NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Foto
Over mijzelf
Ik ben Karel D'huyvetters
Ik ben een man en woon in Werchter (Vlaams-Brabant, BelgiŽ) en mijn beroep is gepensioneerd universiteitsambtenaar.
Ik ben geboren op 16/01/1946 en ben nu dus 68 jaar jong.
Mijn hobby's zijn: cultuur, literatuur, muziek, klokken, astronomie en tijdrekening, etymologie, koken, talen, levensopvatting, typografie en drukkunst, poŽzie, kruiden, boeken, internet.
Mijn blog is mijn hobby, mijn uitlaatklep, mijn blik op de wereld, mijn intellectuele uitdaging, mijn contact met de buitenwereld. Ik hoop dat mijn lezers er ook iets aan hebben.
Categorieën
  • etymologie (69)
  • ex libris (32)
  • God of geen god? (124)
  • historisch (26)
  • kunst (1)
  • levensbeschouwing (162)
  • literatuur (21)
  • muziek (61)
  • natuur (5)
  • poŽzie (62)
  • samenleving (163)
  • spreekwoorden (10)
  • tijd (10)
  • wetenschap (42)
  • stuur me een e-mail

    Druk op de knop om mij te e-mailen. Als het niet lukt, gebruik dan mijn adres in de hoofding van mijn blog.

    Zoeken in blog

    Blog als favoriet !
    interessante sites
  • Spinoza in Vlaanderen
  • de blog van Lut
  • Jacques' verdichtsels
  • Edge
  • The Secular Web
  • Vladimir Nabokov
  • Investigating Atheism
  • tweedehandse boeken
    Archief per maand
  • 04-2014
  • 03-2014
  • 02-2014
  • 01-2014
  • 12-2013
  • 11-2013
  • 10-2013
  • 09-2013
  • 08-2013
  • 07-2013
  • 06-2013
  • 05-2013
  • 04-2013
  • 03-2013
  • 02-2013
  • 01-2013
  • 12-2012
  • 11-2012
  • 10-2012
  • 09-2012
  • 08-2012
  • 07-2012
  • 06-2012
  • 05-2012
  • 04-2012
  • 03-2012
  • 02-2012
  • 01-2012
  • 12-2011
  • 11-2011
  • 10-2011
  • 09-2011
  • 08-2011
  • 07-2011
  • 06-2011
  • 05-2011
  • 04-2011
  • 03-2011
  • 02-2011
  • 01-2011
  • 12-2010
  • 11-2010
  • 10-2010
  • 09-2010
  • 08-2010
  • 07-2010
  • 06-2010
  • 05-2010
  • 04-2010
  • 03-2010
  • 02-2010
  • 01-2010
  • 12-2009
  • 11-2009
  • 10-2009
  • 09-2009
  • 08-2009
  • 07-2009
  • 06-2009
  • 05-2009
  • 04-2009
  • 03-2009
  • 02-2009
  • 01-2009
  • 12-2008
  • 11-2008
  • 10-2008
  • 09-2008
  • 08-2008
  • 07-2008
  • 06-2008
  • 05-2008
  • 04-2008
  • 03-2008
  • 02-2008
  • 01-2008
  • 12-2007
  • 11-2007
  • 10-2007
  • 09-2007
  • 08-2007
  • 07-2007
  • 06-2007
  • 05-2007
  • 04-2007
  • 03-2007
  • 02-2007
  • 01-2007
  • 12-2006
  • 11-2006
  • 10-2006
  • 09-2006
  • 08-2006
  • 07-2006
  • 06-2006
  • 05-2006
  • 04-2006
  • 03-2006
  • 02-2006
  • 01-2006
    Kroniek
    mijn blik op de wereld vanaf 60
    Welkom op mijn blog, mijn eigen website en dank voor je bezoek. Ik hoop dat je iets vindt naar je zin.
    Elke week zijn er nieuwe berichten, dus kom nog eens terug?
    Misschien kan je mijn blog-adres doorgeven aan geÔnteresseerde vrienden en kennissen, waarvoor dank.
    Hieronder vind je de tien meest recente bijdragen. De jongste 200 kan je aanklikken in de lijst aan de rechterkant; in het overzicht per maand, hier links, vind je ze allemaal, al meer dan 1000! De lijst van de categorieŽn bevat enkel de meest recente teksten; klik twee maal op het pijltje naar links onderaan voor nog meer teksten in dezelfde categorie.
    Als je een tekst wil gebruiken, hou dan rekening met de bepalingen van de auteurswet van 1994 en vraag me om toelating.
    Bedenkingen? Stuur me een mailtje: karel.d.huyvetters@telenet.be
    20-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Verrijzenis

    1 Korintiërs 15,1-58

    De opstanding van de doden

    1 Broeders en zusters, ik herinner u aan het evangelie dat ik u verkondigd heb, dat u ook hebt aangenomen, dat uw fundament is 2 en uw redding, als u tenminste vasthoudt aan de boodschap die ik u verkondigd heb. Anders bent u tevergeefs tot geloof gekomen. 3 Het belangrijkste dat ik u heb doorgegeven, heb ik op mijn beurt ook weer ontvangen: dat Christus voor onze zonden is gestorven, zoals in de Schriften staat, 4 dat hij is begraven en op de derde dag is opgewekt, zoals in de Schriften staat, 5 en dat hij is verschenen aan Kefas en vervolgens aan de twaalf leerlingen. 6 Daarna is hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders en zusters tegelijk, van wie er enkelen gestorven zijn, maar de meesten nu nog leven. 7 Vervolgens is hij aan Jakobus verschenen en daarna aan alle apostelen. 8 Pas op het laatst is hij ook aan mij verschenen, aan het misbaksel dat ik was. 9 Want ik ben de minste van de apostelen, ik ben de naam apostel niet waard omdat ik Gods gemeente heb vervolgd. 10 Alleen dankzij zijn genade ben ik wat ik ben. En zijn genade is bij mij niet zonder uitwerking gebleven. Integendeel, ik heb harder gezwoegd dan alle andere apostelen, niet op eigen kracht maar dankzij Gods genade. 11 Hoe dan ook, of zij het nu zijn of ik, wij verkondigen allemaal dezelfde boodschap, en door die boodschap bent u tot geloof gekomen.

    12 Maar wanneer nu over Christus wordt verkondigd dat hij uit de dood is opgewekt, hoe kunnen sommigen van u dan zeggen dat de doden niet zullen opstaan? 13 Als de doden niet opstaan, is ook Christus niet opgewekt; 14 en als Christus niet is opgewekt, is onze verkondiging zonder inhoud en uw geloof zinloos. 15 Dan blijkt dat wij als getuigen van God over hem hebben gelogen, omdat we verklaard hebben dat hij Christus heeft opgewekt – want als er geen doden worden opgewekt, dan kan hij dat niet hebben gedaan. 16 Wanneer de doden niet worden opgewekt, is ook Christus niet opgewekt. 17 Maar als Christus niet is opgewekt, is uw geloof nutteloos, bent u nog een gevangene van uw zonden 18 en worden de doden die Christus toebehoren niet gered. 19 Als wij alleen voor dit leven op Christus hopen, zijn wij de beklagenswaardigste mensen die er zijn.

