NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Over mijzelf
Ik ben Karel D'huyvetters
Ik ben een man en woon in Werchter (Vlaams-Brabant, BelgiŽ) en mijn beroep is gepensioneerd universiteitsambtenaar.
Ik ben geboren op 16/01/1946 en ben nu dus 68 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: cultuur, literatuur, muziek, klokken, astronomie en tijdrekening, etymologie, koken, talen, levensopvatting, typografie en drukkunst, poŽzie, kruiden, boeken, internet.
Mijn blog is mijn hobby, mijn uitlaatklep, mijn blik op de wereld, mijn intellectuele uitdaging, mijn contact met de buitenwereld. Ik hoop dat mijn lezers er ook iets aan hebben.
Categorieën
  • etymologie (69)
  • ex libris (32)
  • God of geen god? (126)
  • historisch (27)
  • kunst (2)
  • levensbeschouwing (169)
  • literatuur (23)
  • muziek (62)
  • natuur (5)
  • poŽzie (63)
  • samenleving (174)
  • spreekwoorden (10)
  • tijd (10)
  • wetenschap (44)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • de blog van Lut
  • Jacques' verdichtsels
  • Edge
  • The Secular Web
  • Vladimir Nabokov
  • Investigating Atheism
  • tweedehandse boeken
    Archief per maand
  • 09-2014
  • 08-2014
  • 07-2014
  • 06-2014
  • 05-2014
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geÔnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieŽn bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    14-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.John Stuart Mill

    John Stuart Mill: het is een van die namen die je bij gelegenheid tegenkomt, maar waar je niet blijft bij stilstaan. In de geschiedenis van de filosofie wordt nauwelijks aandacht aan hem besteed. Toch noemt men hem wel eens ‘de meest invloedrijke Engelstalige filosoof van de 19de eeuw’.

    John Stuart was de oudste zoon van de Schotse filosoof, econoom en historicus James Mill; hij werd geboren in Londen, in 1806 en werd door zijn vader streng opgevoed als een soort van wonderkind. Vanaf zijn derde levensjaar kreeg hij les in Grieks en begon hij de Griekse klassieken te lezen, vooral historische werken. Hij las ook uitvoerig Engelse historische werken. Hij kreeg eveneens een stevige opleiding in de natuurwetenschappen. Toen hij acht jaar oud was, leerde hij Latijn en maakte zich vertrouwd met de klassieke auteurs in die taal. Hij fungeerde als schoolmeester voor de andere kinderen, en in zijn vrije tijd las hij naast wetenschappelijke werken ook populaire klassiekers, zoals Cervantes en Defoe’s Robinson Crusoe. Zijn vader leerde hem ook poëzie te schrijven.

    Vanaf zijn twaalfde ging hij gemeenzaam om met vooraanstaande geleerden in verschillende disciplines. Met zijn vader bestudeerde hij economisch-politieke kwesties, terwijl hij zijn eigen aandacht vooral richtte op de logica: hoe kunnen we weten dat een uitspraak waar is?

    Toen hij veertien was verbleef hij een jaar in Frankrijk, volgde er lessen aan de universiteit en ontmoette verscheidene geleerden, schrijvers en politici.

    Al dat intense werk op jeugdige leeftijd leidde tot wat wij nu een burn-out noemen, of een depressie. Hij herstelde langzaam, en hernam zijn intellectuele bezigheden, onder meer een correspondentie met Auguste Comte.

    Mill was een religieuze non-conformist en in feite een atheïst en was als zodanig niet welkom aan de grote universiteiten, Oxford en Cambridge. Hij begon te werken voor de East India Company zoals zijn vader, en liep colleges aan University College in Londen, een seculiere instelling en tot op vandaag een van de meest prestigieuze universiteiten ter wereld.

    In 1851 trouwde hij met zijn vriendin en zielsverwante Harriet Taylor. Ze kenden elkaar al meer dan twintig jaar, maar zij was gehuwd, en pas na de dood van haar echtgenoot bezegelden zij hun liefde. Zij had een grote invloed op hem en op zijn werk, maar stierf reeds in 1858.

    John Stuart Mill was rector van de University of Saint-Andrews van 1865 tot 1868; in die jaren was hij ook lid van het Britse parlement, waar hij aanleunde bij de Liberalen. Hij was de eerste om het stemrecht voor vrouwen te bepleiten, en bekritiseerde de onderdrukking van Ierland door de Britten. Hij was een krachtig sociaal hervormer en voorstander van een meer democratisch stemrecht.

    John Stuart Mill overleed in 1873 in Avignon, waar hij begraven werd naast zijn echtgenote.

    Het zou ons te ver leiden indien we dieper zouden ingaan op zijn talrijke werken, zoals A System of Logic (1843), On Liberty (1858) en Utilitarianism (1863). Men leze daarover de degelijke artikelen bij Wikipedia.

    Mijn aandacht werd recentelijk getrokken op zijn essay On Nature, dat in New York verscheen in de bundel Three Essays on Religion (1874). Ik las dat essay in een ruk uit op internet: https://www.marxists.org/reference/archive/mill-john-stuart/1874/nature.htm en was zo gecharmeerd door taal, stijl en inhoud van dit werk dat ik meteen besloot het te vertalen in het Nederlands, aangezien er geen Nederlandse vertaling voorhanden blijkt te zijn. Om verschillende redenen heb ik besloten die vertaling niet online te plaatsen, maar wie erin geïnteresseerd is, kan me een mailtje sturen en dan bezorg ik de tekst graag (en gratis) in pdf- of Word-formaat.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    06-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome

    De brief van bisschop Bonny van Antwerpen krijgt media-aandacht, en dat verdient die ook. Het gebeurt immers niet elke dag dat een bisschop zich met een open brief richt tot de gelovigen, maar toch in de eerste plaats tot het centrale kerkelijk gezag, en dat gezag daarbij behoorlijk de mantel uitveegt.

    Bij een aandachtige lezing blijkt echter dat de kritiek van de bisschop en van de talrijke adviseurs die ongetwijfeld zo al niet de pen hebben vastgehouden, dan toch zijn hand in ruime mate gestuurd hebben, selectief is, en dat hij zich er angstvallig voor behoedt te raken aan de kern van het christelijk geloof. Daardoor ondergraaft hij echter de grondvesten zijn eigen betoog.

    Ik verklaar me nader.

    In de brief wordt een regelrechte aanval ingezet op het centrale gezag van de kerk: de paus, de curie, invloedrijke theologische adviseurs. Men verwijt hen eenzijdigheid en machtswellust, en dat is vanzelfsprekend volkomen terecht. Dat hebben christenen in alle tijden al aangeklaagd, en dat heeft bijvoorbeeld geleid tot de Reformatie. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat deze bisschop en zijn adviseurs zich in aanzienlijke mate hebben laten inspireren door die beweging; de kerk die zij voorstaan, lijkt sterk op wat in protestantse middens gemeengoed is, behalve dat men daar nog verder gaat bij het decentraliseren en zelfs de bisschoppelijke autonomie, waarvoor deze brief een krachtig pleidooi is, als een onnodige en onaanvaardbare betutteling beschouwt.

    Bonny verwijt de kerk dat ze te weinig oog heeft voor haar eigen verleden, en voor de afwijkende meningen die er zijn. Daarmee richt hij zijn pijlen op slechts één van de peilers van het geloof. Het christendom, laat ons dat toch maar nooit uit het oog verliezen, is een openbaringsgodsdienst. Dat wil zeggen dat er een God is die zich openbaart aan de mens. Die openbaring gebeurt op verschillende manieren. Het is begonnen met het eigen volk van God, Israël, en daarover worden we geïnformeerd in wat wij nu het Oude Testament noemen. De volheid van die openbaring is er echter gekomen met Jezus, de Messias, de Christus, en daarover worden we geïnformeerd door het Nieuwe Testament. Vervolgens is er de werking van de Heilige Geest, die de mensen verlicht. En ten slotte is er de kerk, die waakt over de getrouwe interpretatie van het Woord van God. De kritiek van Bonny richt zich uitsluitend op die laatste steunpilaar van het geloof, de meest wankele, aangezien hij mensenwerk is, zoals de bisschop uitvoerig aantoont, en dus in staat tot vergissingen.

    Wanneer men echter kritiek heeft op iemand of op een instelling, moet men die kritiek funderen, moet men zijn gelijk aantonen en bewijzen. Men strijdt als het ware met gelijke wapens: de bisschop van Rome heeft geen andere aanspraken op gelijk of de waarheid dan die van Antwerpen. Dat is niet alleen in strijd met de leer van de kerk, die vasthoudt aan het gezag van de paus in zaken van geloof en zeden, zoals dat heet, en zelfs zijn onfeilbaarheid ter zake voorhoudt, maar het opent ook de deur voor meningsverschillen binnen de kerk over essentiële geloofszaken, en ook dat is strijdig met de leer van de kerk, de Una, Sancta, Catholica et Apostolica: zij is één, heilig en dezelfde over heel de wereld (kat’ holein tein gein) en berust op de ononderbroken traditie van de apostelen van Jezus van Nazareth. Herhaaldelijk pleit Bonny in zijn brief tegen deze laatste twee principes, en toont zich daarmee van zijn meest protestantse kant.

    Wanneer men dus de ideologische strijd aangaat met anderen binnen de kerk, moet men zijn argumenten staven, men moet zich ergens op beroepen. Bonny beroept zich op de sesus fidei van de gelovigen, en op de mening van andersdenkende gelovige gezagsdragers en theologen. Dat is volkomen terecht, al zal Rome dat zeker betwisten. Maar in feite beroept de auteur zich op niets anders dan de hogere vermogens van de mens, die in staat is om aan te voelen en na te denken en over deze gevoelens en deze gedachten met anderen in gesprek te treden. Dat is inderdaad de grondslag van het grootste gedeelte van deze lange brief. Maar Bonny weet als gelovige perfect dat hij daarmee alleen niet wegkomt: ik herhaal: het christendom is een openbaringsgodsdienst, en de waarheid is in die openbaring gelegen, niet in het brein van de mens.

    Vandaar dat de auteur op cruciale momenten steeds naar die openbaring verwijst: de Schrift, het Evangelie van Jezus Christus. Hij beseft echter tegelijkertijd dat hij dat enkel in algemene termen kan doen. De moderne exegese laat immers van de Schrift, het Evangelie en zelfs de figuur van Jezus en zijn apostelen niet veel heel. En dus moet hij wel zijn toevlucht nemen tot een ander ‘zeker’ openbaringsgegeven, en dat is dan de werking van de Heilige Geest, die in het hart van elke mens de goddelijke waarheid geplant heeft, met andere woorden: het geweten.

