NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Categorieën
  • etymologie (69)
  • ex libris (33)
  • God of geen god? (134)
  • historisch (27)
  • kunst (2)
  • levensbeschouwing (186)
  • literatuur (24)
  • muziek (64)
  • natuur (5)
  • poŰzie (67)
  • samenleving (184)
  • spreekwoorden (11)
  • tijd (10)
  • wetenschap (46)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • de blog van Lut
  • Edge
  • The Secular Web
  • Vladimir Nabokov
  • Investigating Atheism
  • tweedehandse boeken
    Archief per maand
  • 05-2015
  • 04-2015
  • 03-2015
  • 02-2015
  • 01-2015
  • 12-2014
  • 11-2014
  • 10-2014
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan ge´nteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieŰn bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    26-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.muziek en dans

    Muziek en dans

    We kunnen ons muziek perfect voorstellen zonder dans en dat is trouwens hoe we er gewoonlijk naar luisteren, thuis op de radio of via internet of cd, maar ook in de concertzaal. Het omgekeerde is veel minder denkbaar: dans zonder muziek… Het kan, natuurlijk maar dan krijg je ongetwijfeld het gevoel dat er iets ontbreekt, dat er iets met opzet is weggelaten, misschien om een bijzonder effect te bereiken, zoals bij mime, wanneer het spreken gewist is bij theater om de volle aandacht op de gebaren te vestigen. Zelfs als dans niet noodzakelijk bij muziek hoort, hoort muziek bij dans. Muziek biedt het ritme en het tempo dat de dans structuur geeft, en een melodische lijn die uitdrukking geeft aan emoties en de choreograaf toelaat een verhaal te vertellen, afzonderlijke houdingen en figuren met elkaar te verbinden in een vloeiende of gebroken beweging in tijd en ruimte. Dat maakt dans tot een gesamtkunstwerk, een samenspel van kunstvormen waarbij het geheel zoveel meer is dan de som van de delen.

    Muziek heeft altijd al dansers en choreografen geïnspireerd. Op deze website heb ik al heel veel muziek onder de aandacht gebracht die mensen geïnspireerd heeft om erop te dansen. Het gaat dan niet zozeer om muziek waarop je kan dansen in een of andere stijl, zomaar, voor je amusement, maar veeleer om echte choreo’s, zoals ze in het moderne metier heten. Vaak had de componist helemaal de bedoeling niet een muziekstuk te maken dat zou dienen om erop te dansen in een of andere vorm van ballet.

    Zo schreef Mendelssohn zijn bekende Midzomernachtsdroom oorspronkelijk als een concertouverture, geïnspireerd door het gelijknamige toneelstuk van Shakespeare, in 1826; hij was toen amper zeventien. Zestien jaar later kreeg hij de opdracht om muziek te schrijven bij dat toneelstuk, als ouverture, als intermezzo bij de scèneveranderingen en als achtergrondmuziek bij sommige scènes. Hij gebruikte zijn bestaande concertouverture voor de ouverture en de eerste scène en componeerde dan andere muziekstukken in dezelfde stijl voor de andere scènes, waaronder de alom bekende bruidsmars. In 1962 maakte Balanchine er een avondvullend ballet van met dezelfde naam en met dezelfde muziek, aangevuld met andere composities van Mendelssohn, waaronder nog drie ouvertures en een deel uit een symfonie voor strijkers.

    Een ander voorbeeld van een volmaakt samengaan van muziek en dans is het korte ballet Le Spectre de la rose. Het is gebaseerd op een gedicht van Théophile Gautier, gecombineerd met de bekende Uitnodiging tot de dans, een werk voor piano van Carl Maria von Weber uit 1819, een stukje programmamuziek, gebaseerd op een verhaaltje over twee jongelui die elkaar ontmoeten op een bal. Het gedicht van Gautier uit 1838 gaat over de roos die een jonge vrouw droeg op een bal en die de volgende dag verwelkt is. Berlioz componeerde in 1838 een heerlijk gedragen, diep ontroerend kunstlied op dat gedicht, in de cyclus Les Nuits d’été. In 1841 kreeg Berlioz de opdracht om het pianowerk van Weber te bewerken voor orkest, als achtergrond voor een ballet dat naar Parijse gewoonte vereist was in elke opera, in dit geval Der Freischütz, eveneens van von Weber. Op die muziek creëerde Fokine in 1911 zijn bekende versie van dat ballet.

    Veel bekender is de geschiedenis van muziekwerken die specifiek voor het ballet geschreven zijn: Ravel’s Bolero, Stravinsky’s Sacre du Printemps, Petruchka, Pulcinella en nog een twintigtal andere van zijn werken; Tsjaikovski’s Zwanenmeer, Notenkraker, De schone slaapster, Sjostakovitsj’ Gouden tijdperk, De bout, De klare stroom, enzovoort. Als je naar Tsjaikovski luistert, kan je niet anders dan aan het ballet denken.

    Zo gaat het ook met moderne en hedendaagse muziek: componisten schrijven voor het rijk gevarieerde hedendaagse ballet, of choreografen op zoek naar interessant materiaal laten zich inspireren door muziek die oorspronkelijk niet bestemd was om erop te dansen, maar die zich door haar vorm en structuur daartoe heel gemakkelijk leent, waarbij de soms verrassende en innoverende compositietechnieken de choreografen ertoe brengen om ook in het ballet vernieuwende elementen te verwerken.

    Muziek en dans zijn onafscheidelijk sinds hun ontstaan, bij het ontwaken van de mens en zullen ongetwijfeld elkaar blijven beïnvloeden en stimuleren, zowel in het ontspanningsleven als in de hoogstaande kunstvorm die het ballet is in al zijn klassieke en moderne vormen.

     

    De schim van de roos

    Licht je sluimerend ooglid op
    dat een ongerepte droom beroerde
    ik ben de schim van de rozenknop
    die je gisteren op het bal ontroerde

    je plukte me waar je me bepareld vond
    met zilveren tranen nog besproeid
    en op het feest van sterren doorgloeid
    wandelde je met mij de hele avond rond

    jou, de oorzaak van mijn dood
    en zonder dat je me kan verjagen
    komt elke nacht mijn schim rozerood
    aan het hoofdeinde van je bed nog plagen

    wees maar niet bevreesd, het is
    geen mis die ik vraag noch de profundis
    mijn ziel is een licht parfum 
    en het is uit de hemel dat ik kom

    een lot als het mijne dat afgunst gaf
    en voor een zo prachtig sneven
    zou menigeen het leven geven
    want op jouw boezem ligt mijn graf

    en op het albast waarop ik rust
    heeft een dichter met een kus
    geschreven: hier rust een roos
    die koningen benijden, mateloos.

    vertaling © Karel D’huyvetters 2007

     

     


    Categorie:muziek
    Tags:muziek
    23-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.IS en de ruines van Palmyra

    Er is dezer dagen veel te doen over IS. Nu zijn het echter niet de moordpartijen, die overigens gewoon doorgaan, al dan niet commercieel in beeld gezet voor de media en internet, maar de aanslagen op het cultureel erfgoed, in het bijzonder de dreigende verwoesting van de ruines van Palmyra.

    Nu ben ik sinds mijn prilste jeugd een groot bewonderaar van de klassieke oudheid. Ik studeerde ijverig en enthousiast Latijn en Grieks en was daar erg goed in, al zeg ik het zelf. Ik bewonderde de Grieks-Romeinse beeldhouwkunst en bouwkunst en wat ons rest van de schilderkunst. Aan het einde van de humaniora richtte de school een Rome-reis in voor onze klas, en dan gebeurde er iets merkwaardigs. Hoewel mijn ouders, die het echt niet breed hadden, me aanmoedigden om mee te gaan, en ik naar de universiteit zou gaan om er klassieke filologie te studeren, besliste ik spontaan om niet mee te gaan. Ik heb nooit goed geweten waarom, maar het was een sterk gevoel van afkeer dat me dreef. Meer dan tien jaar later kreeg ik de gelegenheid om deel te nemen aan een gelijksoortige schoolreis naar Griekenland voor de leerlingen van mijn echtgenote, en toen ben ik wel meegegaan. Het werd geen succes. Ik heb in mijn leven wel wat gereisd en de obligate bezoeken gebracht aan kerken, kathedralen, musea, concertzalen en openbare gebouwen, maar steeds was er iets dat me onbehaaglijk tegenstak.

    Nu ik oud ben, stel ik vast dat ik een hekel heb aan grote gebouwen. Het is enerzijds een fysieke weerstand die ik ervaar, maar anderzijds ook een diepgewortelde overtuiging dat grote gebouwen een menselijke vergissing zijn. Waarvoor dienen ze? Kerken en kathedralen zijn niet gebouwd voor mensen, maar om mensen te onderwerpen. Ook openbare gebouwen hebben die functie: ze bevestigen de machthebbers in hun positie en intimideren de burger tot gehoorzaamheid en gezagsgetrouw handelen. Musea en andere tentoonstellingsruimten zouden de kunst moeten verheerlijken, maar zijn meestal protserige schatkamers met onbetaalbare kunstwerken van niet zelden bedenkelijk allooi, waarop eenvoudige mensen een blik gegund wordt in dure en wegens de mediahype overbevolkte tentoonstellingen. Concertzalen zijn burchten waar het establishment en het geld zich etaleert, op het podium en in de zaal.

