijn gezag uitsluitend ontleent aan de Bijbel. Daarmee verbonden is de opvatting dat God op korte tijd (zes dagen) de hele wereld heeft geschapen zoals hij nu is. Elke soort, dus ook de mens, is net zo door God gemaakt als ze er nu uitziet; er is dus geen sprake van enige evolutie, of van een gemeenschappelijke afstamming van de verschillende soorten, en zeker niet van een gemeenschappelijke voorouder van de mens en andere hogere diersoorten zoals de apen. Het is dus duidelijk dat die opvattingen niet gesteund zijn op enig wetenschappelijk onderzoek; daaruit blijkt namelijk onbetwistbaar dat het er anders aan toe gegaan is.

    Dat de zon om de aarde zou draaien is een andere kwestie. De Bijbel gaat zeker uit van die veronderstelling, maar stelt dat niet als een openbaring. Het verschijnsel is immers zo vanzelfsprekend en zo algemeen aanvaard, ook vandaag nog, dat het niet eens moest vermeld worden. Iedereen geloofde dat de zon om de aarde draait, dat is toch wat iedereen ziet? Men had geen enkele aanleiding om te denken dat het anders was, en de meeste mensen kunnen ook vandaag nog onverstoord verkeerdelijk veronderstellen dat de zon om de aarde draait zonder dat ze daarin tegengesproken worden door de feiten. Het is pas wanneer men specifieke verschijnselen moet verklaren dat die stelling onhoudbaar blijkt. Het zijn de astronomen die het eerst hebben vastgesteld dat bijvoorbeeld de baan van de planeten niet kan verklaard worden wanneer men de aarde in het middelpunt van ons stelsel plaatst; vandaar trouwens hun naam, die afgeleid is van het Griekse woord voor ‘zwervers’: ze bewegen zich niet zoals de sterren, maar wijken van hun vaste baan af, keren op hun stappen terug en gaan dan weer verder. Het is evident dat alle andere mensen ofwel dachten dat de astronomen gek waren, ofwel dat ze zich met totaal onbelangrijke dingen bezighielden.

    Die astronomen deden waarnemingen met (voor onze begrippen) primitieve wetenschappelijke instrumenten, en zochten dan naar een logische, rationele theorie om de beweging van de hemellichamen te verklaren. Dat noemt men de inductieve methode: uit de feiten leidt men wetten af. De Bijbel werkt net andersom: men vertrekt van een verhaal dat in een onfeilbare goddelijke openbaring is vastgelegd en dat de dingen zoals ze nu zijn verklaart. Zolang men vasthoudt aan de onfeilbaarheid en de letterlijke interpretatie van de Bijbel, bevindt men zich in een voorwetenschappelijk stadium.

    Dat men het scheppingsverhaal niet letterlijk moet lezen, is een opvatting die zo oud is als de Bijbel zelf: er zijn altijd al geleerden geweest die dat dachten en verkondigden, bijvoorbeeld Augustinus, toch een van de belangrijkste kerkvaders. Het heeft echter heel lang geduurd voor men daarvoor ernstige argumenten kon aanvoeren. Enerzijds gebeurde dat door de Bijbel zelf aan een nauwkeurig historisch en literair onderzoek te onderwerpen, waarbij men vaststelde dat er talloze onduidelijkheden en zelfs contradicties waren, dat de teksten niet geschreven waren door hun vermeende auteurs, en niet in de tijd waarin de verhalen zich afspelen, maar veel later. Dat was een ernstige bedreiging voor de authenticiteit van de Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, maar ook voor zijn onfeilbaarheid: de Bijbel was niet het woord van God, maar woorden van mensen. Dat betekende dat er geen reden meer was om die woorden als een betrouwbare basis te nemen om de verschijnselen te verklaren. Men kon en moest dus op zoek gaan naar andere argumenten en andere theorieën.

    Dat gebeurde in de ontwikkeling van de wetenschappen, zowel louter theoretisch, door het zoeken naar een verklaring voor de feiten, als inductief, door een doorgedreven onderzoek naar de feiten zelf. Geologen onderzochten de aardlagen en vonden daarin aanwijzingen dat de aarde er ooit helemaal anders moet uitgezien hebben. Ze vonden ook versteende restanten van planten en dieren, fossielen die bewezen dat er vroeger andere soorten bestaan hebben. Biologen zagen talrijke gelijkenissen tussen alle soorten van de bestaande levende wezens, en probeerden die levensvormen te rangschikken naar hun verwantschap. Toen ze ook de fossielen daarbij gingen betrekken, kwamen ze tot de vaststelling dat de huidige levende wezens vroeger hoogstwaarschijnlijk niet bestonden, aangezien er geen fossiele resten van waren, en dat ze dus moeten ontstaan zijn uit de vroegere soorten. Er moest dus een evolutie geweest zijn, zowel in het uitzicht van de aarde als in de levensvormen die erop voorkwamen.

    Het kwam er dan op aan het mechanisme te ontraadselen van die evolutie. De evolutietheorie van Darwin en Wallace was een eerste, monumentale ontdekking, de erfelijkheidstheorie van Mendel een tweede; helaas werden die twee niet meteen met elkaar in verband gebracht. Maar de wetenschappelijke aanpak was duidelijk: de verschijnselen zo nauwkeurig mogelijk onderzoeken; vervolgens een theorie ontwikkelen die deze verschijnselen verklaart, en dan die theorie testen in de praktijk. Pas in de eerste helft van de twintigste eeuw kwam men tot een formulering van de evolutietheorie waarvan men aannam dat die een goede weergave was van de werkelijkheid, en kon dienen om praktische toepassingen uit te werken in de genetica. Ook in de andere wetenschappen is het zo gegaan, bijvoorbeeld in de kosmologie, die het ontstaan van het heelal beschrijft. De aarde is niet vierduizend jaar oud, maar 4,5 miljard jaar, en het leven op aarde is 3,5 miljard geleden nietig begonnen en sindsdien voortdurend geëvolueerd.

    Dat de wetenschap een waardevolle benadering van de werkelijkheid is, daaraan twijfelt niemand meer: onze leefwereld is grotendeels op die wetenschap gebouwd en zou zonder die wetenschap op korte tijd totaal ineenstorten. Een brug over een rivier houdt stand omdat ze goed gebouwd is, volgens wetenschappelijke principes, en niet omdat God het wil, of omdat de gelovigen ze met hun gebed in stand houden.

    Het is echter mogelijk om de wetenschap over te laten aan de wetenschappers en de toegepaste wetenschappers en de mensen die daarop willen vertrouwen, en zelf andere ideeën te hebben over hoe het er in de wereld aan toe gaat. Men kan dus zonder al te grote problemen een voorwetenschappelijke houding aannemen, zoals vrijwel alle mensen vroeger deden, zonder daarvan grote nadelen te ondervinden. Of de aarde om de zon draait of omgekeerd, maakt voor ons dagelijks leven nauwelijks iets uit: de zon gaat werkelijk op en weer onder, dat is een realiteit, dat is wat voor ons van belang is. Dat dit verschijnsel, of die indruk die we hebben niet de werkelijke toestand is, maar perfect te verklaren is doordat de aarde om de zon draait en om haar as, dat hoeven we niet noodzakelijk te weten om de dag door te komen. Dat de planeten om de zon draaien: het zal de mensen een zorg zijn… En zo kan men nog veel verder gaan, en bijvoorbeeld stellen dat de evolutie van het leven op aarde er niet geweest is, en dat de mens door God geschapen is zoals hij is, vier duizend jaar geleden. Dat is immers wat verstandige mensen eeuwenlang hebben gedacht; waarom zou dat nu plots niet meer kunnen? Het is zoals met de zon en de aarde: in beide veronderstellingen gaat de zon op, en onder, zonder enig kwalijk gevolg voor wie in het ene of het andere gelooft. Men moet niet alle wetenschappelijke verklaringen kennen om te overleven, en niemand kent die allemaal, dat is onmogelijk. Iedereen is grotendeels onwetend op de meeste domeinen van de wetenschap, ook wie niet in de Bijbel of God gelooft.

    Vandaar dat zelfs sommige wetenschappers ervoor pleiten om naast de wetenschappelijke benadering ruimte te laten voor een niet-wetenschappelijke, bijvoorbeeld een religieuze, zelfs als die in strijd is met de wetenschappelijke. Zij volgen daarin de religieuze leiders en de theologen, die voorhouden dat hun benadering niet alleen mogelijk is, maar bovendien ook nuttig, en veel meer haalbaar voor de meeste mensen. Aangezien niet iedereen alles kan weten op de wetenschappelijke manier, moet men de mensen een verhaal vertellen waarin ze kunnen geloven, en dat voldoende compatibel is met de wetenschap om niet in al te absurde contradicties te vervallen. Het gaat dan werkelijk om een verhaal, een voorstelling van zaken die de feiten niet wetenschappelijk verklaart, maar er een zin aan geeft op niet-wetenschappelijke, religieuze gronden.

    Het christendom is een dergelijk verhaal, en als we zijn geschiedenis bekijken, althans van op enige afstand, dan is dat een succesvol verhaal geweest. Onze beschaving is grotendeels gebouwd op dat verhaal, onze cultuur is doordrongen van de Bijbel en het christelijk geloof.

    Maar elke medaille heeft een keerzijde, en die van het christendom en van alle andere godsdiensten is veel minder fraai. Niet alles is goed gegaan in onze ‘beschaving’, er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd en er gebeuren nog elke dag vreselijke dingen. Het christendom, noch de andere godsdiensten, zijn erin geslaagd om iedereen gelukkig te maken, of de mensheid te behoeden voor alle onheil. Omgekeerd is veel van wat de wereld leefbaar maakt niet het werk van de godsdiensten, maar van de wetenschap en van de mensen die zich zoveel mogelijk verlaten op de wetenschappelijke benadering. En velen zijn ervan overtuigd dat de godsdiensten niet alleen de wetenschap in de weg staan en bestrijden en zo de vooruitgang en het algemeen welzijn verhinderen, maar dat ze zelf in grote mate actief verantwoordelijk zijn voor het onheil in de wereld.