    20 Maar Christus is werkelijk uit de dood opgewekt, als de eerste van de gestorvenen. 21 Zoals de dood er is gekomen door een mens, zo is ook de opstanding uit de dood er gekomen door een mens. 22 Zoals wij door Adam allen sterven, zo zullen wij door Christus allen levend worden gemaakt. 23 Maar ieder op de voor hem bepaalde tijd: Christus als eerste en daarna, wanneer hij komt, zij die hem toebehoren. 24 En dan komt het einde en draagt hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en elke macht en kracht vernietigd heeft. 25 Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd’. 26 De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, 27 want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.’ Wanneer er ‘alles’ staat, is dat natuurlijk uitgezonderd degene die alles aan hem onderwerpt. 28 En op het moment dat alles aan hem onderworpen is, zal de Zoon zichzelf onderwerpen aan hem die alles aan hem onderworpen heeft, opdat God over alles en allen zal regeren.

    Dat we vandaag even stilstaan, gelovigen en ongelovigen, bij deze tekst van Paulus, is passend en nuttig. Want duidelijker kan Paulus de kern van de christelijke boodschap niet verwoorden: Christus is werkelijk verrezen, daarvan hebben we overvloedige en betrouwbare getuigenissen. We kunnen er dus zeker van zijn. Meer nog: als hij niet verrezen is, dan heeft het geloof helemaal geen zin. Maar hij is verrezen, en daarom zullen ook wij verrijzen, als wij hem toebehoren.

    En toch is die verrijzenis voor christenen zowel als voor ongelovigen een steen des aanstoots. De getuigenissen die Paulus opsomt, overtuigen niemand. Verrijzen uit de doden, weer levend worden, hoe men het ook draait of keert, is vreemd aan het leven. Alle nieuw leven ontstaat uit bestaand leven door de voortplanting; wij geven het leven door aan onze nakomelingen. Maar iedereen sterft, vroeg of laat, en dat is definitief. Dat is wat we ervaren, en er is geen enkele betrouwbare aanwijzing of zelfs maar een vermoeden dat het anders zou kunnen zijn.

    In zijn antwoord op de brief van 16 december 1675 van zijn vriend Henry Oldenburg, schrijft Spinoza op 1 januari 1676:

    Hoogedele Heer,

    Eindelijk zie ik wat het was dat je me vroeg niet openbaar te maken, maar aangezien net dat het belangrijkste fundament is van al wat in de Verhandeling voorkomt die ik voor publicatie bestemd had, wil ik hier in het kort uitleggen in welke zin ik de onvermijdelijke noodzakelijkheid van alle dingen en alle gebeurtenissen wel bedoel. Want ik maak God helemaal niet ondergeschikt aan het lot, maar in mijn opvatting volgt alles met onvermijdelijke noodzaak op dezelfde manier uit de natuur van God, als iedereen ook meent dat het uit de natuur van God voortvloeit dat hij zichzelf verstaat; absoluut niemand zal ontkennen dat dit noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de natuur van God, en toch meent niemand dat God door een of ander noodlot gedwongen, maar integendeel geheel en gans vrij, en toch noodzakelijkerwijs zichzelf verstaat.

    Vervolgens: deze onvermijdelijke noodzaak van de dingen heft noch de goddelijke noch de menselijke wetten op. Want of de morele voorschriften nu de vorm van een wet of van een recht krijgen van God zelf of niet, ze zijn hoe dan ook goddelijk en heilzaam; en als we het goede dat voortvloeit uit de goddelijke kracht en liefde van God als rechter aanvaarden, of dat het voortkomt uit de noodzakelijkheid van de Goddelijke natuur, het zal daarom niet meer of minder begerenswaardig zijn; zo is ook al het onheil dat voortvloeit uit slechte praktijken en gedachten net daardoor niet minder te vrezen omdat het noodzakelijkerwijs daaruit voortvloeit; en ten slotte: of we dat wat we doen noodzakelijkerwijs doen of zomaar, we worden hoe dan ook geleid door hoop en vrees.

    En dan: de mensen zijn voor God enkel daarom geen verantwoording verschuldigd, omdat zij in de macht van God zelf zijn, zoals klei in de macht van de pottendraaier die uit dezelfde massa potten maakt, waarvan de ene hem tot eer strekken, de andere tot schande. Als je daaraan ook maar enigszins aandacht wil schenken, dan twijfel ik er niet aan dat je met weinig moeite zal kunnen antwoorden op al de opwerpingen die men gewoonlijk tegen deze opvatting inbrengt, zoals heel wat mensen net zoals ik al ervaren hebben.

    Mirakelen en onwetendheid heb ik als gelijklopend beschouwd, omdat zij die het bestaan van God en de Godsdienst proberen te bewijzen met mirakelen, een duistere zaak willen aantonen met een nog meer duistere, die ze helemaal niet kennen; daarmee voeren ze een nieuw soort redenering in, en vervallen daarmee niet in een bewijs uit het onmogelijke, zoals men zegt, maar uit het ongerijmde. Overigens heb ik, als ik me niet vergis, mijn opvatting over mirakelen al voldoende uiteengezet in de Theologisch-staatkundige verhandeling. Ik voeg daaraan hier slechts dit toe: als je er rekening mee houdt dat Christus inderdaad niet aan de Senaat, noch aan Pilatus, noch aan iemand van de ongelovigen, doch enkel aan de heiligen is verschenen, en dat God noch een rechter- noch een linkerzijde heeft, en niet op één plaats is, maar essentieel overal is, en dat de materie overal eender is, en dat God zich niet vertoont buiten de Wereld in een denkbeeldige ruimte die men heeft verzonnen, en ten slotte dat het menselijk gestel alleen maar binnen zijn voegen gehouden wordt door de luchtdruk, dan zal je gemakkelijk inzien dat die verschijning van Christus niet verschilt van die waarmee God aan Abraham verscheen, toen die daar mensen zag die hij uitnodigde om met hem de maaltijd te gebruiken. Maar je zal zeggen: al de Apostelen hebben helemaal geloofd dat Christus uit de dood is verrezen, en werkelijk ten hemel is opgestegen: en dat ontken ik niet. Want Abraham geloofde ook zelf dat God met hem de maaltijd gebruikt had, en al de Israëlieten geloofden dat God, gehuld in vuur, uit de hemel is nedergedaald op de berg Sinaï, en rechtstreeks tot hen gesproken heeft; en dat terwijl deze en andere soortgelijke zaken verschijningen of openbaringen waren, aangepast aan het bevattingsvermogen en de opvattingen van die mensen, waarmee God zijn gedachten aan hen wou openbaren. Ik kom dan ook tot de conclusie dat de verrijzenis uit de dood van Christus in werkelijkheid naar de geest geweest is, en enkel aan gelovigen geopenbaard is naar hun bevattingsvermogen, namelijk dat Christus met eeuwigheid begiftigd werd en uit de doden is opgestaan (doden bedoel ik hier in dezelfde zin als toen Christus zei: Dat de doden hun doden begraven) en ook dat hij door zijn leven en dood een voorbeeld heeft gesteld van uitzonderlijke heiligheid, en in die zin zijn volgelingen uit de dood opwekt, naarmate ze dit voorbeeld van zijn leven en dood navolgen. En het zou niet moeilijk zijn om heel het Evangelie uit te leggen volgens deze hypothese. Immers, hoofdstuk 15 van I Korintiërs kan alleen maar vanuit deze hypothese verklaard worden, en de argumenten van Paulus zijn alleen zo begrijpelijk, terwijl ze anders, wanneer men de gebruikelijke hypothese volgt, gebrekkig blijken te zijn en moeiteloos weerlegd kunnen worden. En dan heb ik het niet eens over het feit dat de Christenen al wat de Joden lichamelijk opvatten naar de geest uitleggen. Met jou stel ik de menselijke domheid vast. Laat me toe je op mijn beurt dit te vragen: bezitten wij povere mensen zoveel kennis van de Natuur, dat wij kunnen uitmaken hoever haar kracht en haar macht reikt, en wat haar kracht te boven gaat? Aangezien niemand dit zonder aanmatiging kan beweren, mag men dus zonder grootspraak mirakelen zoveel mogelijk verklaren door natuurlijke oorzaken, en wat we niet kunnen uitleggen, noch bewijzen, daarover moeten we maar beter ons oordeel opschorten, en de Godsdienst zoals ik zei enkel onderbouwen met de wijsheid van de Leer. Ten slotte: jij meent dat er passages zijn in het Evangelie van Johannes en in de Hebreeënbrief die in tegenspraak zijn met wat ik heb gezegd; dat komt doordat jij uitdrukkingen uit oosterse Talen beoordeelt naar het Europese taalgebruik. Hoewel Johannes zijn Evangelie in het Grieks schreef, dacht hij als jood. Wat daar ook van zij, geloof je misschien dat wanneer de Schrift zegt dat God zich in een Wolk heeft vertoond, of dat hij in het Tabernakel of in de Tempel aanwezig was, God zelf de natuur heeft aangenomen van een Wolk, of van het Tabernakel of van een tempel? En dit is nochtans het hoogste dat Christus over zichzelf heeft gezegd, namelijk dat hij de Tempel Gods was, ongetwijfeld omdat, zoals ik in mijn eerdere brief schreef, God zichzelf het allermeest heeft vertoond in Christus, en om dat nog beter te kennen te geven heeft Johannes gezegd dat het woord vlees is geworden. Maar genoeg daarover.