    Ik stel vast dat ik er niet meer kom. Het is niet meer voor mij, ik erger me alleen maar mateloos.

    En dat is ook mijn reactie bij de vernieling van de antieke kunst in het gebied dat door IS veroverd wordt. Het raakt me niet, stel ik vast. Men zou verwachten dat een kunstminnend en cultureel toch enigszins onderlegde persoon zoals ik zijn afgrijzen zou uitschreeuwen over zoveel barbarij, maar dat is niet het gevoel dat bij mij opkomt.

    Een zeer klein gedeelte van ons erfgoed, de kunst en de cultuur uit het verleden, is bewaard gebleven. Het overgrote deel ervan is verdwenen, in puin gevallen of verwoest. Dat is de werkelijkheid, dat is de normale gang van zaken. De overdreven aandacht die naar die schaarse overblijfselen gaat en de waarde ervan tot astronomische hoogten opdrijft, is in mijn ogen ongepast. Een schilderij van Van Gogh heeft een commerciële waarde van honderden miljoenen en ligt ergens in een kluis, terwijl de brave schilder het niet aan de straatstenen verkocht kreeg. Voor mij heeft het niet meer waarde dan het doek en de verf.

    Als men nu de zeldzame restanten van de Assyrische kunst aan diggelen slaat in musea en op archeologische sites, of ze verkoopt op de zwarte markt om de IS-strijders en hun wapens te betalen, dan maakt dat op mij niet de minste indruk, stel ik vast. Er gebeurt maar wat altijd al gebeurd is, en of een pronkstuk terechtkomt in een museum dat slechts enkele van de zeven miljard mensen bezoeken, maar dat stukken van mensen kost om in stand te houden, of vernietigd wordt, dat blijft mij eender, het is even verwerpelijk en dwaas. Voor mij hoeven de klassieke ruines van Palmyra niet vernietigd te worden, maar ze moeten ook niet mordicus blijven bestaan. Alles in stand houden wat we hebben is onmogelijk. Het oude moet steeds sneller plaats maken voor het nieuwe, we zijn bezige bijtjes, nietwaar.

    Als men morgen zou beslissen de honderden leegstaande kerken en kathedralen en de talloze cultuurpaleizen in ons land te slopen, ik zou er geen traan om laten. Men kan ze een andere, nuttige bestemming geven, maar meestal is dat vele malen duurder dan afbreken en iets bouwen dat echt nodig is. En misschien is er niet zoveel nodig als men denkt of wil doen geloven. In Rotselaar, waarvan Werchter een deelgemeente is, prijkt een hypermodern gemeentehuis; de zeldzame keren dat ik er binnenkom, huiver ik als ik de ijzige leegte op mij voel vallen. In immense kantoorlandschappen zitten hier en daar bedienden verdwaald, rari nantes in gurgite vasto. Alles is grijs en strak en kaal, en onmenselijk koud. Ik vermoed dat men dezelfde diensten zou kunnen aanbieden in een eenvoudige, gezellige huurwoning.

    Dat is wat ik bedoel. Wij hebben behoefte aan een omgeving op mensenmaat en die is niet monumentaal. In monumenten leeft men niet, men komt er kunstmatig bijeen in veel te groten getale. Ik herinner mij luidruchtige recepties in overvolle en akoestisch horribele zalen van openbare gebouwen: een verschrikking… Musea en concertzalen staan het grootste gedeelte van de tijd gewoon leeg, ze zijn slechts zelden echt in gebruik, en dan op een totaal onnatuurlijke manier. Ik bezocht ooit MoMA in New York en in een van de ruime bovenzalen vond ik een ‘tentoonstelling’ van arte povera, zeg maar: vuilnis (artistiek!) uitgestrooid op de dure vloer. In de hoek zat een suppoost in livrei zich een haalbare houding te zoeken op een duidelijk ongemakkelijke stoel. We keken elkaar aan, en onze woordeloze conversatie was er een van onnoemelijke droefheid om de wezenloze idiotie van de hele situatie. Hebben we echt niets anders te doen? Is dat het beste waartoe we in staat zijn? Is dat wat we bedoelen met een leefbare wereld?

    Ik keur de eventuele verwoesting van de klassieke ruines van Palmyra niet goed, integendeel, het is barbarij en schandelijk. Maar ik begin stilaan te begrijpen hoe het zo ver is kunnen komen. Sommige mensen hebben genoeg van de hypocrisie van onze samenleving en doen er eindelijk zelf iets aan, met mokerslagen, dynamiet, gesofistikeerd wapentuig of een ritueel mes. Verwerpelijk, absoluut verwerpelijk, maar het zat er wel aan te komen. Niet iedereen vindt dat we nu leven in de beste van alle mogelijke werelden, en wij zullen het geweten hebben.

    Wat staat ons nog te wachten? Waar en wanneer is het volgende Palmyra, het volgende Bardomuseum, de volgende Charlie Hebdo, het volgende Utøya, de volgende Killing Fields? Als het niet verandert, zal het allicht veel erger worden voor het ooit nog beter wordt.

    Geen illustraties vandaag.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:samenleving
    09-05-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Charles Vergeer, Overspoeld door de eindigheid. (recensie)

    Charles Vergeer, Overspoeld door de eindigheid. Inleiding tot de metafysica, Budel: Damon, 2015, 204 blz., € 15,90 (pb).

    Het is niet elke dag dat er een inleiding tot de metafysica verschijnt en al helemaal niet in het Nederlandse taalgebied en dan nog in het oorspronkelijk Nederlands. Dat was genoeg om mij tot lezen aan te zetten.

    Van bij de aanvang valt op dat het hier niet gaat om een strak gestructureerde en methodische uiteenzetting van wat metafysica nu eigenlijk is, hoe ze ontstaan en geëvolueerd is en wat de hedendaagse geldende opvattingen ter zake zijn. De teksten zijn de weergave van colleges die de auteur gegeven heeft voor een selecte groep van honours studenten en worden omschreven als oefeningen. Maar niet helemaal, want het interactieve karakter van die colleges kunnen in een boek niet tot hun recht komen, natuurlijk.

    Wat we aangeboden krijgen, blijkt een transcriptie te zijn van de mondelinge bijdrage van de docent, veeleer min dan meer aangepast aan het boekformaat. Men leze het boek dus het best als dusdanig: beeld je in dat je de auteur zijn teksten hoort debiteren in een auditorium of seminarielokaal. Hij benadert zijn onderwerp flanerend langs bekende en minder bekende paden, sprekend in een half poëtische, half filosofisch-technische badinerende spreekstijl waarvan sommige filosofen menen dat die van hen verwacht wordt door een belangstellend publiek. Wat niet moeilijk kan gezegd worden is de waarheid niet, lijkt het parool te zijn.

    Typisch zijn de Heideggeriaanse etymologieën en pseudo-etymologieën en woordsplitsingen die een ver-borg-en waar-heid moet-en ont-hullen. Het is allemaal zo vaak gedaan in de vorige eeuw, dat het meer dan een beetje oubollig aandoet dat in 2015 nog eens voorgeschoteld te krijgen.

    We krijgen dus veeleer flarden van uiteenzettingen dat een rustig betoog, met talrijke citaten in het Latijn, Grieks, Engels, Duits, Frans, soms vertaald (of hertaald, of erger) maar vaak ook niet, nog meer verre verwijzingen naar bekende en minder bekende auteurs uit de hele geschiedenis van het denken. De vele herhalingen die in een voordracht nog enig nut kunnen hebben, verliezen in een boek hun zin en worden als slordigheden ervaren die men is vergeten weg te werken bij de revisie.

    Men kan zich echter afvragen of er van enige revisie wel sprake is geweest. Slordig is ook het taalgebruik, met talloze gevallen van de haar-ziekte (‘Het Griekse woord logos werd in haar Latijnse vorm opgenomen…’, blz. 37; ‘Het heelal spat niet uiteen maar dijt uit en behoudt haar samenhang.’, blz. 57), vreemde vormen van geslachtsverwisseling (‘De tijd gaat niet teloor in het verleden, noch verliest ze zich in de toekomst, ze behoudt haar samenhang…’, ibid.; ‘… een boom het kan verdragen dat ze haar wortels verlaat…‘ (blz. 64); ‘… en dat al gerijpte en volgroeide, volwassene en voltooide haar duur kende waarna haar tijd gekomen was en ze weer ten onder ging.’, blz. 64), een Angelsaksisch naast elkaar plaatsen van woorden (‘promotie plechtigheid’, blz. 59; ‘twee werelden leer’, blz. 63; ‘een chrono fobische jongeling‘, blz. 95), foute vervoegingen (‘het ontbreek’ blz. 31), feitelijke onjuistheden (‘acht miljard mensen’, blz. 36; ‘… in de duisternis van ons bloed bijvoorbeeld, zijn miljoenen bacteriën’, blz. 89); warrige beeldspraak (‘Er moet ruimte blijven voor andere wegen naar Rome.’, blz. 68); historische miskleunen (‘Descartes… wilde aansluiting zoeken bij de moderne natuurwetenschappen zoals die vooral door Newton belichaamd werden’, blz. 77; toen Descartes stierf, was Newton zeven jaar oud), onterechte meervouden (‘De gemaakte serie opmerkingen … roepen veel vragen op’, blz. 87) enzovoort, enzovoort.