    Wanneer het op het eerste gezicht leek alsof een religieuze houding in de praktijk even goed te verantwoorden viel als een wetenschappelijke (de zon komt op voor de wetenschapper zowel als voor de gelovige), moeten we daar nu uiterst belangrijke kanttekeningen bij maken. Als we ons voor onze levenshouding en ons omgaan met de dingen niet gaan baseren op de wetenschap of de resultaten van de wetenschap, maar op een verhaal, dan moet dat wel een goed verhaal zijn, en dan lijken de Bijbel en de godsdiensten die daarop gebouwd zijn daarvoor allerminst geschikt te zijn, dat wordt door onze beschavingsgeschiedenis bewezen. Het is ook helemaal onwaarschijnlijk dat er een God zou zijn die dat verhaal aan de mensen zou medegedeeld hebben; het is evident dat het gaat om een verhaal van mensen, onvolmaakte mensen, ‘zondige’ mensen. De Bijbel en alle godsdiensten zijn machtsinstrumenten waarmee sommige mensen anderen aan zich onderwerpen met het oog op hun eigen voordeel.

    De wetenschap is dat in principe niet. Ik weet het wel, ook het verhaal van de wetenschap heeft zijn zwarte bladzijden, en dat is normaal, want het zijn mensen die de wetenschap bedrijven, met alle gevolgen van dien. Maar als we de grond van de zaak bekijken, dan verdient een wetenschappelijke benadering, waarbij we gebruik maken van de rede en van al onze verstandelijke vermogens, de voorkeur boven een systeem waarbij sommige mensen beslissen voor anderen, op grond van wat niet meer is dan een verhaal dat zij zelf verzonnen hebben.

    Er zullen allicht altijd mensen zijn die verkiezen te leven volgens een overtuiging die ze zich op een of andere manier eigen gemaakt hebben. Meer nog: iedereen doet dat. Het komt er dus veeleer op aan dat die overtuiging zoveel als mogelijk te verzoenen of althans niet strijdig is met de wetenschap. Dat is de ultieme lakmoesproef voor elke levenshouding en elke godsdienst: als die ten gronde onverzoenbaar zijn met wat de wetenschap voorstaat, dan moet men dat conflict uitklaren, en de voorkeur zal daarbij steeds moeten uitgaan naar de redelijkheid, niet naar de onbewezen en dogma’s en onbewijsbare mysteries van verhalen.

     

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:wetenschap
    30-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Besparingen, nogmaals.

    Ik had het de vorige keer over de besparingen die zowel de Vlaamse als de Belgische regering aan het voorbereiden zijn. Ik had het over het principe, namelijk dat de begroting van de overheid evengoed moet kloppen als die van elk huisgezin. Als de inkomsten dalen, moeten ook de uitgaven naar beneden. Als de uitgaven op een of ander punt stijgen, bijvoorbeeld de kosten van de vergrijzing, dan moet er op dat punt of op andere budgetten bespaard worden. Er moeten met andere woorden prioriteiten vastgelegd worden. En dan wordt het moeilijk.

    Ik had enkele suggesties gedaan: domeinen waar er naar mijn mening moeiteloos kon bespaard worden, zelfs zonder kwalijke gevolgen, in de eerste plaats ons nutteloos leger. Maar bijvoorbeeld ook op cultuur. De staat subsidieert de cultuur met gulle hand, en iedereen kan daarvan genieten; vanwaar dan mijn verzet? Zeker niet omdat ik een tegenstander zou zijn van cultuur, daarvan getuigt deze website ten overvloede. Wat is dan mijn probleem?

    Naar mijn mening is de overdreven subsidiëring door de overheid mede de oorzaak van bepaalde evoluties in de kunst en de cultuurwereld die mij en vele anderen niet bevallen. Als een de kunstenaar het zelf moet waarmaken bij het publiek, dan zullen zij ervoor zorgen dat zij van hun kunst kunnen leven. Zij zullen dus voldoende verkoopbaar werk moeten produceren om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Dat zal hen verplichten om ambachtelijk goed werk te brengen dat tevens in de smaak valt en dat ook betaalbaar is voor een breed publiek. Op al deze punten schiet het wel eens tekort wanneer kunstenaars gesubsidieerd zijn, en dus geen rekening hoeven te houden met hun publiek. Zij kunnen zich dan schaamteloos te buiten gaan aan de vreemdste experimenten en worden daarin nog gesteund door een aantal parasiterende kunstpausen, die het publiek dan wijzen op de vermeende bijzondere kwaliteiten van dat werk. Wij hebben het allemaal al gezien: plakjes hesp op de zuilen van een universitair gebouw, kevers in het koninklijk paleis, katten op de trappen van het Antwerps stadhuis, plassende Walkuren op de bühne, ‘aanpassingen’ van klassieke drama’s en opera’s aan de hedendaagse smaak, ‘hedendaagse’ kunst, absurd ‘modern’ theater. Dat zou allemaal de grenzen verleggen, en dus echte cultuur zijn.

    Dat er daarbij grenzen verlegd worden, dat zal niemand ontkennen. Maar of dat ook zo nodig moet? Als ik op TV een antieke of klassieke opera zie die qua enscenering, kostumering en algemene regie getransponeerd is naar een meer recente tijd of zelfs naar de hedendaagse tijd, dan haak ik meteen af, hoe goed de zangers en het orkest ook zijn. Postmoderne Wagner is voor mij volkomen onverteerbaar, net zoals postmoderne barokopera trouwens. Wat de beeldende kunsten betreft heb ik het altijd moeilijk met de zogenaamde ideeënkunst, waarbij het artistiek ambachtelijke helemaal naar de achtergrond verdwijnt en het kunstwerk nog enkel bestaat in de gedachten van de toeschouwer. Ongetwijfeld is het inpakken van de Reichstag in roze plastiek een hele onderneming, en maakt het resultaat indruk, maar voor mij hoeft dat echt niet, hoor.

    Maak ik mij dan niet schuldig aan praktijken zoals die van het Nazisme, dat al dergelijke kunstuitingen bestempelde als volksvreemde entartete kunst? Kijk, als men het verschil niet ziet tussen de eerlijke verontwaardiging over zogenaamd artistieke uitspattingen van gesubsidieerde of door de kunsthandel kunstmatig in leven gehouden en onmetelijk rijk gemaakte extravagante kunstenmakers enerzijds, en anderzijds de politieke vervolging van kunstenaars omdat ze homoseksueel zijn, of joods, of omdat een nazitopman hun kunst niet mooi vond, dan is dat maar zo. Ik kan heus wel wat hebben als het over moderne kunst gaat, maar voor mij zijn er nog altijd grenzen. Ik houd van kleinschalige kunst, kunst op mensenmaat, wars van megalomanie.

    Ik had het ook over uitkeringen. Wij beroemen ons erop dat wij de beste sociale zekerheid ter wereld hebben. Dat kan best zijn, maar er vallen daarbij toch kanttekeningen te maken. Enerzijds zijn er niet weinig mensen die door de mazen van dat vangnet glippen en in diepe armoede vervallen. En anderzijds zijn er zeker niet minder mensen die ten onrechte gebruik maken van die sociale zekerheid om te parasiteren op het werk van anderen. Elk systeem van sociale uitkeringen trekt mensen aan voor wie het systeem niet bedoeld is. Vandaag zijn er heel wat werkende mensen die menen dat de sociale fraude proporties heeft aangenomen die het toelaatbare al lang overschreden hebben. Men is niet meer bereid om zo ontzaglijk veel belastingen te betalen op het eigen loon, veel meer dan in andere landen, om anderen goed geld te betalen om niet te werken. Structurele solidariteit met hulpbehoevenden is aanvaardbaar, wenselijk en zelfs noodzakelijk, maar vandaag stelt men vast dat individuen het systeem uitmelken tot het niet meer mooi is, en dat terwijl organisaties zoals ziekenfondsen en vakbonden daarbij een oogje dichtknijpen, of zelfs actief aan die fraude meewerken. Werken moet aantrekkelijker gemaakt worden, het moet weer de normale toestand zijn van al wie het kan, en afdoende uitkeringen moeten beperkt worden tot wie daarzonder niet kan overleven.

    Als gepensioneerde kan ik niet om het probleem van de vergrijzing heen. Door demografische evoluties stijgt het aantal pensioengerechtigden snel. Er zijn dus meer mensen die een pensioen krijgen, en minder mensen die daarvoor belastingen betalen. In België is het in de eerste plaats de staat die de basispensioenen betaalt, niet de gepensioneerde zelf door de interesten op zijn stortingen voor een privé pensioenfonds. Men probeert nu op allerlei manieren dat nijpende tekort op te lossen, er is zelfs een commissie van wijzen aangesteld, nu gebleken is dat alle maatregelen uit het verleden, zoals het fameuze zilverfonds van de socialisten, volkomen ontoereikend zijn. En dus verhoogt men de pensioenleeftijd, schaft men allerlei systemen van vervroegd pensioen af, geeft men bonussen aan wie langer werkt, en knabbelt men aan de al te royale pensioenen van de ambtenaren. Persoonlijk meen ik dat wie ongeveer veertig jaar gewerkt heeft, recht heeft op een basispensioen dat overeenkomt met de wedde van een gemiddelde arbeider of bediende, zeg maar ongeveer € 1450. Wie meer wil, moet daarvoor zelf een spaarpot aanleggen op een of andere manier. Ik vind het onaanvaardbaar dat bepaalde personen een staatspensioen krijgen dat verschillende keren dat bedrag overschrijdt: zij krijgen tot 100% van hun wedde van de laatste vijf jaar van hun loopbaan, die natuurlijk het toppunt van hun carrière uitmaken. Dat kon vroeger misschien, toen er nog veel minder ambtenaren waren, en veel minder hoge ambtenaren, maar nu is dat niet meer doenbaar.