     

    Op 7 februari 1667 komt hij daarop nog eens terug:

    Overigens neem ik samen met u de passie, dood en begrafenis van Christus letterlijk op, maar zijn verrijzenis allegorisch. Ik geef wel toe dat ook die door de evangelisten onder omstandigheden verhaald wordt die maken dat wij niet kunnen ontkennen dat de evangelisten zelf geloofd hebben dat het lichaam van Christus verrezen is en ten hemel is opgestegen, om aan de rechterhand van God te zetelen; en dat dit ook zichtbaar zou geweest zijn voor ongelovigen, indien ze eveneens aanwezig zouden geweest zijn op die plaatsen waar Christus zelf aan de leerlingen verscheen; maar daarin kunnen zij zich vergist hebben, zonder afbreuk te doen aan de leer van het evangelie, zoals ook andere profeten overkwam, waarvan ik in mijn voorgaande brief voorbeelden aanhaalde. Paulus echter, aan wie Christus later ook verscheen, beroemt zich erop dat hij Christus heeft gekend, niet volgens het vlees, maar volgens de geest.

    Wij stellen vast dat er een wereld van verschil is tussen de letterlijke tekst van Paulus, zoals de christenen die overgeleverd hebben, waarin sprake is van echte ooggetuigen, die de werkelijke en onmisbare grond zijn voor het geloof in de verrijzenis, en een andere, meer allegorische of spirituele uitleg. Het lijkt me, zoals ook Spinoza meent, onmogelijk om die twee op een zinvolle manier te verzoenen. Feiten die in strijd zijn met de natuurwetten kan men enkel symbolisch opvatten.

    Verre van de waarde van symbolen te ontkennen, meen ik toch dat aan dergelijk allegorisch denken een sluipend maar zeer reëel gevaar verbonden is. Mensen zijn immers geneigd om in hun taal de grenzen tussen werkelijkheid en verbeelding te laten vervagen. In de verheven rituele taal spreekt men over gebeurtenissen en ideeën alsof ze reëel zijn. De Bijbel is daarvan een schoolvoorbeeld waarmee wij allen vertrouwd zijn, of waren. Spinoza waarschuwt daarvoor: we moeten de beeldende taal goed lezen, met inachtneming van de normen en gebruiken die voor die manier van spreken en schrijven gelden. Het is een zware vergissing om de beelden van de Bijbel voor werkelijkheid te nemen, zoals het een dwaasheid is om andere verhalen of poëzie te lezen alsof het geschiedschrijving is, of een positief-wetenschappelijke beschrijving van de werkelijkheid. Men moet met gepaste schroom en goede begeleiding op zoek gaan naar de diepere betekenis die schuilgaat onder de beelden. Pas dan kunnen we recht laten wedervaren aan de zin of onzin van dergelijke teksten.

    De Bijbel, zowel het Oude als het Nieuwe Testament, spreekt voortdurend over God in de meest persoonlijke en emotionele bewoordingen die men zich kan indenken. God wordt dan een werkelijk bestaande persoon, die verantwoordelijk is voor alles wat gebeurt en voor al wat is. Al het goede dat ons overkomt, is een geschenk van God, dat hij ons gunt vanuit zijn oneindige liefde voor ons. Zelfs het kwaad dat wij ondervinden is goed voor ons, al zien we dat niet meteen in. We moeten een houding aannemen waarbij we onvoorwaardelijk op God vertrouwen, zodat we in alle omstandigheden het leven aankunnen. Er is immers iemand die het goed voor heeft met ons en die ons nooit in de steek zal laten.

    Wanneer iemand meent dat er een wezen of kracht is die verantwoordelijk is voor al het kwaad dat hem of haar overkomt, noemt men dat een psychische afwijking of stoornis, achtervolgingswaan of paranoia. Zo iemand leeft in voortdurende angst voor wat gaat komen. Het is een vreselijke marteling, waartegen niemand bestand is. Niet zelden leidt zoiets in extreme vormen tot zelfdoding.

    Godsdienstwaan kan men daarmee wel degelijk vergelijken. Ook hier gaat men ervan uit dat er iemand is, God namelijk, die alles in de hand houdt en alles aanstuurt, die bedoelingen heeft met ons die wij nauwelijks kunnen doorgronden, en tegenover wie men volkomen machteloos staat. In beide gevallen gaat het erom dat men ten onrechte denkt dat er een externe kracht is die de wereld en ons leven aanstuurt, terwijl dat helemaal niet het geval is. Net zoals er geen kwaadwillige persoon is die de paranoia-patiënt achtervolgt, is er geen welwillende persoon of God die de gelovige overlaadt met weldaden.

    Men zou kunnen stellen, en dat is precies wat de godsdienst doet, dat in tegenstelling tot de paranoia het geloof een weldaad is, meer nog, de bevrijdende redding uit de paranoia die ons bedreigt. Wie een gelovige, vertrouwende houding aanneemt tegenover zijn God, vindt daarin troost, rust, zekerheid, zaligheid. Zelfs als die God niet zou bestaan, is godsdienst de totale preventie en de ultieme therapie. Dat is echter niet wat men vaststelt. Net zoals de paranoia leidt een blind geloof in een onbestaand wezen immers tot vertwijfeling en angst. Hoe onwaarschijnlijker datgene is wat men moet geloven, hoe dichter men bij de fatale paranoia komt, en wat het christendom aan zijn gelovigen vraagt of eist te geloven, grenst niet zozeer aan het onmogelijke, maar overschrijdt die grens glorieus en met vlag en wimpel. Het geloof is niet rationeel, het overstijgt het rationele en gaat eraan voorbij. De rituele taal maakt hard wat in de realiteit onmogelijk en zinloos is, en vraagt dat men zich daaraan onvoorwaardelijk overgeeft.