    Een geval apart zijn de Latijnse citaten en verwijzingen. Alle grammaticale fouten daarvan opsommen, zou meer dan een volle bladzijde in beslag nemen. De meest schrijnende zijn het herhaalde ens creata en het hilarische Homer sacer (blz. 86, waarschijnlijk geïnspireerd door de metafysicus Simpson met die naam). Indien iemand dit boek nagelezen heeft, kende die geen Latijn.

    Met het Grieks gaat het niet beter. Enerzijds heeft de auteur kritiek op de vertaling van (naast anderen) Paul Claes van een Herakleitos-citaat (blz. 78), maar dan gaat hij doodleuk verder en plagieert Claes’ verklaring van zijn vertaling voor het opbouwen van zijn eigen verklaring van het begrip fusis. Het toppunt bereiken we met een volgend citaat van Herakleitos, dat de auteur vertaalt als ‘Lijken zijn betere uitwerpselen dan mest’. Nu hoef je geen Grieks te kennen om meteen in te zien dat dit zelfs voor Herakleitos al te cryptisch is. Wat er staat is natuurlijk dat lijken betere mest zijn dan uitwerpselen. Even verder staat een net zo klungelige vertaling van fragment B20, die zelfs als kopje dient voor het hoofdstuk (‘Opdat de dood niet uitsterft’, terwijl het Grieks zegt ‘… en laten ze kinderen na om te sterven’. En op blz. 105 moet ook Euripides eraan geloven: het bekende citaat ‘O goden! Goddelijk is het je vrienden te herkennen!’ wordt onbegrijpelijk vertaald als ‘het is God als de geliefde bekend wordt’. Blijkbaar kent iemand ook geen Grieks.

    Of Italiaans, want ook die citaten gaan de mist in (tra il finestre, blz. 115). Enkel het Duits lijkt meestal te kloppen.

    Al dat fraais maakt het lezen een frustrerende, ja ergerlijke bezigheid. Het mag een wonder heten dat iemand nog de moed opbrengt om zich in de inhoud te verdiepen. Maar ware heldenmoed is vereist om zich daaraan te wagen. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat de auteur zoals het orakel van Delphi door geestesverruimende of postprandiale wasems in een soort trance is gebracht en ons van daaruit eindeloos overspoelt met onsamenhangend geleuter van een verregaande apodictische arrogantie, gelardeerd met filosofisch jargon, citaten, verwijzingen, boutades, bon mots en vage vluchten van de fantasie. Wie na een pijnlijke worsteling met de eindeloze bladzijden eindelijk met een zucht van verlichting het boek dichtklapt (indien dat al niet veel eerder gebeurd is, wat meer waarschijnlijk is), weet voorwaar niets meer over metafysica dan aan het begin van deze lijdensweg.

    Boeken als dit bezorgen de filosofie haar slechte reputatie. Maar, lieve lezers en lezeressen, vergis je niet: dit boek is geen filosofie, maar een parodie daarvan. Lees dus maar liever het Wikipedia-artikel of ga een flinke wandeling maken. Om bij het citaat van Herakleitos te blijven: dit boek, het ‘lijk’ van de colleges waarmee deze docent zijn studenten teisterde, is helaas geen betere mest dan uitwerpselen, maar slechtere.


    Categorie:ex libris
    Tags:filosofie
    23-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Over baby olifantjes, vermoorde wilde dieren, pandavoyeurisme en huisdieren
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Er is in de dierentuin een olifantje geboren en die gebeurtenis kreeg haar plaats tussen het overige wereldnieuws in de media. Iedereen lijkt zo’n baby olifantje schattig te vinden en wanneer het straks te bezichtigen is, zullen duizenden mensen zich staan te verdringen om er toch maar een blik van op te vangen. Ik heb daarbij, als tegendraadse denker, veeleer wrange gevoelens.

    Vooreerst is die geboorte een totaal kunstmatige zaak. De vader en de moeder leven in gevangenschap en overleven slechts met intense verzorging. Dat geldt nog veel meer voor de baby: zonder menselijke tussenkomst zou die het niet overleven. Een uitgebreide groep van verzorgers en gespecialiseerde dierenartsen is de klok rond bezig om de geboorte te doen slagen en de boreling in leven te houden. En dat terwijl in Afrika olifanten koelbloedig uitgemoord worden omwille van hun ivoor. En in hetzelfde dierenpark wordt een ander, gezond dier omgebracht en aan de roofdieren in hun kooien gevoederd. Kan het nog gekker?

    Het is duidelijk dat dierentuinen commerciële instellingen zijn die populaire diersoorten kunstmatig in leven houden en daarmee handig inspelen op de nieuwsgierigheid van mensen die niet weten wat te doen met hun vrije tijd.

    Ik kan tijdens een zeldzaam bezoek aan een dierenpark mijn afschuw en mijn tranen nauwelijks bedwingen. Deze dieren horen thuis in de natuur, niet in gevangenschap. Ik kan geen enkele goede reden bedenken waarom wij wilde dieren hier zouden mogen opsluiten. Met welk recht? Stilaan begint er een kentering te komen in de mentaliteit van de mensen en zelfs in de wetgeving. Wilde dieren in circussen mogen niet meer en de regels voor dierenparken zijn erg streng geworden. Maar we moeten nog een grote stap verder en wilde dieren laten waar ze thuishoren. Er zijn genoeg uitstekende natuurdocumentaires die ons alles over zelfs de meest zeldzame dieren tonen, veel beter en veel natuurlijker dan wij dat in een zoo kunnen zien.

    Ik zal dus ook niet gaan kijken naar het pandakoppel dat sinds enige tijd in een Waalse stad opgesloten zit en blootgesteld wordt aan het trieste menselijke voyeurisme. Die stad verbeurt daarmee overigens meteen de eretitel van (tijdelijke) culturele hoofdstad van Europa (die ze trouwens enkel te danken hebben aan het feit dat de plaatselijke burgemeester ook eerste minister was van dit vreemde landje).

    Sinds oktober van vorig jaar hebben wij een huisdier, Tobit of Toby, onze Beagle. Met vallen en opstaan heb ik geleerd met hem om te gaan als een levend wezen zoals ik er ook een ben. Wij zijn verschillend, maar dat zijn verschillen in gradatie, niet in essentie. Ik voel me verantwoordelijk voor hem, maar ik besef stilaan dat ik hem al de vrijheid moet laten die hij van nature heeft. Dat is niet altijd gemakkelijk, zijn wensen komen niet altijd overeen met de onze en vaak moeten wij ons aanpassen aan hem veeleer dan omgekeerd. De grenzen ontdekken van ons samenleven met een huisdier is een fascinerende belevenis die ons leven verrijkt, elke dag opnieuw.

     


    Categorie:poŰzie
    22-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.50+ en zonder job

    Frank Van Laeken, Als het werk stopt. 50+ en zonder job, Antwerpen/Utrecht: Houtekiet, 215 blz., € 19,99 (pb).

    Ik ben zelf 69, ik schrijf op Seniorennet, dus werd me gevraagd dit boek te bespreken en ik heb maar toegezegd. We lijken er immers niet onderuit te kunnen: enerzijds moeten we met zijn allen langer werken, anderzijds blijken ouderen het steeds moeilijker te hebben om werk te houden en nieuw werk te vinden. Er is dus een aanzienlijke en groeiende groep van mensen die zouden moeten werken maar dat niet doen. Dat is een maatschappelijk probleem, want die mensen moeten ook leven en als ze niet werken, zal iemand hen moeten onderhouden. En als er niet genoeg werkende mensen zijn, is er geen geld genoeg om voor iedereen een sociaal vangnet te voorzien.

    Dat is het probleem en daarover gaat dit boek. Het vertrekt van de situatie van de auteur, die zoals veel anderen op relatief rijpere leeftijd in de werkloosheid terechtkwam. Hij heeft dan de kans gekregen om net daarover een boek te schrijven en heeft zo van een nood een deugd gemaakt. Enerzijds heeft hij een aantal collega-werklozen geïnterviewd over hun ervaringen, anderzijds is hij te rade gegaan bij zowat iedereen die rechtstreeks of onrechtstreeks iets met deze problematiek te maken heeft: politici, vakbondsleiders, werkgeversorganisaties, tewerkstellingsbureaus, arbeidsbemiddelaars, diensten voor arbeidsbemiddeling en de diensten die de werklozensteun toekennen, enzovoort. Er wordt dus opvallend veel geciteerd in dit boek, wat niet verwonderlijk is als men leert dat de auteur ook copywriter is geweest. En daar wringt toch een beetje het schoentje. Zeker, de auteur is persoonlijk betrokken bij al wat hij schrijft, maar hij komt niet echt tot een ernstige analyse van de toestand, zelfs niet in een hoofdstuk met een overdaad aan statistische gegevens, en uiteindelijk biedt hij al evenmin een doordachte oplossing aan in een afsluitend hoofdstuk. Hij laat voortdurend het woord aan zijn talrijke gesprekspartners en dat levert een veelkleurig mozaïek op van opinies en ideeën, maar er verschijnt langzamerhand noch finaal een patroon dat die diversiteit tot een zinvol geheel maakt. Daarvoor zijn de meningen al te zeer verdeeld en de ervaringen al te anekdotisch in hun nochtans schrijnende realiteit.