    Ook dat is allesbehalve nieuw en werd eveneens sterk beklemtoond in de Reformatie: de mens kan voortgaan op zijn geweten als op een rechtstreekse openbaring en inspiratie van God, en heeft dus geen behoefte aan bemiddeling door een kerk en bedienaars van de eredienst. Zover gaat deze katholieke bisschop echter niet in de zelfverloochening: hij ziet vanzelfsprekend een ruime taak weggelegd voor zichzelf en zijn priesters. Uiteindelijk beroept hij zich, wanneer hij de openbaring inroept, steeds bijna uitsluitend op dat (goed door de lokale kerk gevormd) geweten, en bijna nooit op de Schrift of het Evangelie zelf.

    Nu is dat geweten, dat door God aan elke mens gegeven is door de Heilige Geest, een even mysterieuze zaak als zijn onsterfelijke ziel, of als God, zijn Zoon en zijn Heilige Geest, de Heilige Drievuldigheid. Het is de kerk die dat geweten, net als de ziel, ‘ontdekt’ heeft en het bestaan ervan aanvoert. De wetenschap, ook de menswetenschappen, kennen dit begrip niet in die vorm, namelijk als een goddelijke gave, waarin God zich openbaart in zijn waarheid. Men gaat integendeel uit van een evolutionair mensbeeld, waarbij een bepaald dier geleidelijk aan ontwikkeld is, volgens Darwiniaanse principes, tot het over de hogere mentale mogelijkheden beschikte die wij nu kennen. Het is met die spontaan ontstane capaciteiten dat de mens zich over zijn bestaan bezint; er is daar dus geen sprake van enige goddelijke tussenkomst. Voor elke rustig nadenkende mens is het geweten een vreemd woord voor het feit dat wij in staat zijn om na te denken (in de ruimste zin van het woord) en ons handelen daarnaar te richten. In overleg met anderen, en gedragen door een beschaving, kunnen wij tot conclusies komen over het ontstaan van de wereld en van de dingen en van het leven, en over de manier waarop wij met die dingen en de andere levensvormen en met elkaar het best samenleven. Er is daarbij nog steeds geen sprake van God.

    Dat is de fundamentele kritiek die men op deze brief kan en moet formuleren, namelijk dat de grondslag voor elke redenering die erin voorkomt, onbestaande is, of fundamenteel verkeerd voorgesteld wordt. Bonny beroept zich op een God die er niet is, op een openbaring die er niet is, op een geweten dat er niet is, en zwijgt in alle talen over het evolutionair mensbeeld en de autonomie van de mens in zijn samenleven met de wereld die hem omringt. Hij blijft beweren dat er wel degelijk een goddelijke waarheid is, die wij moeten herkennen en erkennen, terwijl het enkel gaat om afspraken die wij als mensen met elkaar maken, zowel over hoe de dingen zijn, als over wat wij horen te doen en te laten.

    Deze brief is dus louter voor intern gebruik bestemd, ik schreef bijna: voor oraal gebruik… Hij kan een belangrijke bijdrage betekenen voor de interne organisatie van de kerk, maar zelfs daaraan durf ik te twijfelen: Bonny is geen Luther, en zijn brief geen stellingen die op de heilige deur van Sint-Pieters genageld wordt.

    Voor de overgrote meerderheid van de mensen die niet meer kerkelijk zijn of het nooit waren, heeft deze brief inderdaad geen enkel belang, geen enkele waarde. In die zin is het een jammerlijk gemiste kans, maar iets anders mocht men echt niet verwachten van deze overigens moedige man.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    05-09-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Odette?

    Jaren geleden was er een geniaal muzikaal quizprogramma op de BBC, dat ik enthousiast volgde: My Music, met Steve Race. Een van de vragen die de muzikale deelnemers op een keer voorgeschoteld kregen was: in welk muziekstuk komt de naam Odette voor? Verbazing alom. Waarop de quizmaster fijntjes de bekende aria uit de Messiah van Haendel intoneerde: Death, o Death, where is thy sting? Grave, where is thy victory? Hilariteit alom.

    De tekst is een citaat, zoals alle teksten van Haendels Messias, uit de Bijbel, namelijk de Eerste brief aan de Korintiërs, 15, 55. ‘Paulus’ heeft het in dat laatste deel van die brief over de dood en verrijzenis van de Christus, de kern van het geloof in de verrijzenis van de mens. Het citaat van Haendel uit de Eerste Korintiërsbrief is op zijn beurt, zoals talrijke andere teksten uit het Nieuwe Testament, een citaat uit de teksten van het Joodse volk, die later door het christendom, dat zelf begonnen is als een Joodse sekte, schaamteloos overgenomen zijn als het ‘christelijke’ Oude Testament, in dit geval uit Hosea, 13, 14.

    In deze bekende episteltekst, die ontelbare keren gedebiteerd wordt als de eerste lezing op christelijke begrafenissen, maakt ‘Paulus’ (en ik plaats zijn naam hier nadrukkelijk tussen aanhalingstekens, want er is geen enkel historisch bewijs dat de persoon aan wie dit alles wordt toegeschreven ooit bestaan heeft) zich sterk dat de dood niet het einde is, maar het begin van een nieuw leven. Vandaar het citaat: door de verrijzenis en het vooruitzicht op een nieuw, glorieus leven, verliest de dood haar angel, en wordt haar overwinning op het leven teniet gedaan.

    Dat de dood niet het einde is, is op zich een verbijsterende gedachte, die op mij nooit enige indruk heeft kunnen maken. Van in mijn prilste jeugd heb ik al snel ingezien dat het leven eindig is. Je kan er immers zelfs als kind niet naast kijken: al wat leeft, sterft: bloemen en planten, een huisdier en het vee, de insecten in huis die achteloos doodgemept worden, en ja, ook mensen, zoals je grootouders, buren, kennissen.

    Ook heel jonge kinderen worden geconfronteerd met de dood, en kunnen niet anders dan daaruit conclusies trekken. Het heeft, in mijn aanvoelen, niet veel zin om dat te verbloemen, zoals men vandaag de dag graag doet: een familielid dat gestorven is, wordt dan een sterretje aan de hemel, een versleten romantische cliché die we bijvoorbeeld in Mahlers Kindertotenlieder terugvinden, maar die een hedendaagse filosofe nog steeds geschikt acht. Waarom zoiets verzinnen en vooral: waarom kinderen dat opdringen? Het klinkt poëtisch, maar het is gewoon een onwaarheid die we gebruiken om de waarheid te verbergen, een waarheid die kinderen wel moeten inzien en die ze echt wel in staat zijn om te verwerken, en die hoe dan ook de voorkeur verdient boven elke goedbedoelde maar nefaste leugen, die men dan later moet rechtzetten.

    Ik heb altijd al beseft dat het leven een begin kent en een einde. Dat is de essentie van het leven. Ik heb nooit de indruk gehad dat het anders was, dat het anders kon zijn, en ik heb ook nooit verlangd dat het anders kon zijn: dat is immers een contradictie, een onmogelijkheid. Wellicht heeft dat een belangrijke rol gespeeld in mijn afwijzen, van in de kleuterklas, van elke vorm van geloofsindoctrinatie: mensen gaan wel dood, verrijzen niet, en van een leven na de dood is er geen enkele aanduiding. Ik was daarmee al als peuter verzoend; het was immers wat ik om me heen zag in de natuur. Ik voelde moeiteloos aan dat de mens deel uitmaakte van die natuur, en stelde vast dat wij op geen enkele manier aan die natuur konden ontsnappen, wat men daarover ook zei. Pasen, het feest van de Verrijzenis, was voor mij het feest van de lente, van het hernemen van het leven na de winterslaap en van het nieuwe leven uit het zaad van het oude, niet van een nieuw leven na de dood.

    De dood had dus niets afschuwwekkends voor mij, het was immers de normaalste zaak van de wereld. Ik bleef altijd vrij onbewogen wanneer ik met de dood werd geconfronteerd, omdat ik nu eenmaal aanvaard had dat het een normaal verschijnsel was, waaraan niet te ontsnappen viel. Zeker, het viel me soms zwaar, zeer zwaar om afscheid te nemen van een geliefde, maar dat leidde nooit tot verzet tegen het feit dat alle leven nu eenmaal moet sterven. De dood heeft voor mij nooit de gedachte, laat staan het verlangen, opgeroepen naar een leven na de dood, een tweede leven, of het eeuwige leven. Het is een idee dat mij volkomen vreemd is, en dat is zo gebleven, mijn leven lang, en ik stel vast dat mijn ideeën daarover niet veranderd zijn nu ik ouder word en de realiteit van mijn eigen overlijden steeds naderbij komt.

    Zeker, ik heb nog allerlei plannen en dromen en verwachtingen, en het zou me veel genoegen doen mochten er daarvan nog enige in vervulling gaan. Maar dat mijn resterende tijd elke dag korter wordt dan wat al voorbij is, vervult me niet met spijt, noch met irrationele verlangens om aan die essentiële conditie van mijn bestaan iets te veranderen. Voor mij zou het leven niet beter of aangenamer of zinvoller zijn indien er een tweede leven zou op volgen, of zelfs een eeuwig leven, onder welke vorm ook. Het leven is zoals het is, en daar heb ik geen moeite mee, integendeel. Het feit dat ik deel uitmaak van de natuur, en dat al de wetmatigheden van de natuur integraal op mij van toepassing zijn, verschaft me een diepgewortelde rust en aanvaarding, en maakt mijn leven, zoals alle leven, voor mij tot iets dat volmaakt zinvol is: het is zoals het hoort te zijn, met een aangrijpende geboorte als spectaculaire start, een precair en uitdagend bestaan vol mogelijkheden tot zelfontplooiing en samenwerking tot in onze diepste lichamelijke en mentale kern, en de onvermijdelijke neergang die erop volgt, met de zoete dood als bekroning, en niet als een mislukking. De curve van het leven is voor iedereen anders, een parabool die zelden in zijn geheel doorlopen wordt, maar die ten minste deze zekerheden heeft dat die begint en eindigt in het niet-bestaan. Zonder deze zekerheden zou het leven een volledig andere betekenis krijgen.

    En laat dat nu juist zijn wat het christendom voorhoudt: een leven dat niet eindigt bij de dood. De imaginaire consequenties van die inderdaad verbijsterende en absoluut onnatuurlijke veronderstelling over het leven hier op aarde zijn spectaculair, maar tevens totaal ongeloofwaardig. Dat wij in het hier en nu moeten leven volgens een bepaald patroon, ons aangereikt door God zelf via de bedienaars van zijn eredienst, om in het hiernamaals niet tijdelijk of zelfs in eeuwigheid onderworpen te worden aan de meest gruwelijke lichamelijke en mentale folteringen, is een dogma dat geen enkele gelovige mag betwijfelen: het is de kern van het christelijk geloof. De eeuwige zaligheid die de beloning is voor een leven volgens de kerkelijke voorschriften wordt dan, hoe kan het anders, veel belangrijker dan het leven hier op aarde, dat onvermijdelijk als minderwaardig wordt geacht.