    Dat opent vanzelfsprekend wagenwijd de poorten naar misbruik door sluwe of ronduit misdadige personen en instellingen. Wie zich op die manier kan verzekeren van de toewijding en de onvoorwaardelijke volgzaamheid van devote volgelingen, kan hen moeiteloos misleiden en inzetten voor het eigen voordeel. Dat is de essentie zelf van elke godsdienst: mensen maken gebruik van verhalen om andere mensen aan zich te binden en te onderwerpen, in de eerste plaats om daar zelf beter van te worden; in het beste geval zijn die misleiders ervan overtuigd dat ook de volgelingen daar beter van worden, maar dat blijkt steeds opnieuw niet essentieel te zijn, of zelfs totaal overbodig.

    Dat kan ook niet, natuurlijk, want het is nu eenmaal volkomen onmogelijk dat men mensen gelukkig zou kunnen maken door hen onwaarheden voor te houden en hen te misbruiken voor eigen gewin.

    Ook Spinoza spreekt op elke bladzijde van zijn geschriften over God. Hij heeft het dan overduidelijk niet over dezelfde God als die van het christendom. Voor hem is God het universum, alles, dus ook wijzelf. Het is een oneindig geheel, waarvan al wat is, was en zal zijn deel uitmaakt. Het is ook een ordelijk geheel, waarin alles verloopt volgens eigen wetmatigheden, waarvan niets of niemand kan afwijken. Zeker, wij kunnen niet alles doorgronden, niet als individu en wellicht ook niet als mensheid. Maar de werkelijkheid is niet chaotisch, en ze wordt evenmin aangestuurd door een boosaardig of in het andere geval welwillend wezen. Alles gebeurt binnen de dwingende natuurwetten, maar daarbinnen is oneindig veel mogelijk, ook al gebeurt maar een heel klein deeltje daarvan. Wij zijn onlosmakelijk opgenomen in dat geheel, en wij kunnen erop vertrouwen, op grond van wat wij weten over dat geheel, dat die natuurwetten nooit zullen falen, dat er nooit iets kan gebeuren dat tegen die wetmatigheden ingaat. Wanneer wij soms de indruk zouden hebben dat dit uitzonderlijk toch het geval is, dan moeten wij blijven beseffen dat het niet gaat om een mirakel of een abnormaal verschijnsel, maar om een toeval binnen de mogelijkheden die de natuurwetten toelaten.

    Dat is een zekerheid die geen enkele godsdienst kan bieden, en ze vraagt geen enkel geloof, geen enkele overgave, geen enkel offer. Het enige wat ervoor nodig is, is het diepe besef, dat elke dag in theorie en praktijk bevestigd wordt, van de onverbrekelijke eenheid en ordelijkheid van het universum.

    Op deze paasdag gaan mijn gedachten dan ook niet naar dat bizar Bijbels verhaal of naar de hele zinsverbijsterende constructie die Paulus en het christendom daaromheen verzonnen hebben, tenzij om het te relativeren en te ontkrachten. Misschien gaat daarmee enig jeugdsentiment en wat bedenkelijke folklore verloren, maar dat is een prijs die ik graag betaal voor het bevrijdend gevoel van eigen kracht en verbondenheid met het hele universum.

    De mens heeft misschien wel behoefte aan rituelen, maar wanneer die nergens op slaan en enkel nog dienen om onrechtvaardige machtsverhoudingen te bevestigen, is het beter om de oude gewaden af te leggen; lees daarover hier nog eens wat ik daarover schreef, vier jaar geleden.

    Zoals Paulus in dezelfde eerste brief aan de Korintiërs, 13.11 zegt: ‘Toen ik nog een kind was sprak ik als een kind, dacht ik als een kind, redeneerde ik als een kind. Nu ik volwassen ben heb ik al het kinderlijke achter me gelaten.’

     

     

     


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    16-04-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Adel

    Het heeft de Vorst behaagd…

    Er zijn weer adellijke titels verleend en linten uitgedeeld in het Koninkrijk België. We laten de details grootmoedig achterwege, hoewel sommige eretitels talrijke wenkbrauwen tot ongekende hoogten van verbazing hebben gedreven. Men kan voor ongeveer voor alles een ereteken krijgen, maar er bestaat maar weinig kans dat kritische stemmen op die manier beloond worden, zeker wanneer die kritiek gericht is tegen het koningshuis of de vorst, het land, zijn instellingen, of de kerk, kortom: de gevestigde macht. In feite is het dus zelfbediening van de machthebbers, gekoppeld aan de ijdelheid van de argeloze ambitieuze burger. Het resultaat is dat velen zich elk jaar opnieuw staan te verdringen om in aanmerking te komen, en géén lintje krijgen ervaren sommigen als een bittere teleurstelling en een onrechtvaardige miskenning van hun verdiensten.

    Er is in België naast die nieuwe adel ook een oude adel, waarvan de eretitels misschien verder teruggaan in de tijd, maar daarom niet anders verworven zijn dan de huidige: het waren altijd al de ambitieuze strebers en de arrivisten die zich op die manier lieten onderscheiden door angstige of sluwe koninklijke machtshebbers. Het feodale stelsel was gebouwd op de ongebreidelde machtswellust van woeste krijgsheren, gewiekste politieke kazakkeerders en ondernemers zonder enige scrupule. Het heeft geduurd tot aan de grote revoluties, in Amerika en in Frankrijk, vooraleer de adel werd afgeschaft als een erfelijk privilege met enige betekenis. België is een van de weinige landen waar men nog adellijke titels verleent.

    De adel had vroeger een eigen politiek ‘lichaam’: de senaat. Dat ziet men nu nog in Groot-Brittannië, waar men nog spreekt van the House of Lords, hoewel zelfs daar timide hervormingen traag op gang komen. Ook in België was dat traditioneel zo: de Kamer van volksvertegenwoordigers stemde de wetten, maar die moesten dan naar de Senaat voor bekrachtiging. Als die senaat een eigen samenstelling heeft, bijvoorbeeld gebaseerd op adellijke titels, dan betekent dat een inperking van de democratische macht van de volksvertegenwoordigers. Als die senaat samengesteld is uit democratisch verkozenen van dezelfde partijen als in de kamer, dan heeft een senaat politiek geen zin meer: een partij gaat vanzelfsprekend geen ander standpunt innemen in de senaat dan in de kamer. Een bijzonder geval doet zich voor wanneer de verkiezingen voor de senaat een andere meerderheid opleveren dan in de kamer; dan kan de oppositie in de senaat het werk vertragen of zelfs ongedaan maken van de kamer. Dat is vaak het geval in de V.S., en het levert waanzinnige scenario’s en hilarische vertoningen op: een machtig land dat zichzelf maandenlang verlamt door zijn eigen idiote wetten.

    Op een of andere manier hebben de Belgische politici uiteindelijk toch ingezien dat het bicamerisme of tweekamerstelsel in een echte democratie zinloos is. Door middel van een reeks hervormingen heeft men de senaat vleugellam gemaakt en in het zogeheten Vlinderakkoord van 2011 heeft men de senaat in feite afgeschaft als politieke instelling. Er zijn geen verkiezingen meer voor de functie van senator; de leden worden aangeduid onder de leden van de verscheidene parlementen die ons land rijk is, aangevuld met een aantal door hen (maar in feite door de partijen) gecoöpteerde leden. De functie van de nieuwe senaat is zeer beperkt: het is een vrijblijvende ontmoetingsplaats voor leden van de parlementen, waar nog uitsluitend kan gesproken worden over de staatshervorming en het koningshuis.