    Naar het einde van het boek toe lijkt de auteur zich te scharen achter de ideeën van enkele personen die zoals hij van de nood een deugd hebben gemaakt. De ene heeft een bedrijfje opgericht om oudere werklozen aan werk te helpen, de andere heeft een boek geschreven dat deze mensen moet helpen om werk te vinden. Daarmee plaatst de auteur zich uiteindelijk in dat kader en dat is een beetje jammer, want het probleem is reëel en zijn methode is niet onverdienstelijk, en zijn kwaliteiten als copywriter blijken op elke bladzijde. Men kan zich echter niet van de indruk ontdoen dat we hier veeleer te maken hebben met randfenomenen van een uiterst belangrijk maatschappelijk probleem dan met de kern van de zaak en met oplossingen die meer zijn dan verkoperpraatjes. Of iemand werk vindt of niet zal immers niet in de eerste plaats afhangen van hoe men zich verkoopt (zoals in het boek herhaaldelijk gesuggereerd wordt), maar vooral van de vraag of er werk is en of men dat werk wil doen voor het aangeboden loon en de specifieke omstandigheden.

    Het lijstje van de geïnterviewden en van de geraadpleegde documenten is lang. De instanties die maatregelen bedenken om iets aan het probleem te doen zijn legio. Maar de talrijke en diverse genomen maatregelen blijken nauwelijks effect te hebben en niet zelden werken ze elkaar zelfs tegen. De meeste geïnterviewden lijken het nochtans evident te vinden en te verwachten dat de oplossing komt van dergelijke maatregelen, die de tewerkstelling van ouderen moeten aanmoedigen met allerlei fiscale voordelen of nieuwe vormen van arbeidsorganisatie. Zij geloven stuk voor stuk in de maakbaarheid van de economische en maatschappelijke wereld en vooral ook in hun eigen ideologieën en ideeën om die ideale wereld tot stand te brengen of althans de huidige wereld te redden van de ondergang. Maar ook hier kunnen wij ons niet ontdoen van de indruk dat deze mensen van de nood een deugd maken: zij blijken allemaal, zonder enige uitzondering, te leven van hun betrokkenheid bij het probleem, zij het als hoogleraar toegepaste economie, als hoofd van een federale of gemeenschapsoverheidsdienst, als directeur van een plaatsingsbureau, als vakbondsleider enzovoort. Er wordt enorm veel gepraat over dit probleem, er zijn talloze goedbetaalde praatjesmakers, maar dat blijkt het probleem helaas helemaal niet op te lossen.

    Na het lezen van dit boek heeft men een vrij goed zicht op de situatie van de oudere werkloze in Vlaanderen en van de meningen daarover bij de vele betrokkenen en ook van de maatregelen die men daarvoor heeft genomen of heeft nagelaten te nemen. Maar de werkelijke oorzaak van het fenomeen ontsnapt aan deze benadering. De verhalen van de werklozen die we hier vinden laten ons niet toe een algemene regel te formuleren voor hun ontslag, noch voor de redenen waarom zij niet meer aan de bak komen en ook de geleerde analyses van de professoren helpen ons daarbij niet echt. Waarom wordt een oudere werknemer ontslagen? De auteur en zijn gesprekspartners putten zich uit om de vele vooroordelen over deze groep te ontkrachten, maar hoe beter ze daarin slagen, hoe minder men begrijpt waarom die groep desondanks toch zo groot is. Zijn het dan allemaal slechts vooroordelen van werkgevers, personeelsdiensten, headhunters en HR-diensten? Misschien wel, al ontkennen ook zij dat in alle toonaarden.

    Misschien is het met werknemers wel zoals met een bril. Zelfs als er met je oude niets aan de hand is, wil je af en toe wel eens een nieuwe.

    Maar laten we ernstig blijven. Misschien hebben we te weinig oog voor een fundamenteel intermenselijk gegeven, namelijk het generatieconflict, de moeilijkheid die mensen van verschillende leeftijden hebben om met elkaar samen te werken. De oorzaken van die weerstand zijn complex, maar ze volgen wel de lijnen van de leeftijd en dus mogen we aannemen dat die problemen leeftijdsgebonden zijn. Wie voor die diepmenselijke ingesteldheid geen oog heeft, ziet het probleem niet. En wie denkt dat het slechts om een oppervlakkig vooroordeel gaat dat men (zoals in het boek) zomaar kan wegwerken door ‘een Van Goghske te doen’, namelijk het ‘oor’ weg te snijden zodat een voor-oor-deel een voordeel wordt, die is ofwel al te utopisch of, vrees ik, een praatjesmaker.

     


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    15-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The Soul Fallacy, Julien Musolino (recensie)

    Julien Musolino, The Soul Fallacy. What science shows we gain from letting go of our soul beliefs, New York: Prometheus Books, 2015, 287 pp., € 17,64 (pb, Amazon Fr).

    In de lagere school al vond ik dat het woord ziel nergens op sloeg. Het was onzin, een verzinsel van de pastoors. Er werd enkel over de ziel gesproken in een religieuze context, nergens anders. En dus was het iets religieus en nergens anders bruikbaar.

    In de middelbare school moesten we eens een opstel maken dat op een of andere manier met de ziel te maken had. Ik wist er geen raad mee en vroeg iedereen die ik tegenkwam of ze wisten wat de ziel was. Verbijstering en verstomming alom. En dat was dat. Ik heb me nooit meer druk gemaakt om het woord of het begrip ziel, tenzij ik me ergerde aan de onzin die men erover vertelde.

    Ik schreef hier al eerder over de ziel, volg deze link: http://blog.seniorennet.be/kareldhuyvetters/archief.php?ID=169845.

    Recentelijk vond ik dit boek van Musolino en besloot het toch maar te kopen en te lezen. Ik heb het me niet beklaagd. Het is vlot geschreven, in een onderhoudende, toegankelijke stijl. De auteur rekent af met alle mogelijke en onmogelijke opvattingen over de ziel en komt al heel snel tot het besluit dat het niet alleen een nutteloos begrip is, maar zelfs een schadelijk idee. Hij gaat herhaaldelijk en uitvoerig in op enkele recente Amerikaanse christelijke verdedigers van de ziel en de onsterfelijkheid en toont accuraat en afdoende de onhoudbaarheid van hun opvattingen aan. Hij benadrukt tevens wat de nadelige gevolgen zijn van het verdedigen van het bestaan van de ziel.

    Waarschijnlijk komt er geen Nederlandse vertaling. Het is een typisch Amerikaans boek, gericht op de heersende mentaliteit in de Verenigde Staten, waar het religieus gevoel nog sterk aanwezig is bij gewone mensen en in de algemene cultuur, ongetwijfeld onder invloed van de talloze religieuze organisaties en sekten. De auteur verbaast zich daarover overigens herhaaldelijk wanneer hij de vergelijking maakt met West-Europa, en gelijk heeft ie.

    Een aanrader dus, maar wie zal het lezen? Wie al overtuigd is dat denken in religieuze termen als de ziel, het hiernamaals, God, zinloos is, zal er een markante bevestiging vinden van zijn ideeën. Wie daar nog niet aan toe is, zal ongetwijfeld afgeschrikt worden door de mokerslagen die de auteur laat neerkomen op religieuze ideeën en de ziel in het bijzonder. Toch hoop ik met de auteur dat door voortdurend te herhalen dat religieus denken niet alleen onwetenschappelijk is en ook nutteloos en zinloos, maar dat we echt beter af zijn als mens en als maatschappij wanneer we dergelijke gedachten zoveel mogelijk achter ons laten, we stilaan evolueren naar een betere samenleving.

    Recente statistieken lijken echter aan te geven dat hoewel ongeloof en atheïsme (het verschil is me niet duidelijk) toenemen in het Westen, de godsdiensten nog lang niet uitgeteld zijn en in de komende decennia wellicht zelfs aan belang zullen winnen. Voor die prognose gaat men uit van het feit dat vandaag veel jongeren aangeven in (vage) religieuze termen te denken. Laten we maar hopen dat ze op rijpere leeftijd vanzelf tot andere gedachten zullen komen, wanneer blijkt dat ze met hun religieuze ideeën zo goed als niets kunnen aanvangen en dat die echt wel onverenigbaar zijn met hun eigen andere, praktische en rationele opvattingen over het leven en het samenleven.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, athe´sme
    13-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.De kerk en haar gelovigen

    Ik heb hier nog niet veel goeds verteld over de godsdienst in het algemeen, noch over het christendom of de islam in het bijzonder, en daar zijn goede redenen voor, meen ik. Ik heb me daarbij steeds gekeerd tegen de godsdienst als organisatie en als ideologie, en dus vooral tegen degenen die daarvoor verantwoordelijk zijn. Misschien is het nu wel eens nodig om mijn houding te verduidelijken tegenover de gelovigen.