    De voorstellen die nu op tafel liggen om de pensioenen te hervormen hebben betrekking op de mensen die nu nog aan het werk zijn, niet op de bestaande pensioenen. Dat schept ongenoegen: men stelt dan dat de huidige gepensioneerde het goed aan boord gelegd hebben en zichzelf hoge pensioenen toegekend hebben, en dat de huidige generatie nu zelf moet beslissen om voor zichzelf een veel minder interessante pensioenregeling uit te werken, vooral om de bestaande vroege en hoge pensioenen te kunnen blijven betalen. Ik meen dan ook dat men ook moet durven snijden in de bestaande pensioenen. Een hoge ambtenaar die nu een pensioen krijgt dat een groot veelvoud is van het basispensioen mag daarop gerust veel zwaarder belast worden. De staat moet immers niet instaan voor de rijkdom van de gepensioneerden, doch hun enkel een eerlijk ‘leefloon’ garanderen, zodat ze rustig kunnen genieten van hun oude dag en van de bezittingen die ze tijdens hun leven vergaard hebben. Er zijn vandaag heel wat voorbeelden van gepensioneerden die rijkelijk leven en over aanzienlijke kapitalen beschikken, waar ze nauwelijks iets nuttigs mee aanvangen. Dat spaargeld moet meer geactiveerd en beter gebruikt worden. Het heeft geen zin dat iedereen zich een kapitaal bijeenspaart voor zijn oude dag, maar het dan niet aanspreekt omdat men het niet nodig heeft dank zij een al te genereuze sociale zekerheid. Het lijkt me veel zinvoller om dat te vervangen door een goede verzekering voor de risico’s van het ouder worden.

    Ten slotte nog een woord over de universiteiten. Ik heb mijn hele carrière doorgemaakt als ambtenaar aan de universiteit, en ik heb gebruik gemaakt van de mogelijkheid om op zestig jaar op pensioen te gaan. Ik krijg van de staat het normale pensioen, en heb daarnaast een bescheiden kapitaal meegekregen van de universitaire groepsverzekering. Dat houd ik helemaal achter de hand als een appeltje voor de dorst, en het zal later aan mijn erfgenamen ten goede komen, als ik het niet heb hoeven te gebruiken om mijn oude dag door te komen. Er zijn mensen die een veel grotere uitkering hebben gekregen van de groepsverzekering dan ik, omdat ze ook een hoger loon hadden. Professoren zijn nog beter af, die krijgen een pensioen zoals de hogere ambtenaren. Men kan zich afvragen of de universiteiten met hun subsidies moeten instaan voor dergelijke groepsverzekeringen, of voor dergelijke hoge pensioenen. De hele kwestie gaat om wat de staat moet doen voor de pensioenen, zowel van de werknemers in de privé sector als voor staatsambtenaren en daarmee gelijkgestelden, zoals de universiteitsprofessoren en -ambtenaren. In ons land betaalt de staat de werkingsmiddelen en de lonen van het personeel van de universiteiten. Daarnaast verwerven de universiteiten allerlei andere inkomsten, waarmee ze die werkingsmiddelen verhogen en nog meer personeel aanstellen. Het gaat daarbij over zeer grote bedragen. De universiteiten zijn machtige instellingen, en er wordt zeer weinig controle uitgeoefend op hun werking en hun prestaties. Zo haalt in Vlaanderen minder dan de helft van de studenten een einddiploma, velen niet binnen de normaal voorziene tijd. Er is geen toelatingsexamen, behalve voor geneeskunde. Dat maakt dat heel wat jongelui hun kans wagen aan de universiteit, en dat maar een derde slaagt in dat eerste jaar. Er wordt dus veel tijd en energie gestoken in nutteloos massaonderwijs. Heel wat onderzoek is van middelmatig tot bedenkelijk niveau, heel wat professoren doen helemaal geen ernstig onderzoek. Men komt er niet uit of de universiteiten nu bedoeld zijn om jonge mensen op te leiden, of onderzoeksinstellingen zijn, en bijgevolg doet men geen van beide zaken echt naar behoren, en blijft men vaak steken in amateurisme en verouderde praktijken. De maatschappij klaagt dat de universiteit niet voorbereidt op het werkelijke leven. Het is dus de hoogste tijd dat de staat zich ernstig gaat bezinnen op haar rol tegenover de universiteiten: er zijn voorbeelden in andere landen van universiteiten die geen cent ontvangen van de staat. Het lijkt me betekenisvol dat slechts één Vlaamse universiteit (amper) de top 100 haalt, terwijl de niet-gesubsidieerde universiteiten alle rangschikkingen aanvoeren.

    Dat alles leidt me tot het besluit dat onze maatschappij er beter aan doet om het staatsapparaat aanzienlijk kleiner te maken, en zich op alle terreinen te beperken tot het strikt noodzakelijke, en zich uit talrijke domeinen helemaal terug te trekken, of zich te beperken tot een afstandelijk toezicht om uitwassen te voorkomen. De recente verkiezingen hebben overduidelijk aangetoond dat de overgrote meerderheid van de Vlamingen daar eveneens zo over denkt. Laten we hopen dat die Vlamingen, met de vertegenwoordiging die ze democratisch verworven hebben in het Vlaamse en het Belgische parlement, die overtuiging zullen waarmaken, tot spijt van wie ’t benijdt.


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    27-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Besparen op cultuur?

    De Vlaamse regering moet besparen. De oorzaken zijn verscheiden: we hebben van België meer verantwoordelijkheden gekregen, maar niet het budget om die te bekostigen. We moeten nu zelf opdraaien voor onze Vlaamse uitgaven, met minder inkomsten. En er is crisis: ook dat zorgt voor minder inkomsten, terwijl men meer op de overheid een beroep doet, voor werkloosheids- en andere uitkeringen. Kortom, de begroting gaat in het rood, tenzij men de uitgaven beperkt of de inkomsten verhoogt. De inkomsten verhogen betekent nog meer belastingen, dus liever niet, wij zijn al het zwaarst belast landje ter wereld. En dus is er maar één oplossing: de staat moet minder uitgeven.

    Laat dat nu precies zijn wat veel mensen al heel lang denken in Vlaanderen. Verwachten dat de overheid aan iedereen geschenken uitdeelt, dat is waanzin natuurlijk: iemand moet die cadeautjes toch betalen? En wie betaalt ze? Juist: de werkende mens, door belastingen te betalen, dat zijn de inkomsten van de staat. De werkende mens staat dus een deel van zijn loon af aan mensen die niet werken. Dat kan, maar enkel in zover dat ook echt nodig is. Maar we zijn niet eens in staat om iedereen te helpen die het echt nodig heeft, zoals de personen met een beperking. Dat belet ons echter niet om vele miljoenen uit te geven aan projecten waarvan het nut of de zin velen ontgaat. Ik noem maar één voorbeeld: de restauratie van de Sint-Romboutskathedraal in Mechelen. Als ik heel eerlijk mag zijn: voor mij mogen ze die dynamiteren.

    Laten we het ook eens over uitkeringen hebben. Laatst was er een reality programma op de VRT, ‘De Rechtbank’. Een vrouw die zelf voorwaardelijk vrij was wegens drugszaken, werd betrapt toen ze haar man in de gevangenis drugs wou bezorgen. De onderzoeksrechter vroeg haar van wat ze leefde, en haar antwoord was: ik ‘trek’ 1500 euro per maand van de mutualiteit. Ik viel zowat van mijn stoel. Dat is immers meer dan mijn pensioen. Ik kreeg plots het bangelijk gevoel dat er in Vlaanderen echt wel veel omgaat dat we niet weten als het over uitkeringen gaat.

    Ook op cultuur moet er bespaard worden, globaal ongeveer 7,5 procent. Vanzelfsprekend schreeuwen een aantal gesubsidieerde cultuurpauzen moord en brand. Maar ik moet bekennen: het raakt mijn koude kleren niet. Ik durf van mezelf zeggen dat ik over enige culturele bagage beschik, maar ik mijd wat in Vlaanderen voor cultuur doorgaat als de pest. Ik ga niet naar concerten of andere muziekuitvoeringen, bezoek geen grote tentoonstellingen, kom niet in musea of kerken, ik koop en lees de boeken niet die in kranten en weekbladen hoge ogen gooien, kortom, ik blijf thuis en lees boeken die ik zelf koop, meestal tweedehands, of die ik gratis op internet vind. Ik vermijd de VRT, zowel radio als TV. En ga zo maar door.

    Voor mij mogen ze dus gerust het hele zootje sluiten en afschaffen: mijn cultuurbeleving zal er niet onder lijden. Ik onderhoud twee websites die ik toch wel cultureel durf te noemen, en wel zonder enige subsidie of andere inkomsten, en ik bied alles gratis aan. En ik heb een boek geschreven, eveneens zonder subsidies, gewijd aan Spinoza, een filosoof die eveneens alle subsidies en benoemingen weigerde, en op zijn eentje oneindig veel meer heeft gedaan voor onze beschaving dan al de cultuurpauzen van vandaag samen. Wat vandaag voor cultuur doorgaat, zal in mijn bescheiden opinie, en als we op ons recent verleden mogen afgaan, al over enkele jaren door de mand vallen als schrijnende banaliteit.