    Op die manier komt ook in België formeel een einde aan de rechtstreekse politieke invloed van de adel. Het was een lange weg, maar uiteindelijk hebben de democratische principes het gehaald op de antidemocratische aristocratische traditie. Dat, samen met de scheiding tussen kerk en staat, maakt een wereld van verschil met bijvoorbeeld het ‘ancien regime’, toen de adel en de clerus alle macht in handen hadden ‘onder de koning’. Helaas hebben wij in België nog steeds een hereditair koningschap: de ‘hoogste’ macht is nog steeds erfelijk, en dat is fundamenteel in strijd met alle democratische principes en zelfs met de universele rechten van de mens. En ik bedoel dat in beide richtingen: men mag niemand op die manier verheffen boven de andere burgers, maar men mag het ook niemand aandoen boven alle andere burgers verheven te zijn, dat is niet gezond.

    En dat erfelijk koningschap houdt niet alleen de erfelijke adel in stand, maar creëert zelfs een nieuwe erfelijke adel. Zo komt het dat de huidige Belgische koning een van zijn oudste en trouwste adviseurs de titel heeft verleend van graaf. We zouden dat nog kunnen vergoelijken als een aandoenlijke blijk van erkentelijkheid van een ‘jonge’ vorst jegens zijn hoogbejaarde nestor, ware het niet dat het precies om een erfelijke titel ging. Wat ook de verdiensten zijn van die nestor, en daarover valt ook wel een en ander te zeggen, zijn kinderen en verdere nakomelingen, die tot in de eeuwigheid (of tot aan de volgende revolutie of staatshervorming) in de adelstand verheven zullen blijven, hebben althans geen enkel aandeel gehad in die verdiensten, en kunnen derhalve geen aanspraak maken op een dergelijke royale erkentelijkheid.

    Erfelijke en ook persoonlijke eerbetuigingen zijn ondemocratisch; door ze toch toe te kennen creëert men een onverantwoord en dus onaanvaardbaar onderscheid tussen de wezenlijk gelijke burgers, ware het niet dat men door ze arbitrair te verlenen aan parvenu’s en nouveaux riches de waardigheid van alle betrokkenen niet zozeer benadrukt, maar volkomen belachelijk maakt.

    Karel D’huyvetters, Ridder in de Leopoldsorde (echt waar).


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    20-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Mijn Spinoza-vertaling
    Klik op de afbeelding om de link te volgen

    Eindelijk is het dan zover: mijn vertaling van Spinoza’s Tractatus Politicus is verschenen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek – Amsterdam, onder de titel Staatkundige verhandeling, uit het Latijn vertaald en toegelicht door Karel D’huyvetters. Het is een fraaie hardcover, 296 blz., met een inleiding door professor Jonathan I. Israel, en een Latijns Spinoza-gedicht van Herman Gorter, vertaald door meester-vertaler Paul Claes. Het boek is te koop in de boekhandel, € 24,95.

     


    Tags:Spinoza
    18-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gij zult niet doden...

    In de verhitte discussies over euthanasie valt het mij telkens weer op dat de ene partij erop uit is om bepaalde activiteiten te verbieden, met name het beëindigen van het leven, terwijl de andere partij het recht opeist om dat te doen. In het eerste geval resulteert dat in een wet die euthanasie verbiedt en overtreders bestraft, in het tweede geval in een wet die het toelaat, maar niemand verplicht.

    Men zou dus kunnen spreken van een patsituatie, van twee tegenstrijdige maar evenwaardige opvattingen. En dus, zeggen de tegenstanders van euthanasie, is het beter voorzichtig te zijn en geen drastische beslissingen te nemen tegen de zin in van een aanzienlijk deel van de bevolking.

    Dat het om tegenstrijdige standpunten gaat, hoeft geen betoog. Maar dat ze evenwaardig zouden zijn, is een drogredenering. De tegenstelling is immers niet tussen een verbod op euthanasie en een verplichting tot euthanasie, maar tussen het verbod op euthanasie en de mogelijkheid tot euthanasie, met andere woorden tussen onvrijheid en vrijheid. Wanneer men meent iets te moeten verbieden, bij wet nog wel, moet men daarvoor goede redenen hebben, anders moet men de vrije keuze laten.

    Wat zijn nu de dwingende redenen die de tegenstanders van euthanasie aanhalen om hun verbod te verantwoorden? Het is gemakkelijker hun de vraag te stellen dan hun een antwoord te ontlokken.

    Wanneer de futiele verbale schermutselingen achter de rug zijn, komt de kwestie hierop neer: mag een mens onder bepaalde omstandigheden een einde maken aan het leven van een andere mens, of iemand behulpzaam zijn bij het beëindigen van het eigen leven? De voorstanders zullen daarop bevestigend antwoorden, de tegenstanders vanzelfsprekend ontkennend.

    En toch zullen ook zij moeten erkennen dat dit geen algemeen geldende regel is. Zij zien bijvoorbeeld wel een aantal gevallen waarin levensbeëindiging toegelaten is. Tegenstanders van abortus en euthanasie zijn opvallend vaak voorstanders van de doodstraf, van de wettige zelfverdediging en van de rechtvaardige oorlog. En als men aandachtig bekijkt wat er gebeurt bij ‘definitieve sedatie’, zal men moeten toegeven dat het ook daar gaat om een vorm van levensbeëindiging.

    Maar zelfs indien men de ogen zou sluiten voor deze en andere belangrijke nuanceringen van het vermeende algemene verbod (gij zult niet doden), moet men de vraag stellen naar de oorsprong van dat verbod. Wie heeft dat verbod uitgevaardigd? Met welk gezag? Indien men al een antwoord krijgt op die vraag, is het onbevredigend. Men doet immers een beroep op een hogere instantie waarvan het bestaan niet door iedereen erkend wordt, een schimmig wezen dat men de naam God geeft, en dat bijgevolg op geen enkel gezag aanspraak kan maken, tenzij men zich vrijwillig aan dat gezag onderwerpt. ‘Gij zult niet doden’ is geen absolute mensenwet, is dat nooit geweest en zal dat ook nooit zijn. En de God van het christendom of van welke andere godsdienst dan ook, kan niet als een gezagsargument ingeroepen worden, zeker niet in een land als ‘België’, een van de meest geseculariseerde landen ter wereld, waar minder dan vijf procent van de bevolking nog enigszins ‘gelovig’ is, als is ook dat grotendeels folklore. God is nu eenmaal geen juridisch begrip en hoort dus niet thuis in een juridische discussie.

    Het is echter eigen aan godsdiensten om van bovenuit te bepalen wat goed is, op grond van een of andere mystieke openbaring door hun godheid aan de bedienaars van haar eredienst. De moderne mens heeft zich daartegen altijd al verzet: men kan geen morele regels opstellen op grond van gezagsargumenten. Het is niet omdat ‘iemand’, zelfs een ‘hoger wezen’, zegt dat iets verkeerd of goed is, dat het ook zo is. Men kan het ook zo stellen: wij moeten niet iets willen omdat het goed is (want waarom is het goed? Op wiens woord?), neen: iets is goed omdat wij het willen. Wat wij werkelijk willen, is ook goed. Wij maken dus zelf uit wat goed en kwaad is, en wij laten dat afhangen van de goede en kwade gevolgen die iets heeft voor onszelf, in ruimer verband. En aangezien wij steeds het beste willen voor onszelf, zullen wij vanzelfsprekend altijd voor het goede kiezen.