    Mijn ouders waren devote mensen, mijn Moeder zelfs op het bigotte af. Maar het waren ook door en door brave en eerlijke mensen, die geen vlieg kwaad zouden doen. Ik heb echter nooit gedacht dat hun gelovigheid aan de basis lag van hun goedheid. Dat lag veeleer in hun karakter. Ik zag hun vroomheid integendeel als een vreemde emotionele afwijking, een spijtig gebrek en een intellectueel falen. Ik was en blijf ervan overtuigd dat zij ook goede mensen zouden geweest zijn zonder hun vroomheid, zonder hun godsdienst. Want hun godsdienstigheid ging niet diep: ze uitte zich vooral in de rituelen en gebruiken en in het toebehoren tot de christelijke zuil van de samenleving. Wat wisten zij van de theologie, van de dogma’s, van de kern van het geloof? Zo goed als niets. Mijn Moeder geloofde vast in het hiernamaals, maar enkel als de plaats waar ze haar geliefden zou terugzien: haar vroeg gestorven dochter, haar man die ze verloor toen hij eindelijk gepensioneerd was. En ze zou wachten op ons, haar andere kinderen, en haar kleinkinderen. Het was het geloof van een eenvoudige vrouw. Wat kan daarmee verkeerd zijn?

    Wel, toch een en ander. Ze had ook een sterk zondebesef, zoals toen gebruikelijk was, en vanuit dat besef beoordeelde ze de anderen. Wie zich schuldig maakte aan inbreuken op de kerkelijke wetten kon niet rekenen op Gods barmhartigheid, maar op zijn bestraffende rechtvaardigheid. Er waren dus in haar ogen, zoals in de ogen van de kerk, goede en slechte mensen, en je kon maar beter niet bij de slechten horen, want voor hen was in haar wereld geen plaats. Dat betekende dat iedereen die niet kerkelijk was om die reden meteen ook intrinsiek slecht was en moest gemeden worden. Naastenliefde beperkte zich tot de mensen van goede wil, en die vond je alleen in de kerk. Dat is de akelige keerzijde van een ongenuanceerd geloof, zoals het aan eenvoudige mensen uitgelegd werd.

    Ik haast me het voorbeeld van mijn Moeder te verlaten, omdat het mijn Moeder was en ik haar liefgehad heb, op mijn manier, dat wil zeggen onvolmaakt en met de nodige conflicten en de onnodige pijn en het zinloos verdriet dat we elkaar berokkend hebben. Ze was een gelovige, maar ze was in de eerste plaats mijn Moeder.

    Ik kom dus terug bij de gelovigen in het algemeen. Er zijn zeker talloze gelovige mensen geweest die zich voorbeeldig gedragen hebben in hun leven en die zijn er ongetwijfeld nog. Ze vinden in hun geloof aanknopingspunten bij hun diepste gevoelens en laten zich allicht zelfs inspireren door de hogere waarden die zij daar aantreffen, inzonderheid het gebod van de naastenliefde. En in de gemeenschappelijke beoefening van liturgische rituelen en folkloristische gebruiken vinden zij een bevestiging van hun overtuigingen. Het zijn vaak waarlijk onschuldige mensen met een warm hart voor hun medemens en een grote mate aan eenvoudige bescheidenheid. Ze hebben meestal lak aan hoge woorden en klinkende verklaringen en leiden een onopvallend leven, gekenmerkt door welwillendheid, dienstbaarheid en zelfverloochening. Het is niet moeilijk om van dergelijke mensen te houden, ook niet als ze gelovig en zelfs devoot zijn.

    Dergelijke mensen vinden we echter overal, in alle godsdiensten en evident ook buiten de godsdiensten. En binnen die godsdiensten vinden we ook heel andere mensen, die helemaal niet zo braaf zijn. Vandaar mijn conclusie dat de godsdienst zo goed als niets te maken heeft met de morele kwaliteiten of gebreken van mensen. Men is het resultaat van zijn voorgeschiedenis, zowel genetisch als cultureel en maatschappelijk en naarmate de godsdienst daarin een rol speelt, heeft die ook gevolgen voor de persoonlijkheid van elke mens. De godsdienst is niet uitsluitend of hoofdzakelijk bepalend voor wie men is. Dat was vroeger niet zo en vandaag is dat hier bij ons nog veel minder het geval.

    Mijn houding tegenover de godsdienst is dus dubbel: ik ben tegen de godsdienst, maar niet tegen de gelovigen, ook niet als ze hun geloof oprecht en openlijk belijden. Die beide kanten van mijn houding wil ik echter meteen nuanceren. Dat gelovigen hun geloof openlijk belijden is het minste dat men van hen mag verwachten; als ze dat niet doen, zijn het niet echt gelovigen. Het hangt er echter vanzelfsprekend van af hoe ze dat doen en daar wringt vaak het schoentje. Het kan gaan om kleine onverdraagzaamheden, maar ook om schrijnende onrechtvaardigheden en zelfs verwerpelijke misdaden die zij begaan in naam of onder het mom van hun godsdienst. En dat kunnen en mogen wij niet tolereren. Aan de andere kant ben ik wel principieel tegen elke godsdienst, maar ik erken moeiteloos dat ook de georganiseerde godsdiensten goede dingen hebben gedaan en nog steeds doen.

    Het is dus een complexe zaak, zoals meestal het geval is. Iedereen zal voor zichzelf de afweging moeten maken tussen het goede dat een godsdienst tot stand kan brengen en de kwalijke middelen die daarvoor blijkbaar nodig zijn en de misbruiken die even blijkbaar onvermijdelijk zijn. Ik heb voor mezelf uitgemaakt dat de mensheid beter af is zonder godsdiensten en dat uit zich af en toe in extreme uitspraken, zoals mijn suggestie om niet alleen het Vaticaan maar ook de vele kathedralen en kerken meteen te dynamiteren. Sommigen verwijzen mij omwille van die uitspraak naar de rangen van IS en de Taliban en dat komt hard aan, maar ik besef dat de gelijkenis treffend is. Wat is inderdaad het verschil?

    Vooreerst beperk ik mij nadrukkelijk tot de veeleer retorische suggestie en hoed ik me vanzelfsprekend voor het ten uitvoer brengen van een dergelijke misdaad of het aanzetten daartoe. In de praktijk klaag ik de zware verkwisting aan van belastingsgeld voor het onderhoud en de restauratie van nutteloze en protserige gebouwen. Daarnaast betreft mijn suggestie enkel religieuze gebouwen en kunstschatten en is ze niet gericht op de gelovige mensen en zelfs niet op de leiders van godsdiensten, tenzij die zich schuldig maken aan misdaden tegen de mensheid, en daarvoor ontbreekt het helaas niet helemaal aan valabele argumenten.

    Dierbare gelovige, ik ben het niet eens met jouw godsdienst en ik vind dat je je vergist en dat je het slachtoffer bent van mensen die misbruik maken van jouw vertrouwen en je goedgelovigheid. Ik zal niet nalaten daarop te blijven wijzen, maar desondanks erken ik jouw recht om er anders over te denken, en om jouw geloof passend te belijden zolang dat niet strijdig is met de universele rechten van de mens en de democratische wetten van de maatschappij.

    Onder die omstandigheden valt er best wel samen te leven, vind ik.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:maatschappij
    08-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.(g)een filosofie van de stilte (recensie Jan Hendrik Bakker)

    Jan-Hendrik Bakker, In stilte. Een filosofie van de afzondering, Amsterdam/Antwerpen: Atlas Contact, 2015, 238 blz., € 21,98 (pb).

    De auteur vertrekt van een nauwelijks verholen ongenoegen met onze huidige consumptiemaatschappij en de zinloosheid van het bestaan van de moderne mens. Hij contrasteert dat lawaaierige maar hol klinkende leven met een leven van volheid in stilte en afzondering. Wat dat in de praktijk kan zijn, probeert hij te weten te komen door te rade te gaan bij wat hij ‘afzonderlingen’ noemt: personen die zich tijdelijk of permanent uit de wereld hebben teruggetrokken, op zoek naar stilte, volheid en zin in hun leven.

    Hij bekijkt achtereenvolgens de vroegchristelijke heremieten, Thoreau’s Walden, het dandyisme, Kierkegaard, Nietzsche, Thomas Merton en ten slotte de Unabomber Kaczynski. Dat biedt ruimschoots de gelegenheid tot een beschrijving van althans deze vormen van afzondering in stilte en voor de overpeinzingen die bij de auteur daarbij voor de geest komen. Hij laat zich daarbij vooral leiden door zijn vrij negatieve analyse van de huidige wereld. Al spoedig komt hij daardoor in een dilemma terecht: enerzijds kan hij niet anders dan vaststellen dat de moderne mens de facto op de anderen is aangewezen voor zijn overleven, zowel materieel als psychisch; anderzijds is dat samenleven volgens hem problematisch geworden door de omvang en de vormen die de samenleving heeft aangenomen. Ondanks enkele schuchtere pogingen slaagt de auteur er o.i. niet in om dat vermeende dilemma zinvol op te lossen.

    Het valt daarbij op dat zijn kritiek op de moderne maatschappij gekenmerkt wordt door een zekere nostalgie naar een vaag utopisch verleden, alsof het werkelijk zo zou zijn dat het vroeger veel beter was, dat men in vroegere tijden echt in gemeenschap leefde en dat het leven in nauw contact met de ongerepte natuur onbekommerd en zinvol was. Wie ooit Barbara Tuchmans De waanzinnige 14de eeuw las, is voorgoed van die romantische illusie verlost. Men kan veel kritiek uiten op onze moderne wereld, maar nog nooit hebben zoveel mensen het zo goed gehad. En wie vandaag toch wil wegvluchten uit de wereld heeft daartoe volop de gelegenheid op talloze manieren; ook dat is nog nooit zo gemakkelijk geweest.