    Ik heb veertig jaar aan de universiteit gewerkt en ik durf hier plechtig stellen: men kan aan de universiteit moeiteloos 50 procent besparen, en geen mens die het zal merken als men het ernstig doet.

    Voor mij mag er dus gerust minder ‘staat’ zijn, liefst zelfs zo weinig mogelijk, enkel wat noodzakelijk is. En neen: het leger is daar niet bij, en cultuur evenmin.

     


    Categorie:samenleving
    Tags:kunst
    19-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Niemand kan twee heren dienen.

    Wanneer ik mij tegen de godsdienst keer, krijg ik soms als antwoord dat de godsdienst en de kerk waarover ik spreek lang verleden tijd zijn en dat er een nieuw geloof is, dat zuiverder is dan het oude en niet beladen met al de kwalijke kanten van vroeger, en een nieuwe, onthechte kerk. Ongetwijfeld is dat waar voor sommige gelovigen, binnen en buiten de kerk. Maar de kerk als machtsinstrument bestaat nog steeds. En zolang de kerk wereldse macht heeft, zal ik me ertegen verzetten, en wel op evangelische gronden, zoals anderen voor mij gedaan hebben.

    Bij Matteüs lezen we herhaaldelijk de uitdrukkelijke aansporing om te verzaken aan rijkdom en macht. Waar dat op de meeste plaatsen gericht is tot iedereen, is er die onmiskenbare passage aan het begin van hoofdstuk 10, waar Jezus zijn leerlingen bij zich roept en hen toespreekt over hun zending. En dan zegt hij: ‘Voor niets hebt gij ontvangen, voor niets moet gij geven.’ Dat is een verbod op simonie, het verkopen van ‘geestelijke’ goederen voor geld. De bedienaars van de eredienst mogen zich zelfs niet laten betalen voor hun werk: ‘Tracht dus geen goud, zilver of koper te verwerven om er uw gordels mee te vullen. Verschaft u ook geen reiszak voor onderweg, geen tweede onderkleed, geen schoeisel of stok, want de arbeider is zijn onderhoud waard.’ Met andere woorden: wie arbeidt, heeft zelfs geen recht op een loon: de gemeenschap die men dient moet enkel voorzien in het onderhoud van de bedienaar van de eredienst, men moet hem opvangen in het huis van de gelovigen, dat is alles. ‘De vossen hebben hun holen en de vogels uit de lucht hun nesten, maar de Mensenzoon heeft niets waarop hij zijn hoofd kan laten rusten.’ (Mt 8, 20)

    Wanneer wij de geschiedenis van de kerken bekijken, dan stellen we vast dat men net het tegenovergestelde heeft gedaan. Godsdienst is een economisch en politiek systeem, gericht op het verwerven van macht en rijkdom. Het volstaat om ons heen te kijken naar de ontelbare indiciën van rijkdom, zoals dat heet, van de religies, en naar de macht die zij zich toe-eigenen. Zelfs de meest bescheiden bisschoppen dragen een duur kruis op de borst, en tijdens de ritus in de buitenmaatse kerken zien ze eruit als drag queens in vol ornaat. Het bezit van de kerken wordt zorgvuldig geheim gehouden en valt niet onder de belastingswetten die op gewone burgers van toepassing zijn. Maar wat wij erover te weten komen, slaat met verstomming, zoals laatst in een reportage over het geld van de Roomse kerk, en een andere over de rijkdom die opgestapeld ligt in het Vaticaan.

    Men zou kunnen zeggen dat in Vlaanderen die macht sterk getaand is. Dan houdt men echter geen rekening met machtige structuren als het katholiek onderwijs, Caritas Catholica, het ACW en andere, minder bekende organisaties die nog steeds de touwtjes stevig in handen hebben. Het zijn dan wel vooral leken, maar wat is het verschil? Het is een economische structuur die haar eigen leiders rijkdom en macht bezorgt en die rijkdom en macht in stand houdt en vermeerdert.

    Zolang godsdienst gekenmerkt wordt door bezit en macht, is het geen godsdienst maar een bedrijf, en moet men die godsdienst als een economische realiteit behandelen, en ontdoen van de schone schijn en de zweem van heiligheid die eromheen hangt. Pas wanneer de godsdiensten afstand hebben gedaan van alle bezit en alle macht, kunnen ze geloofwaardig zijn. Dat is wat ik bij Matteüs lees, maar het is niet wat ik om mij heen zie.

    ‘Verzamelt u geen schatten op aarde, waar ze door mot en worm vergaan en waar dieven inbreken om te stelen; maar verzamelt u schatten in de hemel, waar ze niet door mot of worm vergaan en waar dieven niet inbreken om te stelen. Waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn.’

    Niemand kan twee heren dienen: hij zal de ene haten en de ander liefhebben, ofwel de ene aanhangen en de ander verachten. Gij kunt niet God dienen én de mammon.’ (Mt 6, 19-21; 24)

    Wanneer wij dus concentraties zien van macht en bezit, weten we meteen dat niet God daar gediend wordt, maar de mammon.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst
    14-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John Stuart Mill

    John Stuart Mill: het is een van die namen die je bij gelegenheid tegenkomt, maar waar je niet blijft bij stilstaan. In de geschiedenis van de filosofie wordt nauwelijks aandacht aan hem besteed. Toch noemt men hem wel eens ‘de meest invloedrijke Engelstalige filosoof van de 19de eeuw’.

    John Stuart was de oudste zoon van de Schotse filosoof, econoom en historicus James Mill; hij werd geboren in Londen, in 1806 en werd door zijn vader streng opgevoed als een soort van wonderkind. Vanaf zijn derde levensjaar kreeg hij les in Grieks en begon hij de Griekse klassieken te lezen, vooral historische werken. Hij las ook uitvoerig Engelse historische werken. Hij kreeg eveneens een stevige opleiding in de natuurwetenschappen. Toen hij acht jaar oud was, leerde hij Latijn en maakte zich vertrouwd met de klassieke auteurs in die taal. Hij fungeerde als schoolmeester voor de andere kinderen, en in zijn vrije tijd las hij naast wetenschappelijke werken ook populaire klassiekers, zoals Cervantes en Defoe’s Robinson Crusoe. Zijn vader leerde hem ook poëzie te schrijven.

    Vanaf zijn twaalfde ging hij gemeenzaam om met vooraanstaande geleerden in verschillende disciplines. Met zijn vader bestudeerde hij economisch-politieke kwesties, terwijl hij zijn eigen aandacht vooral richtte op de logica: hoe kunnen we weten dat een uitspraak waar is?

    Toen hij veertien was verbleef hij een jaar in Frankrijk, volgde er lessen aan de universiteit en ontmoette verscheidene geleerden, schrijvers en politici.

    Al dat intense werk op jeugdige leeftijd leidde tot wat wij nu een burn-out noemen, of een depressie. Hij herstelde langzaam, en hernam zijn intellectuele bezigheden, onder meer een correspondentie met Auguste Comte.

    Mill was een religieuze non-conformist en in feite een atheïst en was als zodanig niet welkom aan de grote universiteiten, Oxford en Cambridge. Hij begon te werken voor de East India Company zoals zijn vader, en liep colleges aan University College in Londen, een seculiere instelling en tot op vandaag een van de meest prestigieuze universiteiten ter wereld.

    In 1851 trouwde hij met zijn vriendin en zielsverwante Harriet Taylor. Ze kenden elkaar al meer dan twintig jaar, maar zij was gehuwd, en pas na de dood van haar echtgenoot bezegelden zij hun liefde. Zij had een grote invloed op hem en op zijn werk, maar stierf reeds in 1858.

    John Stuart Mill was rector van de University of Saint-Andrews van 1865 tot 1868; in die jaren was hij ook lid van het Britse parlement, waar hij aanleunde bij de Liberalen. Hij was de eerste om het stemrecht voor vrouwen te bepleiten, en bekritiseerde de onderdrukking van Ierland door de Britten. Hij was een krachtig sociaal hervormer en voorstander van een meer democratisch stemrecht.

    John Stuart Mill overleed in 1873 in Avignon, waar hij begraven werd naast zijn echtgenote.

    Het zou ons te ver leiden indien we dieper zouden ingaan op zijn talrijke werken, zoals A System of Logic (1843), On Liberty (1858) en Utilitarianism (1863). Men leze daarover de degelijke artikelen bij Wikipedia.

    Mijn aandacht werd recentelijk getrokken op zijn essay On Nature, dat in New York verscheen in de bundel Three Essays on Religion (1874). Ik las dat essay in een ruk uit op internet: https://www.marxists.org/reference/archive/mill-john-stuart/1874/nature.htm en was zo gecharmeerd door taal, stijl en inhoud van dit werk dat ik meteen besloot het te vertalen in het Nederlands, aangezien er geen Nederlandse vertaling voorhanden blijkt te zijn. Om verschillende redenen heb ik besloten die vertaling niet online te plaatsen, maar wie erin geïnteresseerd is, kan me een mailtje sturen en dan bezorg ik de tekst graag (en gratis) in pdf- of Word-formaat.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    06-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome

    De brief van bisschop Bonny van Antwerpen krijgt media-aandacht, en dat verdient die ook. Het gebeurt immers niet elke dag dat een bisschop zich met een open brief richt tot de gelovigen, maar toch in de eerste plaats tot het centrale kerkelijk gezag, en dat gezag daarbij behoorlijk de mantel uitveegt.

    Bij een aandachtige lezing blijkt echter dat de kritiek van de bisschop en van de talrijke adviseurs die ongetwijfeld zo al niet de pen hebben vastgehouden, dan toch zijn hand in ruime mate gestuurd hebben, selectief is, en dat hij zich er angstvallig voor behoedt te raken aan de kern van het christelijk geloof. Daardoor ondergraaft hij echter de grondvesten zijn eigen betoog.

    Ik verklaar me nader.