    Dat betekent niet dat wij ons niet kunnen vergissen. Het betekent integendeel dat wij ons ook mogen vergissen, en op die manier bijleren, de enige mogelijke manier trouwens. Het is enkel door het opdoen van ervaring, door het bespreken van die ervaring met anderen, door kennis te nemen van de standpunten door de eeuwen heen, dat wij stilaan in overleg tot de beste inzichten zullen komen, althans de beste inzichten op dat ogenblik. Wij moeten de grote levensvragen immers altijd opnieuw blijven stellen, omdat de omstandigheden voortdurend ingrijpend veranderen.

    Wij zijn vertrokken van de vaststelling dat wanneer men iets bij wet wil verbieden, daarvoor wel heel zwaarwichtige redenen moeten zijn. Die redenen moeten voor iedereen duidelijk zijn, en kunnen dus niet berusten op fictieve wezens of irrationele wereldbeelden, ze moeten met andere woorden redelijk zijn. Welnu, de argumenten die de tegenstanders van euthanasie aanhalen zijn van louter godsdienstige aard: levensbeëindiging, zelfs in de vorm van medische euthanasie onder uiterst strikte voorwaarden, strookt blijkbaar niet met hun theologie, of niet met sommige interpretaties daarvan. Goed, dat kan en dat mag; niemand verplicht hen om ook maar iets te doen tegen hun wil. Maar waar halen zij het recht vandaan om anderen te verplichten te handelen tegen hun geweten, en de voorschriften na te leven van een godsdienst die zij niet belijden? Zij hebben het volste recht euthanasie te weigeren voor zichzelf. Maar zij hebben op geen enkele manier het recht om anderen hun wil op te leggen. Zij mogen hun mening te kennen geven en hun argumenten bekend maken en zo proberen mensen te overtuigen van hun gelijk. Maar daar moet het bij blijven. Men heeft niet alleen het recht om zijn mening te uiten, men heeft vooral het recht om een eigen mening te hebben, zeker wanneer men die met redelijke argumenten kan onderbouwen.

    Het bij wet opleggen van categorische verplichtingen en strenge verbodsbepalingen moet tot een strikt minimum beperkt worden. Door een onverantwoorde overdreven ijver op dat punt beperkt men de menselijke vrijheid, ons hoogste goed. Wij hebben in de loop van de geschiedenis vastgesteld tot welke aberraties dat aanleiding heeft gegeven, en hoeveel mensen het leven hebben gelaten omwille van waanzinnige ideeën van bloeddorstige dictaturen en machtsgeile godsdiensten. Wanneer er van bovenaf bevelen worden gegeven, is de mens is in staat tot verschrikkelijke dingen tegenover zijn medemens en zijn omgeving. Het is pas wanneer mensen geconfronteerd worden met hun eigen verantwoordelijkheid dat zij de juiste vragen gaan stellen en in overleg tot juiste oplossingen komen, vaak in een waaier van mogelijkheden die blinde machtshebbers niet eens konden vermoeden.

    Euthanasie, abortus, het zijn kwesties die te belangrijk zijn om ze over te laten aan de dogmatische stellingen van een godsdienstige lobby en kerkleiders zonder enig moreel gezag. Aangezien er geen algemeen geldende argumenten zijn voor een verbod, mag een democratische staat zijn burgers in die delicate levenskwesties geen verplichtingen opleggen, noch hen verbieden om in eer en geweten te handelen en hen bestraffen wanneer zij dat doen, maar moet hun integendeel de vrijheid laten van de eigen verantwoordelijkheid, de enige betrouwbare grondslag en de aanzet voor een waarlijk humane ethiek.

     


    Categorie:samenleving
    Tags:levensbeschouwing
    06-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Seksualiteit: idealen en normen

    Misschien is het maar een indruk, maar de laatste tijd horen en lezen we steeds meer berichten over seksueel geweld en misbruik. Dat gaat dan steeds gepaard met heilige verontwaardiging en een absolute veroordeling van ‘dergelijke praktijken’ in de media. Dat is vooral het geval als het gaat over seksueel misbruik van kinderen en over seksueel geweld, zoals bij ‘brutale’ verkrachtingen.

    Als ik sommige cijfers en statistieken bekijk, waarbij men dan nog rekening moet houden met het feit dat die slechts het spreekwoordelijke topje van de ijsberg weergeven, dan komt het me voor dat die verontwaardiging toch wel enigszins hypocriet is. Als het probleem werkelijk dergelijke afmetingen aanneemt, waarom doen we er dan niets aan?

    Misschien is dat gemakkelijker gezegd dan gedaan. Als we eerlijk zijn, moeten we toegeven dat mensen allerlei seksuele activiteiten ontplooien, op allerlei manieren, al dan niet met partners, al dan niet met vaste partners, al dan niet met menselijke partners. Zeker als we dat bekijken over de hele periode van een mensenleven, stellen we vast dat er een groot aantal en een grote verscheidenheid is in die activiteiten. Dat is zo voor iedereen, durf ik aan te nemen, al zullen er natuurlijk aanzienlijke persoonlijke verschillen zijn.

    Ik besluit daaruit dat de realiteit verschilt van het publieke beeld dat wij voor onszelf ophangen van onze seksualiteit. Wij veroordelen praktijken die wij zelf ook doen(in het algemeen gesproken). Het gaat met andere woorden niet op de mensheid in twee kampen te verdelen, waarbij de ene groep nooit iets doet dat ook maar enigszins afwijkt van de norm, en de andere wel. Wij zijn allemaal wel een beetje dader, al was het maar door ons stilzwijgen. En dus is onze publieke veroordeling van en onze heilige verontwaardiging bij elk seksueel ‘misdrijf’ een beetje gespeeld en bijgevolg hypocriet.

    Seksualiteit is nog steeds taboe, en dat is vreemd. Er gebeurt van alles, maar er wordt niet over gesproken. Of toch niet op een normale, volwassen manier. Seks is het onderwerp of het glijmiddel van het grootste gedeelte van de literatuur en van alle andere kunstvormen en communicatiemiddelen. Er is een seksindustrie met ontelbare vertakkingen en vormen. Wij zijn voortdurend met seksualiteit bezig, van jongs af aan tot op gezegende leeftijd. Maar we brengen onze seksuele geaardheid en ons seksueel gedrag niet in kaart, we maken er geen socio-economische analyse van. En dus weten we er in concreto niet veel over, en trekken we ook niet veel conclusies. Er zijn gedetailleerde wetten voor de meest belachelijke menselijke activiteiten, maar onze seksualiteit is op dat gebied onontgonnen terrein. Pas bij vermoedelijke of vermeende flagrante overtredingen van het fatsoen gaat iedereen steigeren, eventjes, tot de storm weer gaat liggen, en het seksuele leven weer zijn gewone gang gaat.

    Verre van mij om te pleiten voor andere morele normen op seksueel gebied. Maar ik meen dat het wel hoog tijd wordt dat we als seksueel actieve mensen wat realistischer gaan denken, dat we met andere woorden meer rekening gaan houden met wat wij werkelijk doen, en niet met wat wij denken dat we doen, of niet doen. De norm is niet het ideale beeld van de menselijke seksualiteit zoals dat bijvoorbeeld door de katholieke kerk wordt voorgehouden, waarbij men enkel binnen het huwelijk seks heeft met zijn partner, enkel gericht op de voortplanting en enkel als een beleving van de intieme en exclusieve emotionele liefdesrelatie tussen die twee mensen. Ik beweer niet dat er op zich iets verkeerd is met dat ideaal, ik zeg enkel dat het een ideaal is, niet de realiteit, en niet de norm. Misschien is het nuttig als ideaal, al heb ik daar mijn twijfels over, maar de norm kan het zeker niet zijn.