    Die eeuwige zaligheid is, zo stelt die ‘Paulus’ in ‘zijn’ ‘brief’ aan de Korintiërs, niet van lichamelijk maar van geestelijke aard (1 Kor 15, 35-54). Er is dus een geestelijke component, die reeds in het aardse leven aanwezig is, en die totaal verschillend is van de lichamelijke. Dat simplistisch dualisme heeft het christendom ontleend aan de veel rijkere gedachten van Plato, waarvan het slechts een uiterst bedenkelijk en zelfs belachelijk afgietsel is, of om het met Plato zelf te zeggen, een vaag en vluchtig schaduwbeeld van de realiteit.

    De kern van het christelijk geloof, waarop zijn hele dogmatiek en zijn hele patsorale praktijk gebouwd is, bestaat dus uit drie louter fictieve elementen, die in geen enkele ernstige filosofische of praktische benadering van de mensheid of de natuur ook maar enigszins kunnen ter sprake komen: een persoonlijke almachtige en volmaakte God, Schepper van hemel en aarde; het bestaan van geestelijke wezens en van een geestelijke component in de mens; het persoonlijke voortbestaan van de mens na de fysieke dood.

    Dat is helemaal niet hoe mensen de natuur en hun eigen leven ervaren. Het is een mateloos vergezocht beeld voor een veel eenvoudiger realiteit, namelijk een natuur die haar eigen wetmatigheden heeft en waarbinnen ooit leven ontstaan is, dat voor zijn instandhouding aangewezen is op voortplanting en dat zich in de loop van miljarden jaren ontwikkeld heeft tot wat het vandaag is; de mens is een van die vele levensvormen, wellicht de hoogste op tal van gebieden, maar ook niet meer dan dat. Er is in de mens noch daarbuiten ook maar iets bovennatuurlijks (een contradictio in terminis zoals er nooit een geweest is).

    Ik houd intens van het leven zoals het is, en dus met inbegrip van al zijn essentiële ingrediënten, dus ook de dood. De gedachte aan een leven zonder de dood is absurd. En dus zeg ik met de Joodse Hosea, de even mythische Paulus en de zeer reële Haendel: de dood heeft voor mij haar angel verloren en haar overwinning op het leven; ze is de zoete dood die me wacht wanneer de persoon die ik ben niet meer in staat is om verder te leven, het ogenblik waarop het rijke bestaan dat ik gekend heb definitief ten einde komt, mijn lichaam afgebroken wordt in zijn samenstellende delen, en mijn brein eindelijk zijn nerveuze activiteit staakt, en de wereld om mij heen doorgaat, tot ook die misschien ooit ophoudt te bestaan.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    20-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Onverzoenbaarheid

    Op Facebook stond een bericht over een lezing die Susan Blackmore gehouden heeft in Oxford. Niet aan de universiteit aldaar, maar in het kader van een van de vele ‘zomercursussen’ die handige ondernemers organiseren in universiteitssteden en die vooral op (welgestelde) jongeren gericht zijn. Het is een vorm van jeugdtoerisme, en op zich niet oninteressant, maar het blijft hoofdzakelijk een commerciële onderneming. Als er enig intellectueel voordeel aan vastzit voor de deelnemers, is dat veeleer een neveneffect.

    Hoe dan ook, Susan Blackmore, een vigoureuze atheïste en de bekende auteur van The Meme Machine had een lezing voorbereid over dat thema, waarbij vanzelfsprekend ook de evolutietheorie ter sprake kwam. Ze illustreerde haar stellingen over het ontstaan, de verspreiding, de weerbaarheid en de kwetsbaarheid van memen onder meer aan de hand van hun werking in verscheidene godsdiensten. Toen ze op die manier de kwalijke propagandapraktijken en de irrationele indoctrinatie van concrete godsdiensten aantoonde, naast andere ook meer bepaald die van de Islam, stonden enkele jeugdige toehoorders op en verlieten ostentatief de zaal. Toen de spreker hen vroeg waarom, kreeg ze als antwoord: je beledigt ons, en wij hoeven dat niet te pikken. Naarmate ze verder ging met haar betoog, verlieten steeds meer jongeren de zaal, zodat het auditorium uiteindelijk half leeggelopen was. Na afloop werd ze opgewacht door een aantal boze jongeren die haar agressief te woord stonden.

    Ik was geschokt toen ik dit vernam. Ik was stilaan gaan denken dat wij hier in het Westen, en uitgerekend in Oxford, aan het begin van de 21ste eeuw zover waren gekomen dat de rol van de godsdienst niet meer primordiaal was. In mijn leefwereld komt godsdienst nog nauwelijks ter sprake. Zelfs in het machtige ‘katholiek’ onderwijs, van kleuterschool tot universiteit, is er amper sprake van God of godsdienst. Ik ken niemand, op een vriendelijke en verstandige getuige van Jehova na, die het onderwerp ooit ter sprake brengt. Wat men er ook over moge denken, men leeft alsof er geen God is, en men doet niet aan godsdienst. Statistieken tonen aan dat dit niet zomaar een indruk is: het aantal mensen dat zich niet-religieus noemt neemt sterk toe, het kerkbezoek in Vlaanderen is bijna volledig uitgestorven, en dat mag je letterlijk nemen.

    Het blijkt echter een vergissing te zijn te denken dat dit een wereldwijd verschijnsel is, en dat het geldt voor alle godsdiensten. Ik moet vaststellen dat alle godsdiensten fanatieke fundamentalistische strekkingen hebben, en dat die zeer strijdbaar zijn. Het is moeilijk, zoals dat altijd al het geval geweest is, om uit te maken hoe diep het geloof gaat van de aanhangers, maar misschien doet dat er ook niet toe: als iemand zich opstelt als een fervent aanhanger van een godsdienst, dan is dat zo, ook al herhaalt die persoon klakkeloos wat de godsdienst voorschrijft, en kan die daarvan zelf geen redelijke verantwoording geven. Ook in het verleden konden bijvoorbeeld de meeste christenen geen zinnig woord zeggen over hun geloof, maar dat belette hen niet om massaal getrouw de rituele voorschriften te volgen: kerkbezoek, gebed, vasten, sacramenten, initiatieriten, kerkelijk huwelijk, uitvaartplechtigheden enzovoort. Dat toebehoren tot een geloof of kerk uitte zich verder in een maatschappelijke samenhorigheid en een keuze voor een politieke partij in een sterk verzuilde samenleving. Het was niet zozeer wát men geloofde, maar dát men geloofde.

    In het Westen en in een aantal andere landen is de volksopvoeding het verst gevorderd, en dat is overal de aanleiding tot de achteruitgang van het geloof. Er is immers geen enkel geloof dat kan standhouden tegen het spontane verzet van de vrij denkende mens. Alle pogingen tot een redelijke verantwoording van het geloof lopen onvermijdelijk dood op de nuchtere vaststelling dat het geloof niet redelijk is, omdat het berust op onredelijke veronderstellingen, zowel die geformuleerd in de heilige geschriften als die voorgeschreven door de kerkelijke instanties. Er is altijd sprake van bovennatuurlijke wezens, goddelijke openbaringen, profetieën en voorspellingen, miraculeuze gebeurtenissen, en het geloof in een eeuwig leven dat niet in overeenstemming te brengen is met het gezond verstand.

    Vandaar dat de meeste godsdiensten zich met hand en tand verzetten tegen alle redelijk denken: geloof en rede gaan niet samen, het geloof gaat voorbij aan de rede, overstijgt de rede, en maakt zo al die onmogelijke bovennatuurlijke geloofspunten niet alleen geloofwaardig, maar verheft ze boven elk redelijk verstaan. Het geloof is een hoger en dieper inzicht in de werkelijkheid, toont de werkelijkheid zoals ze echt is.

    Voor mensen die leven in een samenleving die gebouwd is op de rede en haar toepassing in de wetenschap en alle aspecten van de maatschappij, het onderwijs, de politiek, de economie enzovoort, is dat wat men noemt een spagaathouding, een spreidstand waartoe slechts weinigen in staat zijn en die niemand lang kan volhouden. Men kan geen twee essentieel tegengestelde fundamentele levensopvattingen combineren. En aangezien de meeste mensen in staat zijn tot zelfstandig nadenken, en dat in principe des te meer naargelang ze beter opgeleid zijn, en het onderwijs precies gericht is op de bevordering van het zelfstandig nadenken, gaat het geloof erop achteruit naarmate de redelijkheid toeneemt.

    Een andere mogelijkheid is echter dat men de redelijkheid helemaal afzweert en het geloof als de enige maatstaf neemt voor alles, de hele samenleving en alles wat ermee te maken heeft. Dat is wat het christendom beoogde, zoals het jodendom waarop het christendom is geënt, en dat is ook wat de islam voorhoudt. En dat is het verschijnsel dat wij vandaag meemaken.

    Een bijzonder aspect van dit eeuwenoud dilemma is dat door de migratie de godsdiensten een verspreiding kennen die vroeger enkel door religieuze veroveringsoorlogen en politieke overheersing kon gerealiseerd worden. De islam heeft sinds zijn ontstaan dikwijls aan de poorten van Europa gestaan, bijvoorbeeld al in 732 bij Poitiers, en in 1683 bij Wenen, maar werd toen telkens verslagen. In de 20ste eeuw begon er een immigratie uit de moslimwereld naar Europa, en die instroom duurt nog steeds voort. Die migranten brengen hun cultuur mee, en ook hun godsdienst, die uitdrukkelijk aanspraak maakt op het alleengezag van God: de islam is een theocratie, of beter, aangezien God niet bestaat, een hiërocratie, dat wil zeggen dat de geestelijkheid de hoogste macht is op alle gebied, inclusief de burgerlijke rechtspraak, en dat gelovigen veeleer moeten gehoorzamen dan nadenken.

    Er is een sterke neiging onder moslim-migranten om zich niet te integreren, en hun eigenheid te behouden. Dat zorgt voor moeilijkheden in het Westen, die vooral tot uiting komen in het onderwijs. Ons onderwijs is erop gericht om onze kinderen te leren nadenken, en hen onze beschaving eigen te maken. Het is kenmerkend voor die beschaving dat kerk en staat gescheiden zijn, en dat wij een democratisch bestel aanhangen. Dat is in rechtstreekse tegenspraak met de Islam. Wanneer dan een aanzienlijk aantal kinderen uit moslim-middens onze scholen bevolken, soms zelfs in die mate dat zij de meerderheid of zelfs de totaliteit uitmaken, dan moet het wel fout lopen. Enerzijds voor die migrantenkinderen, die in een gewetensconflict komen tussen enerzijds wat hen voorgehouden wordt in de familie en de gemeenschap waarin ze leven, en anderzijds wat hen op school wordt bijgebracht en wat zij zien in de gemeenschap waarnaar ze geïmmigreerd zijn.