    Bij zijn voorstelling van de personen die hij als voorbeeld heeft gekozen, laat de auteur zich vaak verleiden tot vrij uitvoerige beschrijvingen van hun leven en desgevallend hun geschriften. Dat is meestal niet eens oninteressant, maar het heeft niet altijd rechtstreeks te maken met het thema van de afzondering of met een doordachte filosofie van de stilte. Dat Nietzsche de laatste jaren van zijn leven in diepe waanzin heeft doorgebracht, maakt van hem geen voorbeeld van een bewuste ‘afzonderling’; en als men in elke auteur die zich teruggetrokken heeft om een boek te (proberen) schrijven een zoekende naar stilte, inkeer en zinvolheid moet zien, dan zijn de voorbeelden legio. Het is niet omdat men geen gasten ontvangt, zoals Kierkegaard, of in een trappistenklooster verblijft zoals Merton, dat men een eenzaat is. Thoreau’s was een zeer tijdelijke en op zijn minst ambivalente afzondering. Die van de dandy’s was hooguit symbolisch.

    Bakker schrijft op een badinerende manier. Hij vermengt de ideeën van zijn voorbeelden met zijn eigen reacties daarop in een moeiteloos voortkabbelende woordenstroom. Het ontbreekt hem daarbij niet zelden aan een degelijke methodische aanpak van zijn onderwerp: wat bedoelt hij precies met afzondering, stilte, zinvol leven? Wij komen het niet te weten, of toch niet expliciet, en de impliciete boodschap reikt niet veel verder dan zijn vaag en onvoldoende verantwoord ongenoegen met onze moderne wereld. Tot een ernstige filosofie van de afzondering komt hij dan ook niet, zelfs niet in het afsluitend hoofdstuk onder die titel. Daarvoor heeft hij zich al te zeer opgesloten in zijn wazige en loze maatschappijkritiek: ‘De laatste halve eeuw is de verhouding tussen individu en gemeenschap volkomen uit balans geraakt.’ (blz. 205) Is dat zo? Was die verhouding vijftig jaar geleden dan wel in balans? Dat heb ik althans in die woelige jaren 1960 niet zo ervaren. En de eerste helft van de twintigste eeuw kan men toch nauwelijks als een zeer evenwichtige tijd beschouwen… ‘In het verarmende (maar nog steeds zeer rijke) Westen wordt de verzorgingsstaat in hoog tempo afgebroken, de individualisering van de arbeid heeft iedere volwassene verantwoordelijk gemaakt voor zijn eigen inkomen terwijl de vooruitzichten op werkgelegenheid, met volwaardige banen, steeds minder worden.’ ‘ Europa verkeert bovendien al sinds 2009 (sic) in een ernstige financiële crisis die niet opgelost lijkt te kunnen worden.’ (blz. 206). Enzovoort. En de oplossing voor dat doemscenario? ‘Het enige wat ons kan redden is de persoonlijke overtuiging dat het aardse leven zinvol is en daarom gered dient te worden.’ Daarmee moeten we het doen als ‘filosofie van de afzondering’.

    Bakker verdedigt een bevreemdende vorm van individualisme als alternatief voor de onmenselijke massa. Hij ziet zelfs in de moordzuchtige misantroop Ted Kaczynski elementen die kunnen bijdragen tot onze redding. Daar houdt het voor de weldenkende mens dan wel op.

    Wij mensen hebben nu en dan nood aan afzondering en stilte, zoveel is zeker. Er is daartoe volop gelegenheid, ook in de natuur, meer dan ooit tevoren mogelijk was. Wij gaan stilaan inzien dat de zin van ons bestaan niet van buitenaf aangereikt of opgelegd wordt, maar dat wij zelf zin moeten en kunnen geven aan ons leven, wat ook onze situatie is. En onze situatie is onontkoombaar die van vandaag: wij leven met meer dan zeven miljard mensen samen in een hoogtechnologische snel veranderende beschaving. Er is geen weg terug, nostalgie is misplaatst en nutteloos. We hebben het nog nooit zo goed gehad en nog nooit zoveel middelen ter beschikking gehad om het nog beter te maken. Zelfs onrealistische dagdromers die verlangen naar een utopische afzondering in de stilte van de natuur kunnen gerust hun gang gaan op een of ander onbewoond eiland of een woonboot op de Friese wateren. Als lectuur kan ik echter niet dit boek aanbevelen; ik denk veeleer aan de Ethica van Spinoza, genoeg om een leven zinvol mee te vullen, zoals hijzelf ook gedaan heeft.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:maatschappij
    07-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Slavoj Zizek, Eis het onmogelijke (recensie)

    Slavoj Zizek, Eis het onmogelijke, Editie Leesmagazijn, 2015, 170 blz., vertaald door Menno Grootveld, € 14,95 (pb).

    Dit boekje heeft een originele vorm. Het is het resultaat van een interview dat een Zuid-Koreaans team bij Zizek thuis van hem afnam. Het zijn vierendertig heel spontane antwoorden op vragen die hem werden voorgelegd. Dat geeft een directe charme aan het boekje en het draagt niet weinig bij tot zijn leesbaarheid. Anderzijds missen de korte uiteenzettingen van de geïnterviewde af en toe de ruimte en de omvang die noodzakelijk is voor een goed begrip en de nodige diepgang. Maar over het algemeen slaagt ┤iŞek er voorbeeldig in om heel concies de grond van de zaak accuraat weer te geven.

    Al heel snel wordt duidelijk dat de vragen die hem voorgelegd worden vooral van politieke aard zijn, of moeten we zeggen staatkundig? Het gaat meestal niet zozeer over politiek partijen maar over ideologieën, hoewel die twee vanzelfsprekend sterk verweven zijn. Zizek is een linkse denker, maar anders dan Sartre en andere fellow travelers spaart hij zijn kritiek niet op linkse regimes die zwaar in de fout gegaan zijn vanuit humanitair standpunt.

    Wat sterk opvalt door de talrijke korte hoofdstukken heen is niet alleen het linkse jargon – dat af en toe zo gespecialiseerd is dat de vraag pas duidelijk wordt na het lezen van het antwoord – maar ook het linkse denkpatroon. Men gaat steeds uit van een analyse van de wereld zoals hij is en stelt daarbij vast dat er ongelijke verdeling is van de rijkdom en de macht. Vervolgens gaat men op zoek naar de methode om daaraan te verhelpen, op een vrij theoretische manier. Dan rijst natuurlijk de vraag naar de middelen om de verandering in de praktijk door te voeren. Dat kan gebeuren door het verwerven van voldoende politieke macht om het eigen politieke programma te kunnen doorvoeren. Dat kan als men voldoende mensen kan overtuigen om voor dat programma te stemmen bij vrije verkiezingen. Een andere mogelijkheid is het op gang brengen van een volksbeweging op grond van slogans en propaganda. En het kan ook door de macht met geweld te grijpen in een coup of door een revolutie. Enkel de eerste mogelijkheid is democratisch, maar het is zelden op die manier dat linkse regimes aan de macht gekomen zijn. Het linkse denken lijkt onvermijdelijk te ontstaan bij een uiterst kleine kern van linkse denkers die totaal onmachtig zijn om binnen het systeem ook maar iets te veranderen. En dus is men genoodzaakt om het systeem met een of andere vorm van geweld te veranderen; datzelfde geweld blijkt dan ook nodig te zijn om het nieuwe systeem in stand te houden. Dat is precies wat men heeft kunnen vaststellen in de twintigste eeuw met de talrijke revoluties en dictatoriale regimes.

    Is er dan een alternatief? Dat is een van de vragen die voortdurend opduikt in dit interview. Is het denkbaar dat de massa voldoende nadenkt over haar eigen lot zodat er een echte volksbeweging tot stand komt, dus van onderuit en niet op gang gebracht door een militante ideologische kern? Af en toe zijn er opflakkeringen in die zin. Zizek besteedt veel aandacht aan de Arabische lente, aan de antiglobalisten en de ­occupy bewegingen. Op dit ogenblik, amper enkele jaren later, moeten we helaas vaststellen dat daarvan nog nauwelijks iets overblijft in de praktijk en dat de nieuwe situatie zo mogelijk nog erger is dan tevoren.

    De linkse ideologie lijkt steeds uit te gaan van het principe dat een bewuste elite van geëngageerde filosofen altijd het voortouw moet nemen. Men gaat ervan uit dat zij niet alleen weten wat er verkeerd is in de maatschappij, maar ook hoe het er dan wel aan toe moet gaan. De geschiedenis heeft bewezen dat de eerste premisse in de meeste gevallen juist was: men verzette zich tegen toestanden die inderdaad wraakroepend waren. Maar diezelfde geschiedenis heeft pijnlijk aangetoond dat het verzet zich niet alleen voortdurend vergist heeft in de middelen om de verandering door te voeren (de gewelddadige revolutie), maar ook in het inzicht in de heilsstaat die men tot stand wou brengen en in de middelen om dat te realiseren.