    Als een ideaal of norm al te zeer verschilt van de realiteit, zadel je de mensen op met allerlei schuldgevoelens en minderwaardigheidscomplexen. Bovendien is een onrealistisch ideaal meestal geen efficiënt middel om het gedrag te beïnvloeden, en dus moeten we ons de vraag stellen waarom uitgerekend een godsdienst een dergelijk seksueel ideaal voorhoudt. De enige zinnige uitleg is dan dat die godsdienst op die manier probeert gezag te verwerven over de gelovigen, niet om hun seksueel gedrag te veranderen (want dat lukt toch niet), maar uitsluitend om hun autoriteit te affirmeren en in stand te houden, en zo hun economische belangen veilig te stellen.

    Ik pleit evenmin voor het vergoelijken van allerlei bedenkelijke of ronduit misdadige seksuele praktijken. Seksueel misbruik is geen hoogstaande menselijke activiteit, dat is zeker. Maar er zijn gradaties, toch? Neem nu porno. Dat is er altijd al geweest en ook vandaag is dat overvloedig aanwezig, mede dank zij het internet. Ik heb me ooit laten vertellen door mensen die het konden weten dat het grootste gedeelte van het internetgebruik tijdens de werkuren aan porno gewijd is, en dat ging over een belangrijke katholieke instelling. Er is dus een algemeen gedogen van allerlei seksuele fenomenen, die men toch publiekelijk veroordeelt, bij gelegenheid althans.

    Men laat dus in de praktijk de mens veel vrijheid, zoals dat ook op veel andere punten het geval is. Om een vergelijking te maken die zeker mank loopt, maar toch relevant kan zijn: denk eens aan onze verkeersmiddelen en de manier waarop wij die gebruiken. Ook daar is er een enorme diversiteit en allerlei regels die al dan niet nageleefd worden. Er is bijvoorbeeld verkeersagressie, een verschijnsel dat iedereen wel eens meemaakt, als dader of als slachtoffer. Maar pas als het echt uit de hand loopt, komt het in het nieuws, en dan gaan we allemaal op onze achterste poten staan. Niemand stoort zich echt aan alle snelheidsbeperkingen, en dus komen er maatregelen om die normen af te dwingen. Maar ook dat doen we niet efficiënt: we controleren niet altijd en overal en bestraffen dus niet elke overtreding, hoewel we dat met genoeg elektronica perfect zouden kunnen.

    Met seksualiteit is dat laatste veel moeilijker. Het is gewoonweg niet haalbaar om alle seksuele activiteiten van de zeven miljard mensen in de gaten te houden en te beteugelen. Laten we misschien met dat feit wat meer rekening houden wanneer we nog maar eens geconfronteerd worden met een of ander opvallend seksueel verschijnsel of conflict. Als we zelfs simpele verkeersovertredingen niet kunnen uitsluiten met wetten, sensibilisatie, preventie of repressie, wat zouden we dat dan ooit kunnen met onze seksualiteit, waar we het zelfs niet eens zijn over wat een overtreding is en wat niet, en we, net als in het verkeer, overtredingen blijven begaan die we maar al te goed als dusdanig erkennen?

    Ik pleit er dus voor dat we over onze seksualiteit wat minder idealistisch en dogmatisch zijn en wat meer realistisch, niet om zo evidente misdaden goed te praten, maar om op die manier misschien een betere, meer objectieve kijk te krijgen op wat normaal is en wat het absoluut niet is. Wanneer iedereen een meer open houding aanneemt en onze seksualiteit bespreekbaar wordt tussen mensen, is er allicht minder aanleiding tot moreel verwerpelijke seksuele activiteit onder normale mensen.

     


    Categorie:samenleving
    Tags:maatschappij
    03-03-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.The Oxford Handbook of Atheism

    Sinds ik nu goed acht jaar geleden tot de vaststelling kwam dat ik een atheïst was, en dat altijd al geweest ben, zelfs sinds mijn kindertijd, heb ik me herhaaldelijk verdiept in wat atheïsme is, in zijn geschiedenis, zijn organisaties, verenigingen &c. Ik heb de uitgebreide literatuur gevolgd die er de jongste jaren ontstaan is, maar ook de vroegste bronnen nagespeurd. Toen ik dus onlangs een kanjer van een boek aantrof bij de nieuwe aanwinsten in de bibliotheek van het Hoger Instituut Wijsbegeerte in Leuven met als titel The Oxford Handbook of Atheism, was mijn aandacht meteen gewekt. Nu ik het enkele weken in huis heb, wil ik hier mijn leeservaring delen.

    Het begon al slecht. Het tweede hoofdstuk is een kritiek op het atheïsme, en dat is zo pover dat het nauwelijks te geloven is dat het een plaats kreeg in een prestigieuze publicatie als deze. Dan maar de volgende hoofdstukken aanpakken en hopen op beterschap. Dat is er niet echt van gekomen. Natuurlijk, er zijn ook betere hoofdstukken, maar ik heb er niet één gevonden dat me niet op mijn honger liet, inhoudelijk en vormelijk. Het gaat om wetenschappelijke teksten in de minder vleiende betekenis van het woord: meestal gortdroog, sterk methodisch, in een niet-geëngageerde stijl en een zakelijke, soms ronduit abstruse taal. Als je over iets schrijft, lijkt het me altijd een pluspunt als je toch enigszins achter je onderwerp staat, als er sprake is van enig enthousiasme. De talrijke auteurs van deze bundel zijn eigenlijk allemaal in hetzelfde bedje ziek. Geen een die eruit springt met een helder, uitgesproken, levendig, gedreven pleidooi. Zelfs als er hier en daar in de 750 bladzijden van dit boek pareltjes verborgen zijn, voelt de lezer zich als een ama, de Japanse parelduikster uit de kruiswoordraadsels van Lut, die zich op gevaar van eigen leven urenlang onder water moet ophouden om er één te vinden.

    Als je op zoek gaat naar atheïsten, lijkt het me een noodzakelijke voorwaarde dat je weet wat je zoekt, dat je aanneemt dat het bestaat en dat het je bedoeling is het te vinden. Ik heb me dikwijls afgevraagd of die drie essentieel lijkende voorwaarden vervuld waren bij de auteurs van dit boek. Je kan het vergelijken met iemand die een studie zou maken van het gebruik van de kleur rood in de schilderijen van Rubens. Die zou dan beginnen met een definitie van wat rood is, en vervolgens nagaan of die kleur aanwezig is in Rubens’ oeuvre, hoeveel, hoe vaak enzovoort. Maar als je rood definieert als een kleur met slechts één schakering, vrij willekeurig maar onwrikbaar vastgelegd, dan wordt het natuurlijk moeilijk: misschien heeft Rubens die ene schakering zelfs helemaal niet gebruikt. De conclusie van die studie zou dan ook zijn dat Rubens geen rood gebruikt heeft, wat niet alleen ingaat tegen het gezond verstand, maar ook vanuit strikt wetenschappelijk standpunt aanvechtbaar lijkt.