    Soms haalt de rede het, en overtuigt ze gaandeweg de migrantenkinderen, die hun levenshouding dan grotendeels baseren op de rede en de wetenschap, en nog enkel lippendienst bewijzen aan hun geloof, zoals destijds ook de christenen hebben gedaan.

    Soms ook niet. Er zijn scholen waar de moslimjongeren ostentatief afstand nemen van wat hen wordt voorgehouden op school, bijvoorbeeld in de lessen wetenschap of geschiedenis. Zij sluiten de oren, en stellen dat zij een andere wetenschap aanhangen, namelijk die van hun geloof. Soms gedragen zij zich zeer agressief tegenover leraren en directies. Soms haken ze helemaal af, en weigeren ze naar de ‘heidense’ scholen te gaan. Er gaan stemmen op om moslimscholen op te richten. Er gaan nog meer stemmen op om ons onderwijs aan te passen aan het moslimpubliek, of althans te vermijden dat deel van het publiek te schofferen, te beledigen of te maken dat ze zich ongemakkelijk voelen.

    Kijk, daar wordt het moeilijk. Als je twee fundamenteel tegengestelde levensopvattingen hebt, dan is het onmogelijk om bijvoorbeeld een onderwijs aan te bieden dat beide opvattingen volledig respecteert, dat als het ware ‘neutraal’ is. Je kan geen wetenschap of geschiedenis aanleren als je rekening moet houden met de letterlijke tekst van de Koran en al de voorschriften die de Islam daaraan verbindt, en de aanwijsbaar bedrieglijke onwaarheden die zogenaamde islamistische geleerden verzinnen. Onze beschaving is niet te verzoenen met een fundamentalistisch islamisme, niet omdat we ons daarmee niet willen verzoenen, maar omdat de twee onverzoenbaar zijn.

    Als men in onze scholen, zoals dat nu gebeurt, probeert om toch te vermijden dat de moslimjongeren afhaken, en toegevingen doet door bepaalde zaken, zoals de evolutietheorie en de kosmologie, om er maar enkele te noemen, te gaan verzwijgen of minimaliseren als niet meer dan veronderstellingen, en ruimte laat voor alternatieven die aangereikt worden door fundamentalistische moslimgroeperingen en kwaadwillige pseudowetenschappers, dan doen we onze eigen beschaving geweld aan, en belanden we voor we het weten weer in de Middeleeuwen.

    Susan Blackmore is geen doetje. Ze is inderdaad een uitgesproken atheïste, maar haar betoog is steeds streng wetenschappelijk onderbouwd. Wanneer zij haar aanzienlijke kennis en haar scherp verstand gebruikt om de verderfelijke mechanismen bloot te leggen die godsdiensten gebruiken om mensen aan hun gezag te onderwerpen, botst dat onvermijdelijk met een godsdienst die zich daaraan manifest schuldig maakt. Haar gelijk wordt bewezen door het ongelijk dat ze krijgt van de aanhangers van die godsdiensten, die door zich af te sluiten van haar betoog precies aantonen hoe die mechanismen op hen inwerken.

    Wij kunnen alleen hopen dat het gezond verstand zal zegevieren, vroeg of laat. We kunnen niet veel meer doen dan onze scholen en universiteiten open stellen voor die jongeren, zodat ze in de confrontatie met onze beschaving de gelegenheid krijgen om hun mentale vermogens, die in hun potentieel absoluut niet verschillen van die van ons, adequaat te gebruiken.

    Of kunnen, en moeten we toch meer doen? Moeten we ons strijdbaar opstellen tegen degenen die een levensopvatting voorstaan die fundamenteel tegengesteld is aan de onze, dat wil zeggen de kerkelijke instanties van alle godsdiensten, dus niet alleen de islam maar ook het christendom en allerlei sekten? Ik meen van wel, en dat is ook wat ik hier doe. Ik pleit voor onze westerse beschaving en voor onze democratie, al zijn ze allebei onvolmaakt en kwetsbaar. Ik toon de desastreuze invloed aan van alle godsdiensten, zowel op het persoonlijk leven en geluk van elke mens als op maatschappelijk gebied. Ik verzet me tegen elk klerikalisme, dat wil zeggen tegen de invloed van de godsdiensten en hun bedienaars en vertegenwoordigers op maatschappelijk gebied. Maar ik doe dat in geschrifte en in gesprekken, ik voer geen acties en neem niet deel aan manifestaties, ik onderteken geen petities, en ik richt geen persoonlijke aanvallen tegen personen.

    Ik meen dat men mij niet kan beschuldigen van islamofobie. Maar dat belet mij niet mijn afschuw uit te spreken over heel wat dingen die gebeuren in de naam van de islam, zoals ik diezelfde zaken veroordeel wanneer ze zich voordoen of zelfs voordeden in een andere godsdienst. Dat geldt onder meer voor discriminerende wetten en gedragingen tegenover vrouwen en personen met een seksuele geaardheid of een levenshouding die afwijkt van wat de godsdienst voorschrijft. Dat geldt voor alle geweld dat geschiedt in naam van of onder het mom van een godsdienst. Dat geldt voor de onwaarheden die godsdiensten verspreiden als wetenschap. Dat geldt vooral voor de liefdeloosheid waarvan zogenaamde gelovigen en bedienaars van erediensten blijk geven in hun omgang met anderen.

    En ja, ik maak me zorgen als ik zie hoe overal ter wereld godsdiensten nog steeds mensen aanzetten tot liefdeloosheid, haat, geweld en domheid.


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    17-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The windmills of your mind

    Op een nacht werd ik wakker met in mijn hoofd een flard van de tekst van een schlager: put your lips a little closer to… Door die woorden steeds te herhalen kwam er langzaam ook een ritme naar voren, en stilaan ook een melodie, maar de tekst bleef onvolledig. Plots hoorde ik die woorden ook geïntoneerd, door Elvis Presley.

    ’s Morgens was de herinnering aan die nachtelijke openbaring nog zeer levendig, en nog voor het ontbijt startte ik de laptop op om de gedeeltelijke tekst op te zoeken met Google. Dit is het resultaat.

    Put your sweet lips a little closer to the phone

    Let's pretend that we're together all alone

    I'll tell the man to turn the juke box way down low

    And you can tell your friend there with you he'll have to go

     

    Whisper to me tell me do you love me true

    Or is he holding you the way I do

    Though love is blind make up your mind I've got to know

    Should I hang up or will you tell him he'll have to go

     

    You can't say the words I want to hear

    While you're with another man

    Do you want me answer yes or no

    Darling I will understand

     

    Put your sweet lips a little closer to the phone

    Let's pretend that we're together all alone

    I'll tell the man to turn the juke box way down low

    And you can tell your friend there with you he'll have to go

     

    Een vertaling is overbodig, lijkt me. Tekst en muziek is van Audrey en Joe Allison, en de country song He’ll have to go werd een hit in 1960 in de versie van Jimmy Reeves. Presley nam zijn versie op in 1976. Ik probeerde vruchteloos de ene of de andere versie te beluisteren op het internet, maar dat zal wel aan mij liggen.

    Pure nostalgie… Maar wat me daarbij intrigeert is: waar komt die vrij accurate herinnering vandaan, na meer dan vijftig jaar?

    Niet uit een recente gebeurtenis: in de voorbije dagen ben ik niet bewust teruggegaan naar ‘de tijd van toen’, en er waren ook geen externe verwijzingen naar vroeger in films, liedjes op de radio of nieuwsberichten… Uit de ontelbare dingen die in mijn geheugen opgeslagen liggen zonder dat ik me daarvan bewust ben, is die nacht ongevraagd en spontaan die tekst gedeeltelijk naar boven komen drijven, heeft me wakker gemaakt en heeft zich aan mijn slaapdronken bewustzijn opgedrongen. Door vervolgens mijn geheugen op een of andere manier denkend te bevragen en te activeren, woordeloos, zonder die vragen te formuleren, gewoon door mijn brein zijn gang te doen gaan met de luttele elementen die het zelf had opgehoest, kwamen er andere gegevens naar boven. De tekst was onvolledig en niet helemaal accuraat, maar wellicht is hij dat nooit geweest: in die tijd was mijn kennis van het Engels erg beperkt, en ik herinner me zeker niet dat ik het verhaaltje achter de tekst ooit gekend heb.

    Elke morgen sta ik op met de herinnering aan het feit dat ik uitvoerig en zeer in detail gedroomd heb, dat er zich een theatervoorstelling heeft afgespeeld in mijn brein, of beter nog: een belevenis, alsof ze reëel was, in het echte verleden, maar anders dan in mijn herinnering; het is veeleer een fictieve vermenging van allerlei reële elementen, en in mijn droom weet ik op en of andere manier ook dat het een droom is, omdat het theater niet overeenstemt met mijn herinnering. Ik lijk wel wakend aanwezig in mijn droom, als een kritische toeschouwer, die weet hoe het echt was, en wat kan en wat niet kan. Meestal kan ik me de uiterst levendige dromen achteraf niet in detail herinneren, hoewel ik er ’s nachts van overtuigd ben dat dit wel het geval zal zijn, en blijft er slechts een vervelend knagend bijna-herinneren hangen tijdens de eerste uren van de dag.

    Tijdens onze slaap verandert de activiteit van ons lichaam: wij reageren nog nauwelijks op zintuiglijke prikkels en we maken geen bewuste bewegingen. Voor het overige zijn er geen opvallende verschillen: onze autonome functies zoals ademen, de hartslag, de spijsvertering enzovoort gaan gewoon door. En ook onze hersenactiviteit valt niet stil. Wetenschappers hebben verschillende fasen ontdekt tijdens de slaap waarbij de hersenen typische meetbare kenmerkende activiteiten vertonen, maar er blijken geen grote verschillen te zijn met de soorten hersenactiviteit van overdag.

    Ons leven gaat ’s nachts dus gewoon door, we zijn alleen minder mobiel, we verplaatsen ons nauwelijks en we zijn minder ontvankelijk voor stimuli van buitenaf. Ons brein is blijkbaar net zoals de rest van ons lichaam niet minder actief dan overdag, maar anders. Er zijn immers veel minder stimuli die moeten verwerkt worden, en er is geen bewuste activiteit die ontplooid wordt. Er is dus minder bewustzijn, omdat er minder is om ons bewust van te zijn. Maar hetzelfde brein, dat overdag zo spetterend actief kan zijn en ons toelaat bewust en ingrijpend te leven in de wereld, blijft actief, niet alleen om de andere, autonome lichamelijke activiteiten in stand te houden, zoals de ademhaling, de bloedsomloop en de spijsvertering, om nog te zwijgen van allerlei vormen van regeneratie, maar blijkbaar ook op het domein van de betekenis, het inhoudelijke denken, met woorden, beelden, kleuren en geuren.