    In de brief wordt een regelrechte aanval ingezet op het centrale gezag van de kerk: de paus, de curie, invloedrijke theologische adviseurs. Men verwijt hen eenzijdigheid en machtswellust, en dat is vanzelfsprekend volkomen terecht. Dat hebben christenen in alle tijden al aangeklaagd, en dat heeft bijvoorbeeld geleid tot de Reformatie. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat deze bisschop en zijn adviseurs zich in aanzienlijke mate hebben laten inspireren door die beweging; de kerk die zij voorstaan, lijkt sterk op wat in protestantse middens gemeengoed is, behalve dat men daar nog verder gaat bij het decentraliseren en zelfs de bisschoppelijke autonomie, waarvoor deze brief een krachtig pleidooi is, als een onnodige en onaanvaardbare betutteling beschouwt.

    Bonny verwijt de kerk dat ze te weinig oog heeft voor haar eigen verleden, en voor de afwijkende meningen die er zijn. Daarmee richt hij zijn pijlen op slechts één van de peilers van het geloof. Het christendom, laat ons dat toch maar nooit uit het oog verliezen, is een openbaringsgodsdienst. Dat wil zeggen dat er een God is die zich openbaart aan de mens. Die openbaring gebeurt op verschillende manieren. Het is begonnen met het eigen volk van God, Israël, en daarover worden we geïnformeerd in wat wij nu het Oude Testament noemen. De volheid van die openbaring is er echter gekomen met Jezus, de Messias, de Christus, en daarover worden we geïnformeerd door het Nieuwe Testament. Vervolgens is er de werking van de Heilige Geest, die de mensen verlicht. En ten slotte is er de kerk, die waakt over de getrouwe interpretatie van het Woord van God. De kritiek van Bonny richt zich uitsluitend op die laatste steunpilaar van het geloof, de meest wankele, aangezien hij mensenwerk is, zoals de bisschop uitvoerig aantoont, en dus in staat tot vergissingen.

    Wanneer men echter kritiek heeft op iemand of op een instelling, moet men die kritiek funderen, moet men zijn gelijk aantonen en bewijzen. Men strijdt als het ware met gelijke wapens: de bisschop van Rome heeft geen andere aanspraken op gelijk of de waarheid dan die van Antwerpen. Dat is niet alleen in strijd met de leer van de kerk, die vasthoudt aan het gezag van de paus in zaken van geloof en zeden, zoals dat heet, en zelfs zijn onfeilbaarheid ter zake voorhoudt, maar het opent ook de deur voor meningsverschillen binnen de kerk over essentiële geloofszaken, en ook dat is strijdig met de leer van de kerk, de Una, Sancta, Catholica et Apostolica: zij is één, heilig en dezelfde over heel de wereld (kat’ holein tein gein) en berust op de ononderbroken traditie van de apostelen van Jezus van Nazareth. Herhaaldelijk pleit Bonny in zijn brief tegen deze laatste twee principes, en toont zich daarmee van zijn meest protestantse kant.

    Wanneer men dus de ideologische strijd aangaat met anderen binnen de kerk, moet men zijn argumenten staven, men moet zich ergens op beroepen. Bonny beroept zich op de sesus fidei van de gelovigen, en op de mening van andersdenkende gelovige gezagsdragers en theologen. Dat is volkomen terecht, al zal Rome dat zeker betwisten. Maar in feite beroept de auteur zich op niets anders dan de hogere vermogens van de mens, die in staat is om aan te voelen en na te denken en over deze gevoelens en deze gedachten met anderen in gesprek te treden. Dat is inderdaad de grondslag van het grootste gedeelte van deze lange brief. Maar Bonny weet als gelovige perfect dat hij daarmee alleen niet wegkomt: ik herhaal: het christendom is een openbaringsgodsdienst, en de waarheid is in die openbaring gelegen, niet in het brein van de mens.

    Vandaar dat de auteur op cruciale momenten steeds naar die openbaring verwijst: de Schrift, het Evangelie van Jezus Christus. Hij beseft echter tegelijkertijd dat hij dat enkel in algemene termen kan doen. De moderne exegese laat immers van de Schrift, het Evangelie en zelfs de figuur van Jezus en zijn apostelen niet veel heel. En dus moet hij wel zijn toevlucht nemen tot een ander ‘zeker’ openbaringsgegeven, en dat is dan de werking van de Heilige Geest, die in het hart van elke mens de goddelijke waarheid geplant heeft, met andere woorden: het geweten.

    Ook dat is allesbehalve nieuw en werd eveneens sterk beklemtoond in de Reformatie: de mens kan voortgaan op zijn geweten als op een rechtstreekse openbaring en inspiratie van God, en heeft dus geen behoefte aan bemiddeling door een kerk en bedienaars van de eredienst. Zover gaat deze katholieke bisschop echter niet in de zelfverloochening: hij ziet vanzelfsprekend een ruime taak weggelegd voor zichzelf en zijn priesters. Uiteindelijk beroept hij zich, wanneer hij de openbaring inroept, steeds bijna uitsluitend op dat (goed door de lokale kerk gevormd) geweten, en bijna nooit op de Schrift of het Evangelie zelf.

    Nu is dat geweten, dat door God aan elke mens gegeven is door de Heilige Geest, een even mysterieuze zaak als zijn onsterfelijke ziel, of als God, zijn Zoon en zijn Heilige Geest, de Heilige Drievuldigheid. Het is de kerk die dat geweten, net als de ziel, ‘ontdekt’ heeft en het bestaan ervan aanvoert. De wetenschap, ook de menswetenschappen, kennen dit begrip niet in die vorm, namelijk als een goddelijke gave, waarin God zich openbaart in zijn waarheid. Men gaat integendeel uit van een evolutionair mensbeeld, waarbij een bepaald dier geleidelijk aan ontwikkeld is, volgens Darwiniaanse principes, tot het over de hogere mentale mogelijkheden beschikte die wij nu kennen. Het is met die spontaan ontstane capaciteiten dat de mens zich over zijn bestaan bezint; er is daar dus geen sprake van enige goddelijke tussenkomst. Voor elke rustig nadenkende mens is het geweten een vreemd woord voor het feit dat wij in staat zijn om na te denken (in de ruimste zin van het woord) en ons handelen daarnaar te richten. In overleg met anderen, en gedragen door een beschaving, kunnen wij tot conclusies komen over het ontstaan van de wereld en van de dingen en van het leven, en over de manier waarop wij met die dingen en de andere levensvormen en met elkaar het best samenleven. Er is daarbij nog steeds geen sprake van God.

    Dat is de fundamentele kritiek die men op deze brief kan en moet formuleren, namelijk dat de grondslag voor elke redenering die erin voorkomt, onbestaande is, of fundamenteel verkeerd voorgesteld wordt. Bonny beroept zich op een God die er niet is, op een openbaring die er niet is, op een geweten dat er niet is, en zwijgt in alle talen over het evolutionair mensbeeld en de autonomie van de mens in zijn samenleven met de wereld die hem omringt. Hij blijft beweren dat er wel degelijk een goddelijke waarheid is, die wij moeten herkennen en erkennen, terwijl het enkel gaat om afspraken die wij als mensen met elkaar maken, zowel over hoe de dingen zijn, als over wat wij horen te doen en te laten.

    Deze brief is dus louter voor intern gebruik bestemd, ik schreef bijna: voor oraal gebruik… Hij kan een belangrijke bijdrage betekenen voor de interne organisatie van de kerk, maar zelfs daaraan durf ik te twijfelen: Bonny is geen Luther, en zijn brief geen stellingen die op de heilige deur van Sint-Pieters genageld wordt.

    Voor de overgrote meerderheid van de mensen die niet meer kerkelijk zijn of het nooit waren, heeft deze brief inderdaad geen enkel belang, geen enkele waarde. In die zin is het een jammerlijk gemiste kans, maar iets anders mocht men echt niet verwachten van deze overigens moedige man.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    05-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Odette?

    Jaren geleden was er een geniaal muzikaal quizprogramma op de BBC, dat ik enthousiast volgde: My Music, met Steve Race. Een van de vragen die de muzikale deelnemers op een keer voorgeschoteld kregen was: in welk muziekstuk komt de naam Odette voor? Verbazing alom. Waarop de quizmaster fijntjes de bekende aria uit de Messiah van Haendel intoneerde: Death, o Death, where is thy sting? Grave, where is thy victory? Hilariteit alom.

    De tekst is een citaat, zoals alle teksten van Haendels Messias, uit de Bijbel, namelijk de Eerste brief aan de Korintiërs, 15, 55. ‘Paulus’ heeft het in dat laatste deel van die brief over de dood en verrijzenis van de Christus, de kern van het geloof in de verrijzenis van de mens. Het citaat van Haendel uit de Eerste Korintiërsbrief is op zijn beurt, zoals talrijke andere teksten uit het Nieuwe Testament, een citaat uit de teksten van het Joodse volk, die later door het christendom, dat zelf begonnen is als een Joodse sekte, schaamteloos overgenomen zijn als het ‘christelijke’ Oude Testament, in dit geval uit Hosea, 13, 14.

    In deze bekende episteltekst, die ontelbare keren gedebiteerd wordt als de eerste lezing op christelijke begrafenissen, maakt ‘Paulus’ (en ik plaats zijn naam hier nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, want er is geen enkel historisch bewijs dat de persoon aan wie dit alles wordt toegeschreven ooit bestaan heeft) zich sterk dat de dood niet het einde is, maar het begin van een nieuw leven. Vandaar het citaat: door de verrijzenis en het vooruitzicht op een nieuw, glorieus leven, verliest de dood haar angel, en wordt haar overwinning op het leven teniet gedaan.