    Het is modieus om te kankeren over de kapitalistische neoliberale consumptiemaatschappij. Het is ook duidelijk dat die niet volmaakt is. Het is echter zeer de vraag of er iemand is in die maatschappij die ernstig overweegt om terug te gaan naar de gruwelijke toestanden die de linkse dictaturen veroorzaakt hebben in grote gebieden van de wereld. De verlokking van de onnoemelijk veel hogere levensstandaard van de verguisde consumptiemaatschappij blijkt voor de meeste mensen voldoende om zoveel mogelijk veeleer dat ideaal na te streven. De uitwassen neemt men erbij.

    Zizek blijkt zich zeer goed bewust te zijn van deze problematiek en waarschuwt zijn ondervragers herhaaldelijk dat men bij elke maatschappijkritiek de lessen van de geschiedenis niet uit het oog mag verliezen. Hij lijkt de voorkeur te geven aan een vreedzame evolutie en aan de democratische politiek, ook al maalt die molen traagzaam en is het resultaat verre van volmaakt. Maar toch spoort hij ons aan om ons daarmee niet tevreden te stellen. Vandaar wellicht de titel van dit boek: we moeten het onmogelijke eisen, dat wil zeggen een rechtvaardige wereld die democratisch en geweldloos tot stand komt. Er is nog werk aan de winkel.

    Ondanks de ongewone vorm is dit toch een heel leesbaar boek. Dat is vooral te danken aan de scherpe intelligentie en de grote historische en filosofische kennis Zizek. De vlotte Nederlandse vertaling doet vergeten dat het om een vertaling gaat van een gesprek waarbij wellicht niemand zich in zijn moedertaal kon uitdrukken.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:maatschappij
    06-04-2015
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Recensie: Nick Broers, Achter Darwins horizon. Een religie voor athe´sten.

    Nick Broers, Achter Darwins horizon. Een religie voor atheïsten, Budel: Damon, 2015, € 24,90 (paperback).

    Bij tijd en wijle duikt er weer een boek op dat aankondigt dat er nog hoop is voor atheïsten: ook zij kunnen nog aan religie doen. Dat is paradoxaal genoeg om de aandacht te trekken. Men verwacht immers niet dat atheïsten van nature geneigd zullen zijn om religieus te zijn in de vertrouwde betekenis van dat woord als een synoniem voor godsdienstig. Anderzijds zijn er bepaalde aspecten van de bestaande godsdiensten of van ‘religiositeit’ die ook atheïsten aanspreken, al was het maar het samenhorigheidsgevoel en de behoefte om de eigen opvattingen te delen met anderen en ze uit te dragen in de wereld. Er leeft dus bij menig atheïst een onbestemd verlangen naar zoiets als godsdienst, maar dan zonder God en zijn dienst.

    De auteur van ‘Achter Darwins horizon. Een religie voor atheïsten’ wekt dan ook hoge verwachtingen. Nick Broers is, zo lezen we op de achterflap, ‘methodoloog en statisticus. Hij werkt als wetenschappelijk onderzoeker en statistiekdocent aan de Universiteit Maastricht.’ En dan volgt een merkwaardige toevoeging: ‘Het boek is op persoonlijke titel geschreven.’ Dat klinkt als een waarschuwing en een disclaimer. Hij schrijft het dus niet als methodoloog &c., noch als universiteitsdocent, zo moet men wel concluderen. Waarom dan toch die kwalificaties vermelden?

    Bij lezing blijkt dat dit slechts een eerste aanduiding is van een diepgewortelde maar listig verborgen dubbelzinnigheid die het hele boek doorspekt. Ogenschijnlijk is het een niet onaardige, zij het weinig originele presentatie van de problematiek van de toenemende seculariteit in een wereld waarin de wetenschap een steeds grotere rol gaat spelen. Maar dat is slechts oogverblinding, zoals blijkt bij nader toezien. Dan stellen we vast dat de vele bladzijden, zowat 99% van het boek, weliswaar gewijd zijn aan de voorstelling van de wetenschappelijke vooruitgang en het aftakelen van de irrationaliteit, maar dat de auteur daarmee slechts een verborgen agenda dient. Op een bijzonder listige wijze en met uiterste precisie brengt hij in dat ogenschijnlijk objectief verhaal bijna ongemerkt minieme nuances aan, die hem in staat stellen om in enkele zinnen en passages de indruk te geven dat er geen enkele onverzoenlijkheid bestaat tussen de wetenschap zoals hij die heeft beschreven en zijn persoonlijk standpunt.

    Wat is dat persoonlijk standpunt dan? Ook hier is hij verstandig (en leep) genoeg om dat niet expliciet te vermelden. Hij beweert alleen de ruimte te willen creëren, of te suggereren, waarin het weer mogelijk wordt de ‘grote vraag’ te stellen. Dat kan dan echter niets anders zijn dan de vraag naar de zin van het leven en naar datgene wat de wetenschap overschrijdt. En dat is, dat kan men toch maar moeilijk ontkennen, de vraag naar God.

    Om die ruimte mogelijk te maken, moet de auteur o.i. de wetenschap ‘enigszins’ geweld aandoen. Hij doet dat echter niet als een beeldenstormer, maar met de slimme sluwheid en de zalvende zoetgevooisdheid van een slinkse Saruman. Herhaaldelijk zaait hij onschuldig en redelijk lijkende twijfels, binnen zijn voorstelling van de wetenschap en zogezegd op louter wetenschappelijke en algemeen aanvaarde en bewezen gronden, over bijvoorbeeld de evolutieleer en de kwantummechanica, die hem later moeten toelaten daaruit conclusies te trekken over wat de wetenschap overschrijdt. Maar telkens haast hij zich daarbij uitdrukkelijk te vermelden dat hij dan niet meer als wetenschapper spreekt, zodat men hem niet kan verwijten dat hij wetenschappelijke onwaarheden vertelt.

    Het is een zeer subtiel spel dat Broers briljant speelt. Het is pas naar het einde van het boek toe dat de aap uit de mouw komt en dan nog op een quasi argeloze, omzeggens verontschuldigende manier. De wetenschap blijft helemaal intact, of toch bijna, en wat er achter Darwins horizon schuilt, vernemen we niet, maar dat er iets moet zijn, dat lijkt wel onvermijdelijk, nietwaar.

    De auteur meent dat de wetenschap perfect kan samengaan met een houding waarbij men slechts twee onschuldige ogende bijkomende aannames postuleert, die echter door de wetenschap niet uitgesloten worden. Het gaat dan om ‘niet-lokale samenhang’ en ‘convergentie’. Wat moeten we daaronder verstaan? Blijkbaar dat er een niet-causaal verband bestaat tussen bepaalde dingen en dat die samenhang leidt tot specifieke gevolgen. De eerste claim ontleent hij aan het onzekerheidsprincipe van de kwantummechanica, het tweede aan zijn kritiek op de evolutietheorie. Hoewel slechts weinigen het zullen aandurven te stellen dat zij de kwantummechanica begrijpen, is het toch duidelijk dat Broers in zijn boek daarvan een hoogst bedenkelijke voorstelling geeft, die allicht door geen enkele geleerde zal onderschreven worden. Bovendien maakt hij een totaal ongeoorloofde gedachtesprong van het subatomaire niveau van de kwanta naar de wereld van de voorwerpen en de levende wezens; niemand heeft ooit kunnen aantonen dat een dergelijke enorme uitbreiding zelfs maar denkbaar is, laat staan dat men ze heeft kunnen vaststellen.

    De tweede claim berust op een verdachtmaking van de evolutieleer en een ondergraven van het basisprincipe van de natuurlijke selectie. Enkel op die manier kan hij komen tot zijn opvatting over het betekenisvol toeval. Hij bedoelt daarmee niet dat het toeval een betekenis kan hebben voor een individu of een groep, maar dat sommige toevalligheden betekenisvol zijn, dat ze bedoeld zijn. Met andere woorden, dat ze niet toevallig zijn. Nu zal iedereen het er wel mee eens zijn dat de evolutie niet absoluut toevallig is en dat er wel degelijk sprake is van een zekere convergentie. Wanneer men, of de natuur, met bepaalde elementen experimenteert, zijn er slechts bepaalde gevolgen die zich kunnen voordoen. De gedachte dat op elk ogenblik om het even wat kan gebeuren is zo idioot dat het zonder meer ondenkbaar is dat een wetenschapper ze zou opperen. De vaststelling dat bijvoorbeeld de mens is ontstaan uit de elementen die resulteerden uit de oerknal is dan ook geen bewijs van een absoluut toeval, noch van een bedoelde convergentie of teleologie.

    Wat moeten we met een boek als dit?

    In de eerste plaats: voorzichtig zijn. Het grootste deel van het boek is een zonder meer bona fide voorstelling van de wetenschap. Er schuilen echter addertjes onder het gras en daarvoor moet men beducht zijn. De subtiele, niet agressieve manier waarop Broers bijna onmerkbaar zijn sluipende twijfel zaait, is verraderlijk. Het lijkt allemaal zo vanzelfsprekend en het komt zo overtuigend over, zeker in de overweldigende correct voorgestelde wetenschappelijke context. Is de twijfel niet het begin van de wijsheid? En vinden we die twijfel niet overal in de wetenschap? De lezer moet dus al sterk in zijn schoenen staan om halverwege een drastische drogreden halt te houden en te zeggen: wacht eens even, is dat wel zo?