    Het verschil is dat het geen beleving is van de wereld buiten ons, maar een spel dat zich afspeelt in ons brein, met hetzelfde orgaan en dezelfde toepassingen als overdag. Wat we wakend kunnen, doen we ook al slapend, maar dan met wat er in ons geheugen is opgeslagen. Het zijn echter geen correcte herinneringen (al zijn die overdag ook meestal niet helemaal betrouwbaar); het lijkt wel alsof er een andere auteur en een andere regisseur aan het werk is, die met het bestaande geheugenmateriaal aan het werk gaat, en er een eigen toneelstuk mee maakt, een game, gebaseerd op een andere interpretatie van de gegevens, en met toevoegingen, weglatingen, vervormingen, zoals wij zelf soms doen in onze verbeelding, zoals kunstenaars doen in hun werk.

    Soms, wanneer mijn dromen erg indringend zijn, word ik ’s morgens mentaal vrijwel uitgeput wakker, alsof ik een aangrijpende gebeurtenis heb meegemaakt, en dat is in feite ook zo, althans mentaal. Een droomgebeurtenis is voor mijn brein even reëel als een reële gebeurtenis, met dat verschil dat er geen fysieke gevolgen zijn van gebeurtenissen die zich enkel in mijn dromend brein hebben afgespeeld: nee, ik heb niet in mijn broek geplast, of op een plaats waar geen toilet is; nee, ik heb geen seks gehad met die persoon; nee, ik heb die boze woorden niet uitgesproken, en nee: mijn jeugdvriend leeft niet meer, Vader is niet ontwaakt uit zijn coma…

    Meestal herinner ik me de details niet, maar omdat veel dromen herhaaldelijk terugkomen, weet ik nu ook bewust welke dat zijn, en zijn sommige droomelementen me op een vreemde manier vertrouwd. Het zijn nu herinneringen zoals die aan werkelijke gebeurtenissen, en soms weet ik niet meer of een herinnering reëel is, of een herinnering aan een droom, of misschien een reële herinnering die verzeild geraakt is in een droom, en zo een tweedegraads herinnering geworden is…

    Ik lijk wel twee stadia te hebben in mijn leven. Ik ben één persoon, maar ik leef op twee manieren, de ene wakend, de andere slapend. Beide zijn noodzakelijk en onvermijdelijk, en het is hetzelfde lichaam dat beide doet, slapen en waken, zodat het een vreemde, diverse eenheid vormt, waarbij wat zich in mijn wakker brein afspeelt en opslaat, in het slapend brein als het ware een eigen leven gaat leiden, deels aangestuurd door bewuste en onbewuste elementen uit mijn wakend bestaan, deels in vrijloop en open associatie, een aleatorische draaikolk van aanwezige of verbeelde elementen, als in een boek van Borges of Calvino.

    Ik aarzel om met mijn dromen anders om te gaan dan met grote terughoudendheid. Ik schrijf ze niet op, ik probeer niet actief om de herinneringen op te halen aan wat er zich ’s nachts heeft afgespeeld. Ik koester de tere restanten die zich aanbieden en benader ze omzichtig, als een pregnant maar ingetogen kunstwerk, dat zijn versluierde geheimen ongaarne prijsgeeft en suggestief een mysterievolle maar belangrijke, rijke betekenis in zich draagt, die zich slechts onthult wanneer men er niet actief naar op zoek gaat.

    Onze dromen zijn een onvermoede rijkdom in ons leven. Ze zijn een andere activiteit van dezelfde persoon, maar dan louter mentaal, en zo spontaan en oncontroleerbaar dat het welhaast een wonder lijkt. Misschien is dat wat er gebeurt bij mensen met een mentale stoornis: dan gaat het brein zijn eigen gang, en verliest het grotendeels het contact met de werkelijkheid, en de mogelijkheid om daarin bewust en rationeel op te treden. Misschien is het ook dat wat mensen zoeken in allerlei drugs: een toestand waarin men in vervoering is, een vlucht uit de gore of oninteressante werkelijkheid. Misschien is ook dat ook de dimensie waar kunst ontstaat.

    Het is een moeilijk evenwicht tussen waken en slapen, tussen bewustzijn en verbeelding, tussen denken en doen, tussen droom en daad.

     


    Categorie:kunst
    Tags:levensbeschouwing
    15-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Nogmaals: fatalisme en menselijke vrijheid

    Wanneer men afstand doet van elk godsdienstig denken dat naast het universum een andere, niet-materiële dimensie als werkelijk bestaand opeist, wordt men meteen van plat materialisme beschuldigd: er bestaat niets buiten de materie. Dat is echter een onterechte aanklacht. Er is immers binnen het universum ruimschoots plaats voor veel meer dan enkel materie, geen weldenkend mens zal dat ontkennen. Het is niet omdat men het bestaan ontkent van een persoonlijke, transcendente God, een onsterfelijke ziel of een niet-stoffelijke ‘geest’, dat men meteen de mens herleidt tot dode materie of tot een primitief levend wezen zoals een bacterie.

    Via een lange en ingewikkelde evolutie is het leven op aarde sterk gediversifieerd en heeft het onder talloze vormen een spectaculaire aanpassing gerealiseerd aan de levensomstandigheden. Een daarvan is de ontwikkeling van een centraal zenuwstelsel in vele diersoorten, inzonderheid de hersenen van de mens. Homo sapiens is in staat tot denken en tot zelfbewustzijn, heeft een geheugen en kan vooruitdenken, kan met anderen communiceren en kennis uitwisselen, ook in de tijd, door het bewaren en doorgeven van informatie en het uitbouwen van een beschaving. Wat men daarover vroeger ook heeft gezegd en geschreven, wat men ook vandaag nog daarover beweert, één ding is zeker: het is absoluut zeker dat enkel een levende mens daartoe in staat is. Bij de dood verdwijnt onvermijdelijk ook elk denkvermogen; het is namelijk met ons lichaam, vooral onze hersenen, dat wij denken. Zonder functionerende hersenen gaat het echt niet.

    Dat is een vorm van materialisme, ja, maar een die totaal verschilt van datgene waarvan men atheïsten steeds weer beschuldigt. Ik ken geen enkele atheïstische filosoof en zelfs geen enkele atheïst die ooit zou beweerd hebben dat de mens niet in staat is tot hogere functies, tot wat men vroeger een hoger geestelijk leven noemde. Het tegendeel is overduidelijk waar: atheïsten zijn net de verdedigers van de mogelijkheden om zelfstandig en vrij te denken. Het verschil tussen beide opvattingen ligt enkel hierin dat theïsten dat hoger vermogen toeschrijven aan een scheppende tussenkomst van een hoger wezen of God, en aan een typisch menselijk ‘orgaan’ dat niet stoffelijk en dus onsterfelijk is: de ziel, de geest &c. Atheïsten zien enkel het geëvolueerde lichaam, dat autonoom in staat is tot precies dezelfde hogere functies. Het zijn dus twee tegengestelde verklaringen voor eenzelfde verschijnsel, namelijk de zelfbewuste, denkende homo sapiens. De moderne wetenschap heeft op overtuigende wijze aangetoond dat de atheïstische verklaring de meest eenvoudige en meest overtuigende is, omdat ze geen beroep doet op onbewijsbare stellingen of wezens waarvan het bestaan niet redelijk kan aangetoond worden.

    Eens dat historisch theologisch misverstand uit de weg geruimd is, moeten we ons echter verzetten tegen een ander waanidee, dat helaas wel eens opduikt bij sommige atheïsten. Vertrekkend vanuit het reële materialisme, namelijk de terechte gedachte dat enkel een levend materieel wezen in staat is tot hogere mentale activiteiten, en vanuit de even correcte gedachte dat alle materie de natuurwetten volgt, meent men dat ook het denken uitsluitend verloopt volgens de elementaire natuurwetten, waarbij oorzaken bepalend zijn voor het gevolg. Dat is een vorm van extreem materialisme die onvermijdelijk neerkomt op fatalisme. De mens denkt, maar dat denkproces is de noodzakelijke opeenvolging van oorzaken en gevolgen; en aangezien een oorzaak altijd en noodzakelijkerwijs hetzelfde gevolg heeft, is het resultaat van het denken gedetermineerd door zijn oorzaken.

    Meteen verdwijnt de menselijke vrijheid, want wat wij denken wordt strikt bepaald door de wetten van oorzaak en gevolg. Wij kunnen niets anders denken dan wat we denken. Als dat wel mogelijk zou zijn, zou er een beslissende tussenkomst zijn in de reeks van oorzaken en gevolgen, maar van wie of wat? Alleen van het denkend ik in zijn omgeving, want iets anders is er niet, en dus is ook die tussenkomst onderhevig aan de wetten van oorzaak en gevolg, en zo steeds verder tot in het oneindige. Absoluut determinisme dus, of beter gezegd: fatalisme. De menselijke vrijheid is in het beste geval een illusie.

    Dat is echter zo volkomen in tegenspraak met ons aanvoelen en onze ervaring, dat weldenkende mensen steigeren wanneer ze met die aantijging of veronderstelling geconfronteerd worden. En inderdaad, dergelijk fatalistisch materialisme is onhoudbaar, en geeft een totaal vertekend beeld van de werkelijkheid van ons denken en van ons bestaan. Er is overigens ook nog geen enkele theorie opgedoken die de wetmatigheden van het menselijk denken afdoend verklaart op grond van een dergelijk fatalisme.

    Het is immers precies doordat wij beschikken over een formidabel brein dat wij, homo sapiens, in staat zijn om te ontsnappen aan de gevolgen van de ongunstige omstandigheden in onze omgeving, en in staat zijn om gebruik te maken van de talloze mogelijkheden die wij ontdekken in het universum. Andere levende wezens kunnen dat veel minder goed; de wetten van de evolutie zorgen wel voor hun aanpassing aan de omstandigheden, maar dat is vooral een traag proces, en dat biedt geen oplossing voor problemen die zich op korte termijn stellen voor het individu. Met een denkapparaat als dat van de mens, gecombineerd met een superbe beschaving, is het zelfs niet meer absoluut noodzakelijk dat het individu zich aanpast aan zijn omgeving: het past de omgeving aan aan zichzelf. En zo verandert de mens de spelregels binnen de natuurwetten. Het blijft regenen, maar wij hoeven niet noodzakelijk nat te worden.

    De mens oefent in ingrijpende invloed uit op zijn omgeving, dat is voor iedereen duidelijk. Er is voor de mens een bijzondere rol weggelegd in het natuurlijke proces van oorzaak en gevolg, een actieve tussenkomst door middel van het bijzonder lichaam waarover wij beschikken, bijzonder in die zin dat wij precies in staat zijn tot hogere vormen van mentale activiteit, zoals herinnering en proactief denken, en het gebruik van gesofisticeerde werktuigen en beschavingsproducten.