    Dat de dood niet het einde is, is op zich een verbijsterende gedachte, die op mij nooit enige indruk heeft kunnen maken. Van in mijn prilste jeugd heb ik al snel ingezien dat het leven eindig is. Je kan er immers zelfs als kind niet naast kijken: al wat leeft, sterft: bloemen en planten, een huisdier en het vee, de insecten in huis die achteloos doodgemept worden, en ja, ook mensen, zoals je grootouders, buren, kennissen.

    Ook heel jonge kinderen worden geconfronteerd met de dood, en kunnen niet anders dan daaruit conclusies trekken. Het heeft, in mijn aanvoelen, niet veel zin om dat te verbloemen, zoals men vandaag de dag graag doet: een familielid dat gestorven is, wordt dan een sterretje aan de hemel, een versleten romantische cliché die we bijvoorbeeld in Mahlers Kindertotenlieder terugvinden, maar die een hedendaagse filosofe nog steeds geschikt acht. Waarom zoiets verzinnen en vooral: waarom kinderen dat opdringen? Het klinkt poëtisch, maar het is gewoon een onwaarheid die we gebruiken om de waarheid te verbergen, een waarheid die kinderen wel moeten inzien en die ze echt wel in staat zijn om te verwerken, en die hoe dan ook de voorkeur verdient boven elke goedbedoelde maar nefaste leugen, die men dan later moet rechtzetten.

    Ik heb altijd al beseft dat het leven een begin kent en een einde. Dat is de essentie van het leven. Ik heb nooit de indruk gehad dat het anders was, dat het anders kon zijn, en ik heb ook nooit verlangd dat het anders kon zijn: dat is immers een contradictie, een onmogelijkheid. Wellicht heeft dat een belangrijke rol gespeeld in mijn afwijzen, van in de kleuterklas, van elke vorm van geloofsindoctrinatie: mensen gaan wel dood, verrijzen niet, en van een leven na de dood is er geen enkele aanduiding. Ik was daarmee al als peuter verzoend; het was immers wat ik om me heen zag in de natuur. Ik voelde moeiteloos aan dat de mens deel uitmaakte van die natuur, en stelde vast dat wij op geen enkele manier aan die natuur konden ontsnappen, wat men daarover ook zei. Pasen, het feest van de Verrijzenis, was voor mij het feest van de lente, van het hernemen van het leven na de winterslaap en van het nieuwe leven uit het zaad van het oude, niet van een nieuw leven na de dood.

    De dood had dus niets afschuwwekkends voor mij, het was immers de normaalste zaak van de wereld. Ik bleef altijd vrij onbewogen wanneer ik met de dood werd geconfronteerd, omdat ik nu eenmaal aanvaard had dat het een normaal verschijnsel was, waaraan niet te ontsnappen viel. Zeker, het viel me soms zwaar, zeer zwaar om afscheid te nemen van een geliefde, maar dat leidde nooit tot verzet tegen het feit dat alle leven nu eenmaal moet sterven. De dood heeft voor mij nooit de gedachte, laat staan het verlangen, opgeroepen naar een leven na de dood, een tweede leven, of het eeuwige leven. Het is een idee dat mij volkomen vreemd is, en dat is zo gebleven, mijn leven lang, en ik stel vast dat mijn ideeën daarover niet veranderd zijn nu ik ouder word en de realiteit van mijn eigen overlijden steeds naderbij komt.

    Zeker, ik heb nog allerlei plannen en dromen en verwachtingen, en het zou me veel genoegen doen mochten er daarvan nog enige in vervulling gaan. Maar dat mijn resterende tijd elke dag korter wordt dan wat al voorbij is, vervult me niet met spijt, noch met irrationele verlangens om aan die essentiële conditie van mijn bestaan iets te veranderen. Voor mij zou het leven niet beter of aangenamer of zinvoller zijn indien er een tweede leven zou op volgen, of zelfs een eeuwig leven, onder welke vorm ook. Het leven is zoals het is, en daar heb ik geen moeite mee, integendeel. Het feit dat ik deel uitmaak van de natuur, en dat al de wetmatigheden van de natuur integraal op mij van toepassing zijn, verschaft me een diepgewortelde rust en aanvaarding, en maakt mijn leven, zoals alle leven, voor mij tot iets dat volmaakt zinvol is: het is zoals het hoort te zijn, met een aangrijpende geboorte als spectaculaire start, een precair en uitdagend bestaan vol mogelijkheden tot zelfontplooiing en samenwerking tot in onze diepste lichamelijke en mentale kern, en de onvermijdelijke neergang die erop volgt, met de zoete dood als bekroning, en niet als een mislukking. De curve van het leven is voor iedereen anders, een parabool die zelden in zijn geheel doorlopen wordt, maar die ten minste deze zekerheden heeft dat die begint en eindigt in het niet-bestaan. Zonder deze zekerheden zou het leven een volledig andere betekenis krijgen.

    En laat dat nu juist zijn wat het christendom voorhoudt: een leven dat niet eindigt bij de dood. De imaginaire consequenties van die inderdaad verbijsterende en absoluut onnatuurlijke veronderstelling over het leven hier op aarde zijn spectaculair, maar tevens totaal ongeloofwaardig. Dat wij in het hier en nu moeten leven volgens een bepaald patroon, ons aangereikt door God zelf via de bedienaars van zijn eredienst, om in het hiernamaals niet tijdelijk of zelfs in eeuwigheid onderworpen te worden aan de meest gruwelijke lichamelijke en mentale folteringen, is een dogma dat geen enkele gelovige mag betwijfelen: het is de kern van het christelijk geloof. De eeuwige zaligheid die de beloning is voor een leven volgens de kerkelijke voorschriften wordt dan, hoe kan het anders, veel belangrijker dan het leven hier op aarde, dat onvermijdelijk als minderwaardig wordt geacht.

    Die eeuwige zaligheid is, zo stelt die ‘Paulus’ in ‘zijn’ ‘brief’ aan de Korintiërs, niet van lichamelijk maar van geestelijke aard (1 Kor 15, 35-54). Er is dus een geestelijke component, die reeds in het aardse leven aanwezig is, en die totaal verschillend is van de lichamelijke. Dat simplistisch dualisme heeft het christendom ontleend aan de veel rijkere gedachten van Plato, waarvan het slechts een uiterst bedenkelijk en zelfs belachelijk afgietsel is, of om het met Plato zelf te zeggen, een vaag en vluchtig schaduwbeeld van de realiteit.

    De kern van het christelijk geloof, waarop zijn hele dogmatiek en zijn hele patsorale praktijk gebouwd is, bestaat dus uit drie louter fictieve elementen, die in geen enkele ernstige filosofische of praktische benadering van de mensheid of de natuur ook maar enigszins kunnen ter sprake komen: een persoonlijke almachtige en volmaakte God, Schepper van hemel en aarde; het bestaan van geestelijke wezens en van een geestelijke component in de mens; het persoonlijke voortbestaan van de mens na de fysieke dood.

    Dat is helemaal niet hoe mensen de natuur en hun eigen leven ervaren. Het is een mateloos vergezocht beeld voor een veel eenvoudiger realiteit, namelijk een natuur die haar eigen wetmatigheden heeft en waarbinnen ooit leven ontstaan is, dat voor zijn instandhouding aangewezen is op voortplanting en dat zich in de loop van miljarden jaren ontwikkeld heeft tot wat het vandaag is; de mens is een van die vele levensvormen, wellicht de hoogste op tal van gebieden, maar ook niet meer dan dat. Er is in de mens noch daarbuiten ook maar iets bovennatuurlijks (een contradictio in terminis zoals er nooit een geweest is).

    Ik houd intens van het leven zoals het is, en dus met inbegrip van al zijn essentiële ingrediënten, dus ook de dood. De gedachte aan een leven zonder de dood is absurd. En dus zeg ik met de Joodse Hosea, de even mythische Paulus en de zeer reële Haendel: de dood heeft voor mij haar angel verloren en haar overwinning op het leven; ze is de zoete dood die me wacht wanneer de persoon die ik ben niet meer in staat is om verder te leven, het ogenblik waarop het rijke bestaan dat ik gekend heb definitief ten einde komt, mijn lichaam afgebroken wordt in zijn samenstellende delen, en mijn brein eindelijk zijn nerveuze activiteit staakt, en de wereld om mij heen doorgaat, tot ook die misschien ooit ophoudt te bestaan.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    20-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onverzoenbaarheid

    Op Facebook stond een bericht over een lezing die Susan Blackmore gehouden heeft in Oxford. Niet aan de universiteit aldaar, maar in het kader van een van de vele ‘zomercursussen’ die handige ondernemers organiseren in universiteitssteden en die vooral op (welgestelde) jongeren gericht zijn. Het is een vorm van jeugdtoerisme, en op zich niet oninteressant, maar het blijft hoofdzakelijk een commerciële onderneming. Als er enig intellectueel voordeel aan vastzit voor de deelnemers, is dat veeleer een neveneffect.

    Hoe dan ook, Susan Blackmore, een vigoureuze atheïste en de bekende auteur van The Meme Machine had een lezing voorbereid over dat thema, waarbij vanzelfsprekend ook de evolutietheorie ter sprake kwam. Ze illustreerde haar stellingen over het ontstaan, de verspreiding, de weerbaarheid en de kwetsbaarheid van memen onder meer aan de hand van hun werking in verscheidene godsdiensten. Toen ze op die manier de kwalijke propagandapraktijken en de irrationele indoctrinatie van concrete godsdiensten aantoonde, naast andere ook meer bepaald die van de Islam, stonden enkele jeugdige toehoorders op en verlieten ostentatief de zaal. Toen de spreker hen vroeg waarom, kreeg ze als antwoord: je beledigt ons, en wij hoeven dat niet te pikken. Naarmate ze verder ging met haar betoog, verlieten steeds meer jongeren de zaal, zodat het auditorium uiteindelijk half leeggelopen was. Na afloop werd ze opgewacht door een aantal boze jongeren die haar agressief te woord stonden.