    Een onbelangrijk detail illustreert dat duidelijk. Broers vermeldt Cees Dekker als een van de voorstanders van Intelligent Design. Ik vond dat verdacht en keek het even na op Wikipedia en daaruit blijkt dat hij zich al jaren geleden openlijk tegen ID heeft uitgesproken. Dit is slechts een voorbeeld van de manier waarop Broers de waarheid wel geweld moet aandoen om zijn doel te bereiken en dat doel is, ondanks de wetenschappelijke inkleding, niets anders dan het ontkennen van de fundamentele principes van de wetenschap.

    Het is jammer dat we tot die strenge conclusie moeten komen. Het is immers voor velen duidelijk geworden dat er bij de steeds groeiende groep van mensen die diep overtuigd zijn van de wetenschappelijke methode, toch een verwachting leeft naar vormen van beleving van hun overtuiging, al dan niet gezamenlijk en al dan niet georganiseerd. Er zijn al dergelijke initiatieven in verscheidene landen, maar ze zijn divers en meestal marginaal en missen daardoor slagkracht in de maatschappij. Het is altijd al moeilijk geweest, en het zal wellicht steeds moeilijk blijven om individualisten te verenigen. Dat is een zware hypotheek op de levensvatbaarheid van een religie voor atheïsten.

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:levensbeschouwing


    Foto

    Inhoud blog
  • muziek en dans
  • IS en de ruines van Palmyra
  • Charles Vergeer, Overspoeld door de eindigheid. (recensie)
  • Over baby olifantjes, vermoorde wilde dieren, pandavoyeurisme en huisdieren
  • 50+ en zonder job
  • The Soul Fallacy, Julien Musolino (recensie)
  • De kerk en haar gelovigen
  • (g)een filosofie van de stilte (recensie Jan Hendrik Bakker)
  • Slavoj Zizek, Eis het onmogelijke (recensie)
  • Recensie: Nick Broers, Achter Darwins horizon. Een religie voor athe´sten.
  • Me dunkt...
  • Niemand kan twee heren dienen, nogmaals.
  • bindi, FGM en andere gebruiken
  • Seksualiteit
  • Oost west, thuis best?
  • Recensie: Het voordeel van de twijfel, Tim De Mey.
  • Gedichtendag 2015: Toby
  • Buridans ezel?
  • Spinoza over de Islam
  • Piet Spigt (1919-1990), Nederlands humanist en vrijdenker (recensie)
  • besparen op cultuur?
  • Gelukkig 2015!
  • Imagine...
  • Een zomer met Montaigne (recensie)
  • Dode materie en levende.
  • 300.000 bezoekers
  • Nicholas Carr, De glazen kooi (recensie)
  • Vrijheid en technologie
  • Vrijheid
  • Staken en betogen, of werken?
  • Es geht auch anders...
  • De twijfel van de athe´st
  • Tom Kroon, De morele intu´tie van kinderen
  • Flamenco!
  • Julian Baggini, De deugden van de tafel
  • Edward O. Wilson, The Meaning of HUman Existence
  • Vrijdenken
  • onze hoog-technologische samenleving
  • Tobit
  • De volmaakte priester bestaat niet.
  • La perfection n'est pas de ce monde.
  • Toby
  • Geloof of wetenschap?
  • Besparingen, nogmaals.
  • Besparen op cultuur?
  • Niemand kan twee heren dienen.
  • John Stuart Mill
  • Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome
  • Odette?
  • Onverzoenbaarheid
  • The windmills of your mind
  • Nogmaals: fatalisme en menselijke vrijheid
  • Aarschot, augustus 1914-2014
  • Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914
  • Yezedi's?
  • Een waanzinnige logica: de Hannibal Directive
  • ongewenst seksueel gedrag
  • Gaza: de grond van de zaak
  • Johan Braeckman, Darwins moordbekentenis
  • Vrijheid en determinisme
  • De blinde telescoop
  • Herakleitos, Alles stroomt (vert. Paul Claes)
  • Antisemitisme?
  • O'Hanlons Helden
  • Polarisatie in Vlaanderen
  • Voetbalgekte
  • Na de verkiezingen
  • Mestkevers?
  • Een eerbaar Vlaams nationalisme
  • Vlaams nationalist, ik?
  • Voor een democratisch Vlaanderen
  • Julian Barnes, The Sense of an Ending
  • Recensie: Ludo Abicht, DemocratieŰn sterven liggend.
  • Recensie: Paul Frentrop, Het jaar 1759.
  • Edward Elgar, Sea Pictures
  • De zoon van de priester
  • Verrijzenis
  • Adel
  • Mijn Spinoza-vertaling
  • Gij zult niet doden...
  • Seksualiteit: idealen en normen
  • The Oxford Handbook of Atheism
  • Hoe we overleven - Mark Rickerby
  • karabiner, musketon, volant en ruflettelint
  • Gedichtendag 2014
  • Antiklerikaal
  • verhitte internetdiscussie
  • Het kruis en de gekruisigde.
  • De seculiere samenleving - Patrick Loobuyck
  • Kweddelen!
  • Euthanasie in BelgiŰ
  • for whom the Bell tolls: exit Didier Bellens
  • De Zevende van Beethoven
  • God bewijzen - Stefan Paas en Rik Peels
  • De Verlichting als kraamkamer, Jabik Veenbaas
  • Recensie: De naakte perenboom. Op reis met Spinoza, Rudi Rotthier
  • In memoriam Luc Verbeke (1924-2013)
  • Gods dobbelstenen
  • Afwezig?
  • Rode kazuifels
  • Socialisme of sociaal-democratie?
  • Late Night Thoughts - Lewis Thomas
  • vrije universiteiten
  • slaagcijfers aan de universiteit
  • Islam, Nazisme en verdraagzaamheid
  • Mes tendres annÚes
  • Caveat emptor!
  • De botten van Descartes - Russell Shorto
  • The Ends of Life - Keith Thomas
  • Goed en kwaad
  • Rebellen - Anne Morelli (red.)
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein
  • Topprestaties, onbehagen en liefde
  • Marius Engelbrecht, De onttovering van de waanzin
  • Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
  • meikever
  • Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
  • Pascal Smet of Pieter Wispelwey?
  • Herbetovering van de wereld - Michael L÷wy
  • de utopie van Martin Buber
  • Radicale secularisatie?
  • Economisch nationalisme - Olivier Boehme
  • Kerk en staat
  • bij een overlijden: Macbeth
  • Jacques Brel
  • Goudhaantje
  • ik en de anderen
  • het ruimere perspectief
  • haptonomie, hapschaar
  • Desiderata - Max Ehrmann
  • Crisis
  • Onze waarden? Of toch niet...
  • Democratie in BelgiŰ en in Vlaanderen
  • De eenden zijn terug!
  • Grootschaligheid
  • Sjostakovitsj' Lady Macbeth
  • carnaval
  • Liegen - Sam Harris
  • Verbeter je brein - Reinhoud de Jong
  • Gedichtendag 2013
  • De hulpelozen van de macht - Jean-Pierre Rondas
  • binaire klok
  • Aforisme
  • Sneeuw
  • standvogel
  • Spelen
  • het Belgisch koningshuis
  • keuzes maken
  • De avonden
  • In den beginne...
  • Zwart Vlaanderen volgens Lode Wils en Eric Defoort
  • Barbaren!
  • Spijt
  • God is niets omdat hij alles is (C. Verhoeven)
  • de niet zo schijnbare paradox
  • forum
  • Bevrijd van de dwang van de media
  • Het opgeheven vingertje
  • media-asiel
  • Een links complot?
  • seks
  • Is er dan een probleem?
  • Morgen gaan we stemmen!
  • Kwaad
  • Lees- en gespreksdag in Werchter
  • Vrijheid van mening
  • Dank je wel, Mr. Darwin!
  • het relatieve belang van de islam
  • Dichtbundel David Verstreken
  • N-VA racistisch?
  • N-VA extreemrechts?
  • Ian Robertson, Het winnaareffect
  • sanitaire stop
  • Champions League
  • Getuigen van Jehova
  • Het grote misverstand, nog steeds en alweer
  • blog writer's block
  • Olympisch goud
  • Levende wezens, dode materie
  • Onrust
  • Olympische spelen
  • de kogel is door de kerk, of net niet?
  • De goden. Cicero, De natura deorum
  • Voltaire, Satires, Les SystŔmes
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Ode aan Spinoza
  • koppiekoppie!
  • Uriel da Costa: bibliografie
  • Uriel da Costa's Testament in Nederlandse vertaling
  • Uriel da Costa, Een mensenleven als voorbeeld
  • Geluk in ruimer perspectief
  • pareidolia
  • Fluisterend athe´sme
  • elk muntstuk heeft twee kanten
  • Goethe's Harzreise im Winter - Brahms' Alt-rapsodie
  • De receptie van Spinoza
  • Spinoza's Korte Verhandeling eenmaal, andermaal
  • nogmaals: 300.000
  • de begrafenis van God: Herman Philipse over godsdienstfilosofie
  • 300.000


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!