    Die denkactiviteit is een fysisch proces, dat zich vooral in onze hersenen afspeelt en dat vanzelfsprekend gebonden is aan de fysische natuurwetten. Maar dat betekent niet dat het individu niet kan ontsnappen aan die natuurwetten. Ons brein is namelijk niet enkel spectaculair in die zin dat er zich ongelooflijk veel en ongelooflijk complexe activiteiten tegelijkertijd in afspelen, al is dat natuurlijk wel een essentiële vereiste; het uitzonderlijke is vooral hierin gelegen, dat wij met dat brein in staat zijn om belangrijke beslissingen te nemen over onszelf in onze omgeving. Die fysische mentale activiteiten hebben betekenis voor ons, wij zijn ons bewust van onszelf en onze omgeving en wij kunnen erop inspelen.

    Wij zijn geen weerloze slachtoffers van onze omgeving, noch van autonome fysische processen die zich in ons brein afspelen, zoals het fatalistisch ‘sterk’ materialisme beweert. Zij zien de activiteit van de hersenen louter als een fysisch proces, dat volledig aangestuurd wordt door fysische impulsen, zoals datgene wat de zintuigen waarnemen, en de fysische reacties binnen het brein op die impulsen, en de fysische reacties daarop en zo verder tot in het oneindige. Alles is dus materie, en daar geldt enkel de strenge wet van oorzaak en gevolg, zodat het denken een louter automatisch verlopend proces is, waaraan niets kan veranderd worden en waarop niets of niemand kan ingrijpen, ook het ‘ik’ niet. Wat wij ‘denken’ noemen en wat we zien als een vrije activiteit van het ik, is in feite een epifenomeen, een randverschijnsel, een indruk, meer niet. Wij denken niet, wij worden gedacht.

    Dat heeft vanzelfsprekend belangrijke gevolgen, bijvoorbeeld voor de ethiek. Als ons denken uitsluitend een automatisch fysisch proces is, zijn wij er ook niet meer verantwoordelijk voor, en dus ook niet voor ons handelen, dat op ons denken gebaseerd is. Wij worden zo ethische automaten, enkel en alleen gestuurd door de natuurwetten.

    Zeker, ontsnappen aan de natuurwetten kunnen we niet, dat zien we ook wel in. Maar daarbinnen zijn er ontelbare mogelijkheden die we kunnen verkennen en uitproberen. En daarin zijn we echt wel goed, maar helaas niet volmaakt, en dus gaat het vaak ook behoorlijk fout.

    Ik weet dat fatalistisch denkende materialisten menen dat wat ik hier zeg een illusie is, en ik geef toe dat ik het daarmee behoorlijk moeilijk heb. Ik ben ervan overtuigd dat zij ongelijk hebben, maar het is niet gemakkelijk om hun redenering te weerleggen. Ik ben het er immers grondig mee eens dat de natuurwetten onverbiddelijk zijn, en dat oorzaken vaste gevolgen hebben. Ik vermoed dat het probleem om de reële menselijke vrijheid te verzoenen met dat even reëel determinisme een oplossing zou kunnen vinden, wanneer we de schaal bekijken waarop de gebeurtenissen zich afspelen, en de complexiteit van de soorten levende wezens.

    Op het allerkleinste subatomaire niveau is er, voor zover we weten, een absoluut determinisme: de mens kan aan de ingewikkelde wetten die daar heersen geen veranderingen aanbrengen. Wij kunnen hoogstens gebruik maken van die wetmatigheden, bijvoorbeeld om de nucleaire krachten vrij te maken, voor vredelievende of andere doeleinden. Wat binnen een atoom gebeurt, gebeurt noodzakelijkerwijs. En dat gaat zo verder op het atomair niveau en vervolgens het moleculair niveau waarop atomen zich chemisch met elkaar verbinden. Het lijkt evident dat er op deze niveaus geen sprake is van enige beslissende activiteit van de materie zelf die een invloed heeft op haar voortbestaan. Hier zijn oorzaak en gevolg onlosmakelijk met elkaar verbonden. Enkel de kwantummechanica lijkt daarop een uitzondering te vormen, zij het eveneens binnen zekere grenzen.

    Op het biologisch niveau, waarbij er cellen gevormd worden, veranderen de zaken echter grondig. Alle cellen zijn actief. Ze houden zichzelf in stand in en door middel van hun omgeving en zijn in staat om zich te vermenigvuldigen. Dat is de kern van de zaak, meen ik. Zelfs op het meest eenvoudige biologische niveau zijn de gevolgen spectaculair, en naarmate het leven complexere vormen aanneemt, neemt ook de mogelijkheid tot zelfstandige activiteit toe, en gaat die over van aanpassing aan de omgeving tot aanpassing van de omgeving aan zichzelf.

    Op astronomisch niveau neemt de activiteit weer af. Onze zon en de andere hemellichamen lijken niet in staat om zelf enige invloed uit te oefenen op hun bestaan of zich aan te passen aan hun omgeving. Ook op dat niveau spelen de natuurwetten ongenadig hun verbijsterende rol op een schaal die onze verbeelding tart.

    Vrijheid situeert zich dus blijkbaar uitsluitend op het niveau van de levende wezens. Ze is aanwezig in alle soorten levende wezens, maar niet in dezelfde mate. Levensvormen die lichamelijk complex zijn, vooral wat het zenuwstelsel betreft, zijn dat ook mentaal, en dat is in feite wat we bedoelen met ‘vrijheid’, namelijk het vermogen om de natuurwetten niet zonder meer te ondergaan, maar om zich actief te bewegen in de omgeving. Homo sapiens onderscheidt zich niet essentieel door zijn vrijheid, maar door het uitzonderlijk hoge niveau van zijn vrijheid. En de mogelijkheid om dat niveau daadwerkelijk te bereiken is geenszins gerealiseerd in alle exemplaren van de soort: levende wezens verschillen onderling, hoe sterk ze ook op elkaar gelijken. Elk exemplaar is uniek, en dat bepaalt de mogelijkheden die het heeft, en in ruime mate ook de kans dat die mogelijkheden optimaal zullen aangewend worden.

    Vrijheid is dus een eigenschap van levende wezens, en is in haar omvang en toepassing afhankelijk van de fysieke complexiteit van de soort, en van de unieke kenmerken van een individu.

    Dat die vrijheid wel degelijkheid bestaat, blijkt ten overvloede uit het feit dat het zo goed als onmogelijk is om voorspellingen te doen over het individueel gedrag van één levend wezen of gebeurtenissen waarmee verscheidene levende wezens gemoeid zijn, inzonderheid de mens. Indien het fatalistisch materialisme enige grond van waarheid bevatte, dan zou het in ruime mogelijk moeten zijn om ook voorspellingen te doen over gebeurtenissen. Dat lukt echter enkel in aanzienlijke mate op het niveau van de niet-levende materie. Als het om levende wezens gaat, lijkt zelfs elk ‘sterk’ determinisme ongeschikt als verklaring; enkel zeer benaderende statistische conclusies voor grote groepen vertonen enige, zeer beperkte en louter theoretische betrouwbaarheid, die in de praktijk meestal onbruikbaar blijkt te zijn. Ook psychologische verklaringen, zoals die van de psychoanalyse, of het behaviorisme, worden door weer nieuwere benaderingen en door hun gebrekkige therapeutische waarde ontkracht. Wat grotendeels opgaat voor de dode materie, zowel in de dimensie van het allerkleinste als van het allergrootste, blijkt onbruikbaar als verklaring voor het middenniveau, waar ook de hogere levende wezens te vinden zijn.

    Het ziet er dus naar uit dat complexe levende wezens inderdaad ontsnappen aan elke fatalistische interpretatie. Dat is vooral zo wanneer zij zich organiseren in samenwerkingsverbanden, een hoogtechnologische beschaving uitbouwen en zich bezinnen over zichzelf.

    Kortom, de mens ontwikkelt zijn hoogste mogelijkheden optimaal door in een hoge beschavingsvorm met anderen samen te werken met het oog op de instandhouding van het individu en van de soort in de eigen omgeving.

    Dat is niet zozeer een vaststelling als wel een opgave. Het is inderdaad enkel wanneer individuen en groepen actief gebruik maken van de eigen mogelijkheden om hun bestaan te verzekeren en te optimaliseren en daartoe bewuste initiatieven nemen, dat zij zich boven het fatalisme van de natuurwetten verheffen, dat zij een ik worden. In het andere geval, wanneer zij passief het leven ondergaan, blijven zij in ruime mate de gevangenen van hun situatie, en zullen zij inderdaad hun lot, dat wil zeggen de fatalistische loop van de natuur, ondergaan en zich de speelbal voelen van de gebeurtenissen en van de anderen. Dat leidt echter altijd tot negatieve gevoelens: een mens is niet gelukkig als hij of zij de eigen mogelijkheden niet kan gebruiken en verder ontwikkelen. Pas wanneer wij actief ingrijpen in ons eigen bestaan en in onze omgeving, en daarvan de positieve resultaten zijn, hebben wij terecht een gevoel van bevrediging en geluk.

     


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    14-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Aarschot, augustus 1914-2014

    In augustus 1914 rukte het Duitse leger op door België en dreef het Belgisch leger voor zich uit. Bij Aarschot boden de Belgen kortstondig verzet, om zogezegd de veilige terugtocht van de andere legereenheden mogelijk te maken. Er waren relatief zware verliezen aan beide zijden. Toen de Belgen zich uiteindelijk toch terugtrokken en de Duitsers het stadje binnentrokken, waren die uit op wraak. In de verwarring wordt een Duits officier neergeschoten. Daarop volgen wraakacties tegen de bevolking. Er vallen ongeveer 180 slachtoffers.

    Aarschot herdenkt die gruwelijke gebeurtenissen, nu honderd jaar later. Er zijn twee tentoonstellingen, een historische, en een andere waarin 178 kunstenaars uitgenodigd werden een kunstwerk te wijden aan een van de slachtoffers.

    Omdat Lut zich daarvoor opgeeft via de plaatselijke kunstacademie, en mijn naam mede in de handtekening van de mail staat, krijg ook ik een slachtoffer toegewezen: pastoor Pieter-Jozef Dergent. Het gedicht dat ik daarvoor maakte, vind je hierbij.

    De opening van de tentoonstellingen gaat gepaard met te veel en te lange toespraken en gelukkig ook enkele geslaagde artistieke momenten. Ze wordt echter ontsierd door een geïmproviseerde tussenkomst van de 84-jarige zoon van de ‘held’ van Aarschot, de commandant van de legerafdeling die gedurende twee uur (!) verzet bood tegen de oprukkende overmacht van het Duitse leger, kapitein Gilson. Net zoals zijn vader is de zoon uitsluitend Franstalig, en na enkele zo goed als onverstaanbare woorden in een schabouwelijk Nederlands gaat hij gelukkig verder in het Frans, waarbij hij eer brengt aan zijn vader, en zijn dank betuigt aan de stad en de organisatoren voor het eerbetoon aan de familie Gilson.