    Ik was geschokt toen ik dit vernam. Ik was stilaan gaan denken dat wij hier in het Westen, en uitgerekend in Oxford, aan het begin van de 21ste eeuw zover waren gekomen dat de rol van de godsdienst niet meer primordiaal was. In mijn leefwereld komt godsdienst nog nauwelijks ter sprake. Zelfs in het machtige ‘katholiek’ onderwijs, van kleuterschool tot universiteit, is er amper sprake van God of godsdienst. Ik ken niemand, op een vriendelijke en verstandige getuige van Jehova na, die het onderwerp ooit ter sprake brengt. Wat men er ook over moge denken, men leeft alsof er geen God is, en men doet niet aan godsdienst. Statistieken tonen aan dat dit niet zomaar een indruk is: het aantal mensen dat zich niet-religieus noemt neemt sterk toe, het kerkbezoek in Vlaanderen is bijna volledig uitgestorven, en dat mag je letterlijk nemen.

    Het blijkt echter een vergissing te zijn te denken dat dit een wereldwijd verschijnsel is, en dat het geldt voor alle godsdiensten. Ik moet vaststellen dat alle godsdiensten fanatieke fundamentalistische strekkingen hebben, en dat die zeer strijdbaar zijn. Het is moeilijk, zoals dat altijd al het geval geweest is, om uit te maken hoe diep het geloof gaat van de aanhangers, maar misschien doet dat er ook niet toe: als iemand zich opstelt als een fervent aanhanger van een godsdienst, dan is dat zo, ook al herhaalt die persoon klakkeloos wat de godsdienst voorschrijft, en kan die daarvan zelf geen redelijke verantwoording geven. Ook in het verleden konden bijvoorbeeld de meeste christenen geen zinnig woord zeggen over hun geloof, maar dat belette hen niet om massaal getrouw de rituele voorschriften te volgen: kerkbezoek, gebed, vasten, sacramenten, initiatieriten, kerkelijk huwelijk, uitvaartplechtigheden enzovoort. Dat toebehoren tot een geloof of kerk uitte zich verder in een maatschappelijke samenhorigheid en een keuze voor een politieke partij in een sterk verzuilde samenleving. Het was niet zozeer wát men geloofde, maar dát men geloofde.

    In het Westen en in een aantal andere landen is de volksopvoeding het verst gevorderd, en dat is overal de aanleiding tot de achteruitgang van het geloof. Er is immers geen enkel geloof dat kan standhouden tegen het spontane verzet van de vrij denkende mens. Alle pogingen tot een redelijke verantwoording van het geloof lopen onvermijdelijk dood op de nuchtere vaststelling dat het geloof niet redelijk is, omdat het berust op onredelijke veronderstellingen, zowel die geformuleerd in de heilige geschriften als die voorgeschreven door de kerkelijke instanties. Er is altijd sprake van bovennatuurlijke wezens, goddelijke openbaringen, profetieën en voorspellingen, miraculeuze gebeurtenissen, en het geloof in een eeuwig leven dat niet in overeenstemming te brengen is met het gezond verstand.

    Vandaar dat de meeste godsdiensten zich met hand en tand verzetten tegen alle redelijk denken: geloof en rede gaan niet samen, het geloof gaat voorbij aan de rede, overstijgt de rede, en maakt zo al die onmogelijke bovennatuurlijke geloofspunten niet alleen geloofwaardig, maar verheft ze boven elk redelijk verstaan. Het geloof is een hoger en dieper inzicht in de werkelijkheid, toont de werkelijkheid zoals ze echt is.

    Voor mensen die leven in een samenleving die gebouwd is op de rede en haar toepassing in de wetenschap en alle aspecten van de maatschappij, het onderwijs, de politiek, de economie enzovoort, is dat wat men noemt een spagaathouding, een spreidstand waartoe slechts weinigen in staat zijn en die niemand lang kan volhouden. Men kan geen twee essentieel tegengestelde fundamentele levensopvattingen combineren. En aangezien de meeste mensen in staat zijn tot zelfstandig nadenken, en dat in principe des te meer naargelang ze beter opgeleid zijn, en het onderwijs precies gericht is op de bevordering van het zelfstandig nadenken, gaat het geloof erop achteruit naarmate de redelijkheid toeneemt.

    Een andere mogelijkheid is echter dat men de redelijkheid helemaal afzweert en het geloof als de enige maatstaf neemt voor alles, de hele samenleving en alles wat ermee te maken heeft. Dat is wat het christendom beoogde, zoals het jodendom waarop het christendom is geënt, en dat is ook wat de islam voorhoudt. En dat is het verschijnsel dat wij vandaag meemaken.

    Een bijzonder aspect van dit eeuwenoud dilemma is dat door de migratie de godsdiensten een verspreiding kennen die vroeger enkel door religieuze veroveringsoorlogen en politieke overheersing kon gerealiseerd worden. De islam heeft sinds zijn ontstaan dikwijls aan de poorten van Europa gestaan, bijvoorbeeld al in 732 bij Poitiers, en in 1683 bij Wenen, maar werd toen telkens verslagen. In de 20ste eeuw begon er een immigratie uit de moslimwereld naar Europa, en die instroom duurt nog steeds voort. Die migranten brengen hun cultuur mee, en ook hun godsdienst, die uitdrukkelijk aanspraak maakt op het alleengezag van God: de islam is een theocratie, of beter, aangezien God niet bestaat, een hiërocratie, dat wil zeggen dat de geestelijkheid de hoogste macht is op alle gebied, inclusief de burgerlijke rechtspraak, en dat gelovigen veeleer moeten gehoorzamen dan nadenken.

    Er is een sterke neiging onder moslim-migranten om zich niet te integreren, en hun eigenheid te behouden. Dat zorgt voor moeilijkheden in het Westen, die vooral tot uiting komen in het onderwijs. Ons onderwijs is erop gericht om onze kinderen te leren nadenken, en hen onze beschaving eigen te maken. Het is kenmerkend voor die beschaving dat kerk en staat gescheiden zijn, en dat wij een democratisch bestel aanhangen. Dat is in rechtstreekse tegenspraak met de Islam. Wanneer dan een aanzienlijk aantal kinderen uit moslim-middens onze scholen bevolken, soms zelfs in die mate dat zij de meerderheid of zelfs de totaliteit uitmaken, dan moet het wel fout lopen. Enerzijds voor die migrantenkinderen, die in een gewetensconflict komen tussen enerzijds wat hen voorgehouden wordt in de familie en de gemeenschap waarin ze leven, en anderzijds wat hen op school wordt bijgebracht en wat zij zien in de gemeenschap waarnaar ze geïmmigreerd zijn.

    Soms haalt de rede het, en overtuigt ze gaandeweg de migrantenkinderen, die hun levenshouding dan grotendeels baseren op de rede en de wetenschap, en nog enkel lippendienst bewijzen aan hun geloof, zoals destijds ook de christenen hebben gedaan.

    Soms ook niet. Er zijn scholen waar de moslimjongeren ostentatief afstand nemen van wat hen wordt voorgehouden op school, bijvoorbeeld in de lessen wetenschap of geschiedenis. Zij sluiten de oren, en stellen dat zij een andere wetenschap aanhangen, namelijk die van hun geloof. Soms gedragen zij zich zeer agressief tegenover leraren en directies. Soms haken ze helemaal af, en weigeren ze naar de ‘heidense’ scholen te gaan. Er gaan stemmen op om moslimscholen op te richten. Er gaan nog meer stemmen op om ons onderwijs aan te passen aan het moslimpubliek, of althans te vermijden dat deel van het publiek te schofferen, te beledigen of te maken dat ze zich ongemakkelijk voelen.

    Kijk, daar wordt het moeilijk. Als je twee fundamenteel tegengestelde levensopvattingen hebt, dan is het onmogelijk om bijvoorbeeld een onderwijs aan te bieden dat beide opvattingen volledig respecteert, dat als het ware ‘neutraal’ is. Je kan geen wetenschap of geschiedenis aanleren als je rekening moet houden met de letterlijke tekst van de Koran en al de voorschriften die de Islam daaraan verbindt, en de aanwijsbaar bedrieglijke onwaarheden die zogenaamde islamistische geleerden verzinnen. Onze beschaving is niet te verzoenen met een fundamentalistisch islamisme, niet omdat we ons daarmee niet willen verzoenen, maar omdat de twee onverzoenbaar zijn.

    Als men in onze scholen, zoals dat nu gebeurt, probeert om toch te vermijden dat de moslimjongeren afhaken, en toegevingen doet door bepaalde zaken, zoals de evolutietheorie en de kosmologie, om er maar enkele te noemen, te gaan verzwijgen of minimaliseren als niet meer dan veronderstellingen, en ruimte laat voor alternatieven die aangereikt worden door fundamentalistische moslimgroeperingen en kwaadwillige pseudowetenschappers, dan doen we onze eigen beschaving geweld aan, en belanden we voor we het weten weer in de Middeleeuwen.

    Susan Blackmore is geen doetje. Ze is inderdaad een uitgesproken atheïste, maar haar betoog is steeds streng wetenschappelijk onderbouwd. Wanneer zij haar aanzienlijke kennis en haar scherp verstand gebruikt om de verderfelijke mechanismen bloot te leggen die godsdiensten gebruiken om mensen aan hun gezag te onderwerpen, botst dat onvermijdelijk met een godsdienst die zich daaraan manifest schuldig maakt. Haar gelijk wordt bewezen door het ongelijk dat ze krijgt van de aanhangers van die godsdiensten, die door zich af te sluiten van haar betoog precies aantonen hoe die mechanismen op hen inwerken.

    Wij kunnen alleen hopen dat het gezond verstand zal zegevieren, vroeg of laat. We kunnen niet veel meer doen dan onze scholen en universiteiten open stellen voor die jongeren, zodat ze in de confrontatie met onze beschaving de gelegenheid krijgen om hun mentale vermogens, die in hun potentieel absoluut niet verschillen van die van ons, adequaat te gebruiken.

    Of kunnen, en moeten we toch meer doen? Moeten we ons strijdbaar opstellen tegen degenen die een levensopvatting voorstaan die fundamenteel tegengesteld is aan de onze, dat wil zeggen de kerkelijke instanties van alle godsdiensten, dus niet alleen de islam maar ook het christendom en allerlei sekten? Ik meen van wel, en dat is ook wat ik hier doe. Ik pleit voor onze westerse beschaving en voor onze democratie, al zijn ze allebei onvolmaakt en kwetsbaar. Ik toon de desastreuze invloed aan van alle godsdiensten, zowel op het persoonlijk leven en geluk van elke mens als op maatschappelijk gebied. Ik verzet me tegen elk klerikalisme, dat wil zeggen tegen de invloed van de godsdiensten en hun bedienaars en vertegenwoordigers op maatschappelijk gebied. Maar ik doe dat in geschrifte en in gesprekken, ik voer geen acties en neem niet deel aan manifestaties, ik onderteken geen petities, en ik richt geen persoonlijke aanvallen tegen personen.

    Ik meen dat men mij niet kan beschuldigen van islamofobie. Maar dat belet mij niet mijn afschuw uit te spreken over heel wat dingen die gebeuren in de naam van de islam, zoals ik diezelfde zaken veroordeel wanneer ze zich voordoen of zelfs voordeden in een andere godsdienst. Dat geldt onder meer voor discriminerende wetten en gedragingen tegenover vrouwen en personen met een seksuele geaardheid of een levenshouding die afwijkt van wat de godsdienst voorschrijft. Dat geldt voor alle geweld dat geschiedt in naam van of onder het mom van een godsdienst. Dat geldt voor de onwaarheden die godsdiensten verspreiden als wetenschap. Dat geldt vooral voor de liefdeloosheid waarvan zogenaamde gelovigen en bedienaars van erediensten blijk geven in hun omgang met anderen.

    En ja, ik maak me zorgen als ik zie hoe overal ter wereld godsdiensten nog steeds mensen aanzetten tot liefdeloosheid, haat, geweld en domheid.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme


    Foto

    Inhoud blog
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Toby
  • Geloof of wetenschap?
  • Besparingen, nogmaals.
  • Besparen op cultuur?
  • Niemand kan twee heren dienen.
  • John Stuart Mill
  • Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome
  • Odette?
  • Onverzoenbaarheid
  • The windmills of your mind
  • Nogmaals: fatalisme en menselijke vrijheid
  • Aarschot, augustus 1914-2014
  • Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914
  • Yezedi's?
  • Een waanzinnige logica: de Hannibal Directive
  • ongewenst seksueel gedrag
  • Gaza: de grond van de zaak
  • Johan Braeckman, Darwins moordbekentenis
  • Vrijheid en determinisme
  • De blinde telescoop
  • Herakleitos, Alles stroomt (vert. Paul Claes)
  • Antisemitisme?
  • O'Hanlons Helden
  • Polarisatie in Vlaanderen
  • Voetbalgekte
  • Na de verkiezingen
  • Mestkevers?
  • Een eerbaar Vlaams nationalisme
  • Vlaams nationalist, ik?
  • Voor een democratisch Vlaanderen
  • Julian Barnes, The Sense of an Ending
  • Recensie: Ludo Abicht, DemocratieŽn sterven liggend.
  • Recensie: Paul Frentrop, Het jaar 1759.
  • Edward Elgar, Sea Pictures
  • De zoon van de priester
  • Verrijzenis
  • Adel
  • Mijn Spinoza-vertaling
  • Gij zult niet doden...
  • Seksualiteit: idealen en normen
  • The Oxford Handbook of Atheism
  • Hoe we overleven - Mark Rickerby
  • karabiner, musketon, volant en ruflettelint
  • Gedichtendag 2014
  • Antiklerikaal
  • verhitte internetdiscussie
  • Het kruis en de gekruisigde.
  • De seculiere samenleving - Patrick Loobuyck
  • Kweddelen!
  • Euthanasie in BelgiŽ
  • for whom the Bell tolls: exit Didier Bellens
  • De Zevende van Beethoven
  • God bewijzen - Stefan Paas en Rik Peels
  • De Verlichting als kraamkamer, Jabik Veenbaas
  • Recensie: De naakte perenboom. Op reis met Spinoza, Rudi Rotthier
  • In memoriam Luc Verbeke (1924-2013)
  • Gods dobbelstenen
  • Afwezig?
  • Rode kazuifels
  • Socialisme of sociaal-democratie?
  • Late Night Thoughts - Lewis Thomas
  • vrije universiteiten
  • slaagcijfers aan de universiteit
  • Islam, Nazisme en verdraagzaamheid
  • Mes tendres annťes
  • Caveat emptor!
  • De botten van Descartes - Russell Shorto
  • The Ends of Life - Keith Thomas
  • Goed en kwaad
  • Rebellen - Anne Morelli (red.)
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein
  • Topprestaties, onbehagen en liefde
  • Marius Engelbrecht, De onttovering van de waanzin
  • Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
  • meikever
  • Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
  • Pascal Smet of Pieter Wispelwey?
  • Herbetovering van de wereld - Michael LŲwy
  • de utopie van Martin Buber
  • Radicale secularisatie?
  • Economisch nationalisme - Olivier Boehme
  • Kerk en staat
  • bij een overlijden: Macbeth
  • Jacques Brel
  • Goudhaantje
  • ik en de anderen
  • het ruimere perspectief
  • haptonomie, hapschaar
  • Desiderata - Max Ehrmann
  • Crisis
  • Onze waarden? Of toch niet...
  • Democratie in BelgiŽ en in Vlaanderen
  • De eenden zijn terug!
  • Grootschaligheid
  • Sjostakovitsj' Lady Macbeth
  • carnaval
  • Liegen - Sam Harris
  • Verbeter je brein - Reinhoud de Jong
  • Gedichtendag 2013
  • De hulpelozen van de macht - Jean-Pierre Rondas
  • binaire klok
  • Aforisme
  • Sneeuw
  • standvogel
  • Spelen
  • het Belgisch koningshuis
  • keuzes maken
  • De avonden
  • In den beginne...
  • Zwart Vlaanderen volgens Lode Wils en Eric Defoort
  • Barbaren!
  • Spijt
  • God is niets omdat hij alles is (C. Verhoeven)
  • de niet zo schijnbare paradox
  • forum
  • Bevrijd van de dwang van de media
  • Het opgeheven vingertje
  • media-asiel
  • Een links complot?
  • seks
  • Is er dan een probleem?
  • Morgen gaan we stemmen!
  • Kwaad
  • Lees- en gespreksdag in Werchter
  • Vrijheid van mening
  • Dank je wel, Mr. Darwin!
  • het relatieve belang van de islam
  • Dichtbundel David Verstreken
  • N-VA racistisch?
  • N-VA extreemrechts?
  • Ian Robertson, Het winnaareffect
  • sanitaire stop
  • Champions League
  • Getuigen van Jehova
  • Het grote misverstand, nog steeds en alweer
  • blog writer's block
  • Olympisch goud
  • Levende wezens, dode materie
  • Onrust
  • Olympische spelen
  • de kogel is door de kerk, of net niet?
  • De goden. Cicero, De natura deorum
  • Voltaire, Satires, Les SystŤmes
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Ode aan Spinoza
  • koppiekoppie!
  • Uriel da Costa: bibliografie
  • Uriel da Costa's Testament in Nederlandse vertaling
  • Uriel da Costa, Een mensenleven als voorbeeld
  • Geluk in ruimer perspectief
  • pareidolia
  • Fluisterend atheÔsme
  • elk muntstuk heeft twee kanten
  • Goethe's Harzreise im Winter - Brahms' Alt-rapsodie
  • De receptie van Spinoza
  • Spinoza's Korte Verhandeling eenmaal, andermaal
  • nogmaals: 300.000
  • de begrafenis van God: Herman Philipse over godsdienstfilosofie
  • 300.000
  • de legende van UriŽl da Costa
  • vriendschap kent geen grenzen
  • de reisduif en de huismus
  • het grote misverstand
  • Een oude nieuwe Spinoza
  • De derde weg
  • Consequent?
  • geld
  • Seks als oorlog
  • de vogelen des hemels en de leliŽn in het veld
  • Nescio: wat Spinoza niet wist
  • Liefde
  • Gastgedicht: Ik weet niet waarom
  • Verrijzen
  • Goede Vrijdag
  • Koekoek!
  • Topsport?
  • The law is a ass! Quatsch in de rechtzaal
  • Gebed voor Vlaanderen
  • Lentekriebels
  • Niet alleen op de wereld
  • Nogmaals: de dobbelstenen!
  • Oorzaak en gevolg
  • Schijnheilig? Niet echt...
  • een eenvoudige gedachte
  • Sierre 14 maart 2012
  • Additions aux Pensťes philosophiques, Denis Diderot
  • dobbelen
  • Abnormaal?
  • telegeleid
  • Pensťes Philosophiques 1-12, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 13-20, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 21-49, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 50-62, Denis Diderot
  • d'Holbach's Coterie, Alan Charles Kors
  • schrik niet: annťe bissextile!
  • Jonathan I. Israel, Democratic Enlightenment
  • Vita brevis
  • een steen verleggen in een rivier
  • puntdichten voor Vader


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!