    Die tussenkomst is een afknapper. Meteen verschuift de aandacht immers van de burgerslachtoffers naar de militairen. De dwaasheid van het hardnekkige maar futiele verzet van Gilson tegen de Duitse overmacht wordt pijnlijk duidelijk. Heeft hij het bevel tot terugtrekken genegeerd, of heeft hij het niet ontvangen? Hoe dan ook is dat verzet, dat ‘grote verliezen’ veroorzaakte aan beide kanten, ongetwijfeld mede de oorzaak van de represailles van de Duitsers tegen de burgerbevolking, represailles die daarmee natuurlijk absoluut niet goedgepraat kunnen worden. Er zijn toen vreselijke dingen gebeurd, regelrechte oorlogsmisdaden, en niet alleen in Aarschot, maar wat later ook in Leuven en in andere Vlaamse steden.

    De waanzin van de oorlog grijpt je aan. Naast de vele burgerslachtoffers verschijnen ook de daders in beeld; niet zozeer de eenvoudige soldaten aan beide kanten, onder wie ook talrijke slachtoffers vielen, maar de officieren, de legerleiding, en uiteindelijk de politieke verantwoordelijken en het hoogste gezag, koningen en keizers.

    Na de eindeloze inleidingen en dankwoorden aan alle medewerkers verlaten we geschokt, ontgoocheld en misnoegd het fraaie cultureel centrum, nog voor de tentoonstellingen geopend worden; ook voor de receptie passen we. Lut zal ’s anderendaags naar de tentoonstellingen gaan kijken, ik kan dat niet over mijn hart krijgen. Het liefst zou ik mijn bijdrage terugtrekken, maar dat lijkt moeilijk.

    Het is goed dat we 1914 gedenken. Maar niet op die manier! Door te verwijzen naar de ‘heldhaftige’ rol van kapitein Gilson verdwijnen de burgerslachtoffers en de gevallen soldaten naar de achtergrond. De verderfelijke verleiding van het militarisme steekt haar gruwelijke kop op, de waanzin van toen is nog niet uitgewoed. Er zijn nog steeds mensen die geloven in militaire oplossingen en het oorlogsgeweld verheerlijken, die geloven in gerechtvaardigde of zelfs rechtvaardige oorlogen.

    En dat terwijl de enige les die uit vroegere conflicten te trekken is enkel deze kan zijn: nooit meer oorlog!


    Categorie:levensbeschouwing
    Tags:maatschappij
    13-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914

    Met de dood voor ogen

    Sta ik hier voor U, Heer

    En ik vraag U

    Waarom hebt Gij mij verlaten?

    Heb ik niet altijd gewerkt op uw akker

    Uw wetten strikt nageleefd

    En de schapen die Gij mij hebt gegeven

    Gehoed als een goede herder?

    Ik zocht het verdwaalde lam

    En bracht het veilig weer naar uw kudde

    Ik heb voor U gekozen

    Mijn leven aan U gewijd:

    Mij geschiede naar uw woord

    Ik werd uw plaatsvervanger op aarde

    Ik sprak in uw heilige naam

    Profetisch of vermanend

    Ik zong uw lof in gregoriaanse gezangen

    En werd om uwentwille geëerd

    Ik deed het goede en bestreed het kwaad

    In uw naam

    En vond U steeds aan mijn zijde

    Tot vandaag.

    Hier sta ik en ik met de dood voor ogen

    Vraag ik U: waarom hebt Gij mij verlaten?

     

    Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914

     

    Karel D’huyvetters


    Categorie:poŽzie
    Tags:maatschappij
    12-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Yezedi's?

    Godsdienst wordt door heel wat mensen nog steeds veeleer als iets goeds bestempeld dan als een kwaad, terwijl de feiten overduidelijk het tegendeel aantonen. Vandaag wil ik voor de verandering eens niet bij dat aspect van de zaak blijven stilstaan, maar bij een ander, dat bij nader toezien toch weer die eerste stelling bevestigt.

    Godsdiensten zijn onderling ongemeen intolerant, en dat is op zich vreemd. Men zou immers kunnen veronderstellen dat bijvoorbeeld de drie godsdiensten van het Boek (joden, christen, moslims) wegens hun gemeenschappelijke grondslag elkaar zouden respecteren of ten minste tolereren. Niets is minder waar, in het verleden zowel als het heden.

    Ook binnen een godsdienst overheerst de onverdraagzaamheid tegenover afgescheiden broeders en zusters. Het christendom is hopeloos verdeeld sinds zijn ontstaan, net zoals de islam, en ook de joodse godsdienst telt onderling afwijkende schakeringen. De bestraffing van afvalligen is overal even wreedaardig en genadeloos.

    En alle godsdiensten hebben een gemeenschappelijke aartsvijand, die ze elk op hun manier fanatiek bestrijden: het atheïsme in al zijn schakeringen.

    Het besluit kan alleen maar zijn dat godsdiensten en godsdienstige mensen altijd onverdraagzaam zijn, en dat terwijl alle godsdiensten net die verdraagzaamheid, of zelfs de liefde voor de evennaaste als basisprincipe hebben. Blijkbaar houdt elke stellige overtuiging van het eigen gelijk noodzakelijkerwijs het stellige ongelijk van de andere in, en roept dat de religieuze ijver in het leven om de anderen van hun ongelijk te overtuigen en hen te bekeren, desnoods manu militari, of hen zelfs gewoon af te slachten.

    Mensen die denken dat die tijd lang voorbij is, en dat ik bestofte historische feiten aanhaal om de huidige situatie te omschrijven, hebben vandaag volop de gelegenheid om eens om zich heen te kijken.

    De gewapende strijd, ja de regelrechte grootschalige oorlog tussen moslimbroeders, sjiieten en soennieten, en zelfs binnen elk van deze groepen, neemt elke dag nog toe, onder meer in Syrië, Irak, en tussen Iran en andere staten, allen gefinancierd door de streng moslim-fundamentalistische Arabische oliestaten. Moslims verenigen zich in hun bittere strijd tegen Israël, en zijn in een voorlopig iets meer vreedzame maar daarop niet minder actieve strijd om de macht in het Westen gewikkeld met het christendom en de seculiere wereld. Het christendom concentreert zich op zijn wanhopige strijd om zijn bestaan, en ziet in het atheïsme zijn grootste vijand, daar waar de islaminwijking een veel grotere bedreiging vormt. En ga zo maar door, overal waar godsdienst nog een maatschappelijke of politieke rol speelt.

    Wie had ooit van de Yezedi’s gehoord, tot ze onlangs onder vreselijke omstandigheden in het nieuws opdoken? Nu is hun godsdienstige overtuiging voor de moorddadige bendes van IS een voldoende reden om hen massaal uit te moorden.

    De verantwoordelijkheid voor al dat religieus geïnspireerd geweld ligt niet in de eerste plaats bij de meestal ongeletterde en ook op godsdienstig vlak onwetende daders, maar bij de aanstokers ervan, de geestelijke leiders en de cynische wereldlijke gezagsdragers die hen misbruiken voor hun eigen machtswellust.

    Ik eindig deze korte maar o zo schrijnende litanie met de wijze woorden van de Nobelprijswinnaar Fysica, Steven Weinberg: With or without religion, good people can behave well and bad people can do evil; but for good people to do evil — that takes religion. Vrij vertaald: met of zonder godsdienst kunnen goede mensen zich goed gedragen en slechte mensen het kwade doen; maar opdat goede mensen het kwade doen, daarvoor heb je godsdienst nodig.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    11-08-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Een waanzinnige logica: de Hannibal Directive

    Het gevoel van machteloos onbehagen blijft me beklemmen bij het volgen van de nieuwsberichten, vooral die over gewelddadige conflicten.

    Neem nu de oorlog in Gaza. Allerlei mensen en instellingen nemen daarin een standpunt in, en vaak ben ik geneigd een of ander standpunt bij te treden, tot ik weer een andere klok hoor luiden, argumenten doorprikt worden of informatie als onbetrouwbaar of dubieus wordt ontmaskerd.

    Volgens sommige bronnen bestaat er bij het Israëlische leger een zogenaamde Hannibal Directive, een richtlijn voor de troepen voor het geval dat een soldaat in handen valt van de vijand. De troepen moeten dat te allen prijze verhinderen, en wanneer dat niet mogelijk is, moet men de vijand bestoken, ook al komt de gegijzelde daarbij om. Volgens een nog meer onvoorstelbare interpretatie zouden Israëlische soldaten het consigne krijgen om veeleer zichzelf te doden dan zich te laten nemen, en zo het leger en de staat in een onaanvaardbare situatie te brengen. Deze richtlijn zou ook in het recente conflict al toegepast zijn.

    Israel heeft iets met krijgsgevangen of gekidnapte medeburgers en soldaten, en zelfs met het stoffelijk overschot van gesneuvelden. Ook andere legers hebben als erecode dat ze geen van de hunnen achterlaten op het slagveld, bijvoorbeeld de Amerikanen. Maar bij Israel gaat het wel heel ver. Toen enkele jaren geleden een soldaat gekidnapt was door de Palestijnen, beheerste die kwestie vier jaar lang het nieuws. Uiteindelijk werd die ene Israëli geruild voor meer dan duizend Palestijnse (krijgs)gevangenen. De gedachte dat een Jood gevangen gehouden wordt door de Palestijnen is blijkbaar ondraaglijk. En dat terwijl er constant vele duizenden Palestijnen langdurig en vaak zonder vorm van proces gevangen gehouden worden in Israëlische gevangenissen.

    De huidige oorlog (want zo moeten we het conflict noemen) is losgebarsten na de moord op drie Israëlische jongeren, en het is met ongekende intensiteit voortgezet toen een jonge officier ‘vermist’ was. Die jonge officier is later als gesneuveld opgegeven, maar er reizen vragen over de omstandigheden: is hij niet door het Israëlisch leger gedood, toen hij in de handen gevallen was van de Palestijnen? Of heeft hij zichzelf en Israël dat lot bespaard, zoals hem opgedragen en ingehamerd?

    In het conflict tussen Israel en Hamas gaat het vaak over de ongelijke proporties: de omvang van de beide legers en de wapens waarover ze beschikken; het aantal doden en gewonden aan beide kanten; de (geringe) aanleiding tot het conflict en de (overdreven) reactie van Israël; de enorme materiële schade in Gaza en het succesrijk vermijden daarvan in Israël. Dat dit een ongemakkelijke redenering is, bleek toen in een interview de Israëlische ambassadeur in België aan de met verstomming geslagen journaliste vroeg: eist u met die opmerking niet dat er aan Israëlisch kant evenveel slachtoffers moeten vallen, en er evenveel materiële schade moet zijn? Zou dat de oorlog meer aanvaardbaar maken, of minder gruwelijk?

    Dat is ook mijn bedenking bij de open brief van een groep Vlaamse artsen in de media. De bekende woordvoerder noemde precies dat onevenwicht de voornaamste reden van hun protest. Als men die redenering volgt, ‘betreurt’ men op een of andere manier inderdaad dat er niet meer slachtoffers vallen en niet meer schade is (aan Israëlische kant). Dat kan toch niet de bedoeling zijn… Daarom ware het beter alle geweld te veroordelen, hoe aanzienlijk of gering de verliezen ook zijn aan de ene of de andere kant.

    Op de vraag waarom Hamas zijn militaire installaties in het midden van de bewoonde gebieden situeert, antwoordde diezelfde woordvoerder van de protesterende artsen opvallend dat ‘men niet anders kon’: er zijn in Gaza geen niet-bewoonde gebieden. Dat is natuurlijk onjuist; het is duidelijk dat Hamas zijn wapens, opslagplaatsen en commandoposten niet op open plekken situeert omdat ze anders een nog gemakkelijker doelwit vormen voor Israël. Men zou dus kunnen antwoorden dat als Israël die wapens wil uitschakelen, ze niet ‘anders kunnen’ dan bewoonde gebieden raken, en dus ook onschuldige omstanders raken. De beide redeneringen zijn echter al te cynisch, en zouden nooit aangewend mogen worden om enige actie te rechtvaardigen.

    Ik weet dus niet welke kant te kiezen in dit conflict. Ik gruw van het geweld en het menselijk leed is ontstellend. Maar ik kan me niet scharen achter protestbewegingen ten gunste van Hamas, noch achter steunbetuigingen voor Israël. Enkel een absolute veroordeling van het geweld in de regio en een oproep tot blijvende vrede is een ethisch aanvaardbare houding. Het is echter een opvatting die weinigen delen: men laat zich leiden door sterke emoties ten gunste van de enen of tegen de anderen. Die emoties zijn terecht, maar ze zijn ook de aanleiding en de reden voor het conflict. Als men dieper nadenkt, moet men uiteindelijk gaan inzien dat het al dan niet vermeend onrecht niet ongedaan gemaakt wordt door nog meer onrecht, dat de doden niet tot leven komen door nog meer mensen te doden. Misschien is dat wel wat die mysterieuze tekst in het evangelie betekent: ‘laat de doden hun doden begraven’ (Matteüs 8, 21-22 en Lukas 9, 59-60).

    Wanneer we elke gekidnapte, gewonde, of dode aan onze eigen kant moeten wreken, hebben we nooit gedaan, en blijft het geweld in de wereld. Enkel wanneer we dat inzien, kan er een nieuw begin gemaakt worden en kan er een proces op gang komen dat uiteindelijk moet leiden tot een billijke en blijvende vrede. Het ziet er echter naar uit dat geen van beide partijen in dit conflict, of in de talrijke andere, bereid is ook maar één ogenblik in die richting te denken. Zij zullen dan ook ongetwijfeld nog lang hun doden begraven, en zelfs liever hun eigen mensen doden dan toe te staan dat ze, dood of levend, in de handen van de tegenstander vallen. Dat is de verbijsterende, waanzinnige logica van het geweld, die door zoveel staten en rebellen met alle middelen in stand gehouden wordt in het hart van mensen die er het eerste, maar helaas niet het enige slachtoffer van zijn. Het is voor de machthebbers een immense verantwoordelijkheid, waar zij echter blijkbaar goedschiks mee omgaan, zoals destijds ook Hitler, Stalin, Pol Pot en anderen. Wij leren niet gemakkelijk uit de geschiedenis, die we nochtans goed kennen. En dus zijn we veroordeeld om ze te herhalen; George Santayana (1863-1952): "Those who cannot remember the past are condemned to repeat it" (uit "Life of Reason I").


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij


    Foto

    Inhoud blog
  • John Stuart Mill
  • Brief van de bisschop van Antwerpen aan de bisschop van Rome
  • Odette?
  • Onverzoenbaarheid
  • The windmills of your mind
  • Nogmaals: fatalisme en menselijke vrijheid
  • Aarschot, augustus 1914-2014
  • Pastoor Pieter-Jozef Dergent, 1870-1914
  • Yezedi's?
  • Een waanzinnige logica: de Hannibal Directive
  • ongewenst seksueel gedrag
  • Gaza: de grond van de zaak
  • Johan Braeckman, Darwins moordbekentenis
  • Vrijheid en determinisme
  • De blinde telescoop
  • Herakleitos, Alles stroomt (vert. Paul Claes)
  • Antisemitisme?
  • O'Hanlons Helden
  • Polarisatie in Vlaanderen
  • Voetbalgekte
  • Na de verkiezingen
  • Mestkevers?
  • Een eerbaar Vlaams nationalisme
  • Vlaams nationalist, ik?
  • Voor een democratisch Vlaanderen
  • Julian Barnes, The Sense of an Ending
  • Recensie: Ludo Abicht, DemocratieŽn sterven liggend.
  • Recensie: Paul Frentrop, Het jaar 1759.
  • Edward Elgar, Sea Pictures
  • De zoon van de priester
  • Verrijzenis
  • Adel
  • Mijn Spinoza-vertaling
  • Gij zult niet doden...
  • Seksualiteit: idealen en normen
  • The Oxford Handbook of Atheism
  • Hoe we overleven - Mark Rickerby
  • karabiner, musketon, volant en ruflettelint
  • Gedichtendag 2014
  • Antiklerikaal
  • verhitte internetdiscussie
  • Het kruis en de gekruisigde.
  • De seculiere samenleving - Patrick Loobuyck
  • Kweddelen!
  • Euthanasie in BelgiŽ
  • for whom the Bell tolls: exit Didier Bellens
  • De Zevende van Beethoven
  • God bewijzen - Stefan Paas en Rik Peels
  • De Verlichting als kraamkamer, Jabik Veenbaas
  • Recensie: De naakte perenboom. Op reis met Spinoza, Rudi Rotthier
  • In memoriam Luc Verbeke (1924-2013)
  • Gods dobbelstenen
  • Afwezig?
  • Rode kazuifels
  • Socialisme of sociaal-democratie?
  • Late Night Thoughts - Lewis Thomas
  • vrije universiteiten
  • slaagcijfers aan de universiteit
  • Islam, Nazisme en verdraagzaamheid
  • Mes tendres annťes
  • Caveat emptor!
  • De botten van Descartes - Russell Shorto
  • The Ends of Life - Keith Thomas
  • Goed en kwaad
  • Rebellen - Anne Morelli (red.)
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein
  • Topprestaties, onbehagen en liefde
  • Marius Engelbrecht, De onttovering van de waanzin
  • Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
  • meikever
  • Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
  • Pascal Smet of Pieter Wispelwey?
  • Herbetovering van de wereld - Michael LŲwy
  • de utopie van Martin Buber
  • Radicale secularisatie?
  • Economisch nationalisme - Olivier Boehme
  • Kerk en staat
  • bij een overlijden: Macbeth
  • Jacques Brel
  • Goudhaantje
  • ik en de anderen
  • het ruimere perspectief
  • haptonomie, hapschaar
  • Desiderata - Max Ehrmann
  • Crisis
  • Onze waarden? Of toch niet...
  • Democratie in BelgiŽ en in Vlaanderen
  • De eenden zijn terug!
  • Grootschaligheid
  • Sjostakovitsj' Lady Macbeth
  • carnaval
  • Liegen - Sam Harris
  • Verbeter je brein - Reinhoud de Jong
  • Gedichtendag 2013
  • De hulpelozen van de macht - Jean-Pierre Rondas
  • binaire klok
  • Aforisme
  • Sneeuw
  • standvogel
  • Spelen
  • het Belgisch koningshuis
  • keuzes maken
  • De avonden
  • In den beginne...
  • Zwart Vlaanderen volgens Lode Wils en Eric Defoort
  • Barbaren!
  • Spijt
  • God is niets omdat hij alles is (C. Verhoeven)
  • de niet zo schijnbare paradox
  • forum
  • Bevrijd van de dwang van de media
  • Het opgeheven vingertje
  • media-asiel
  • Een links complot?
  • seks
  • Is er dan een probleem?
  • Morgen gaan we stemmen!
  • Kwaad
  • Lees- en gespreksdag in Werchter
  • Vrijheid van mening
  • Dank je wel, Mr. Darwin!
  • het relatieve belang van de islam
  • Dichtbundel David Verstreken
  • N-VA racistisch?
  • N-VA extreemrechts?
  • Ian Robertson, Het winnaareffect
  • sanitaire stop
  • Champions League
  • Getuigen van Jehova
  • Het grote misverstand, nog steeds en alweer
  • blog writer's block
  • Olympisch goud
  • Levende wezens, dode materie
  • Onrust
  • Olympische spelen
  • de kogel is door de kerk, of net niet?
  • De goden. Cicero, De natura deorum
  • Voltaire, Satires, Les SystŤmes
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Ode aan Spinoza
  • koppiekoppie!
  • Uriel da Costa: bibliografie
  • Uriel da Costa's Testament in Nederlandse vertaling
  • Uriel da Costa, Een mensenleven als voorbeeld
  • Geluk in ruimer perspectief
  • pareidolia
  • Fluisterend atheÔsme
  • elk muntstuk heeft twee kanten
  • Goethe's Harzreise im Winter - Brahms' Alt-rapsodie
  • De receptie van Spinoza
  • Spinoza's Korte Verhandeling eenmaal, andermaal
  • nogmaals: 300.000
  • de begrafenis van God: Herman Philipse over godsdienstfilosofie
  • 300.000
  • de legende van UriŽl da Costa
  • vriendschap kent geen grenzen
  • de reisduif en de huismus
  • het grote misverstand
  • Een oude nieuwe Spinoza
  • De derde weg
  • Consequent?
  • geld
  • Seks als oorlog
  • de vogelen des hemels en de leliŽn in het veld
  • Nescio: wat Spinoza niet wist
  • Liefde
  • Gastgedicht: Ik weet niet waarom
  • Verrijzen
  • Goede Vrijdag
  • Koekoek!
  • Topsport?
  • The law is a ass! Quatsch in de rechtzaal
  • Gebed voor Vlaanderen
  • Lentekriebels
  • Niet alleen op de wereld
  • Nogmaals: de dobbelstenen!
  • Oorzaak en gevolg
  • Schijnheilig? Niet echt...
  • een eenvoudige gedachte
  • Sierre 14 maart 2012
  • Additions aux Pensťes philosophiques, Denis Diderot
  • dobbelen
  • Abnormaal?
  • telegeleid
  • Pensťes Philosophiques 1-12, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 13-20, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 21-49, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 50-62, Denis Diderot
  • d'Holbach's Coterie, Alan Charles Kors
  • schrik niet: annťe bissextile!
  • Jonathan I. Israel, Democratic Enlightenment
  • Vita brevis
  • een steen verleggen in een rivier
  • puntdichten voor Vader
  • Eitjes en zaadjes
  • Spinoza's Theologisch-politiek tractaat
  • Openbaring zonder God?
  • Salaris
  • Mens sana in corpore sano?
  • Jozua en de stilstaande zon


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!