    Dat is nochtans precies wat in dit boek blijkt te gebeuren, maar dan zonder dat iemand tot de conclusie komt dat er misschien toch wel iets aan de hand is met de methode. Atheïsten lijken er niet geweest te zijn vóór (ten vroegste) de Franse Revolutie, en dan nog enkel clandestien, en enkel in (een [klein] deel van) (West-) Europa. Daarna verdwijnen zelfs die schimmige figuren helemaal van de aardbodem, tot de publicatie in 2006 van Dawkins’ The God Delusion. Zeker, er zijn verschijnselen die beschreven worden in de marge van een ‘echt’ (maar als onbestaand beschouwd) atheïsme, maar telkens vergoelijkend of verdonkeremanend. Echte atheïsten zijn zo zeldzaam als parels van anderhalve kilogram, zo lijkt het wel.

    Om terug te komen op onze vergelijking met Rubens’ rood: wanneer je vertrekt van een minder rigoureuze definitie van die kleur, sta je open voor de onbeschrijflijke rijkdom die je zelfs als leek al bij een oppervlakkige benadering van zijn schilderijen overvalt. Zo ook voor het atheïsme, dat eveneens vele schakeringen kent, en dat men, eenmaal men er een handzame en begrijpelijke definitie van heeft, bij iedereen in het oog springt die ook maar enigszins onbevangen dat onderwerp benadert. Veeleer dan te vertrekken van een strenge maar defaitistische definitie en dan enigszins ironisch vast te stellen dat daaraan geen werkelijkheid beantwoordt, kan men de werkelijkheid bevragen op een specifiek maar vrij ruim verbreid aspect, en daaraan dan de naam ‘atheïsme’ geven. Men zal dan geografisch en chronologisch talloze gevallen ontdekken van dat fundamentele aspect, die allemaal van elkaar verschillen, maar toch een absoluut gemeenschappelijk kenmerk hebben, zoals ook elke mens uniek is, maar toch absoluut een mens. Het is niet omdat iemand een arm of been ontbeert, of er gedachten op na houdt die men gewoonlijk (maar wellicht onterecht) aan Neanderthalers toeschrijft, dat men geen mens is.

    Als men dus weet wat men zoekt, moet men ook nog de bedoeling hebben het te vinden. Stel dat je iets ontdekt dat op atheïsme lijkt; dan kan je je ofwel uitsloven om aan te tonen dat het eigenlijk feitelijk strikt (‘wetenschappelijk’) gesproken misschien al bij al toch geen atheïsme kan genoemd worden, ergens voor een stuk, als het ware, of je kan je verheugen dat je ook in dit geval een vorm van atheïsme hebt aangetroffen. Van dergelijke vrolijkheid is in dit boek geen sprake. Dat kan vele redenen hebben. Misschien waren de auteurs onder de indruk van het prestigieuze van het project van Oxford University Press en hebben ze het niet aangedurfd om vrijuit te spreken; misschien heeft men niet de juiste auteurs gezocht of gevonden; misschien hebben de beide redacteurs het project teveel gestuurd in een bepaalde richting (en daardoor andere richtingen bewust of onbewust vermeden). Hoe dan ook is het resultaat teleurstellend: wie enige sympathie of zelfs maar een latente belangstelling heeft voor atheïsme zal niet enthousiast worden bij het lezen van de talrijke hoofdstukken van dit boek. Wie dat niet heeft, zal er waarschijnlijk niet aan beginnen (al zouden precies dergelijke mensen het beter wel doen). Als men dan ook nog de prijs bekijkt (€ 122), dan kan men zich afvragen wie nog zo gek zal zijn (als ik?) om dit boek te lezen.

    Af en toe besloop me de gedachte dat ik hier vooral geleerd heb wat atheïsme niet is, en wat theïsme wel is. Maar ook dat laatste is problematisch. Je kan wel een filosofische (of theologische) definitie maken van theïsme, maar daarmee heb je nog niets gezegd over godsdienst en kerk, en die lijken me essentieel voor die definitie. Wat maakt het uit dat er een definitie bestaat, indien die geen uitstaans heeft met datgene wat men wil definiëren? Het gaat om de werkelijkheid, niet om wat men daarover kan zeggen in abstracte bewoordingen. Er zijn concrete godsdienstige structuren, met daarin mensen, roerend en onroerend goed, belangen, tradities enzovoort. Dat is de essentie. En vervolgens stellen we, niet verwonderlijk, vast dat precies die mensen binnen die structuren vasthouden aan het theïsme, de gedachte dat er een God is naast, buiten of boven de wereld. Zij doen dat, zo mag men uit die merkwaardige maar nauwelijks toevallige vaststelling toch wel afleiden, niet zozeer omdat zij op filosofische grondslagen overtuigd zijn van het overweldigende belang van de theïstische opvatting, maar precies omdat zij deel uitmaken van die structuur en omdat zij voor hun zelfbehoud of welstand op een of andere manier daarvan afhankelijk zijn. Het gaat er niet om of er een God is, voor mijn part kan men daarin agnostisch zijn, het gaat erom dat sommige mensen volhouden dat er een God is, zonder daar ook maar enige steekhoudende verklaring te geven. Waarom doen zij dat dan toch? Omdat het hen voordelen oplevert van allerlei aard; anders zouden ze dat evident niet doen: aperte atheïsten zal je niet vinden binnen de kerkelijke structuren, maar des te meer daarbuiten, bijvoorbeeld, maar absoluut niet uitsluitend, binnen niet-kerkelijke structuren.

    Maar atheïsten zijn geen anders-gelovigen, zoals kerkelijken graag stellen. Wanneer men God elimineert uit de vergelijking, wordt de vergelijking plots veel gemakkelijker op te lossen. Zonder God is de werkelijkheid veel verklaarbaarder dan met. Atheïsme is geen anti-theïsme, is niet tegen God (aangezien die niet bestaat), het is werkelijk een afwezigheid van het denken in godsdienstige, kerkelijke termen en structuren. Er wordt niets in de plaats gesteld van God, er wordt alleen iets ontkend, op grond van objectieve argumenten over de relevantie van een godsdienstig discours.

    Wanneer men begint in te zien dat godsdienstige structuren louter economische structuren zijn, en niets met enig bovennatuurlijk wezen te maken hebben, maar alles met mensen van vlees en bloed, dat God een sluwe mythe is van machtsgeile profiteurs, dat theïsme dus niet het bestaan van God affirmeert, maar een economische, politieke en sociale ideologie is naast andere, komt atheïsme spontaan naar voren als gezond verstand voor het door die wereldse ‘godsdienstige’ structuren wordt verknoeid. En dan stelt men vast dat er naast de mensen die zich van de wereldse structuren van de godsdienst hebben bediend om zich in stand te houden en hun bestaan te vergemakkelijken, ook steeds mensen geweest zijn die dat bewust niet gedaan hebben.

    Is dat voldoende om atheïst genoemd te worden? Het antwoord daarop moet negatief zijn. A-theïst is niet louter niet-theïst. Een atheïst mag inderdaad niets in de plaats stellen van God, en niets in de plaats van de kerk. Dat zou pas een andere vorm van geloof zijn. Atheïsme impliceert, althans naar mijn oordeel, dat men zich niet bezondigt aan de al dan niet verholen machtswellust, de heerszucht en de eerzucht die zo kenmerkend is voor de godsdienstige structuur en ideologie. De koning vervangen door een dictatuur is geen bevrijding, maar het invoeren van de terreur. De paus en de kerk vervangen door Jones en Jonestown, of Dianetics, of door Stalinisme, Nazisme, Maoïsme enzovoort is geen oplossing. Dat kan men enkel als men zeer te kwader trouw en kwaadwillig is als ‘atheïsme’ bestempelen. Voor een atheïst mag er werkelijk niets in de plaats komen van de oude ideologieën. Men moet komen tot een maatschappij waarin dergelijke aliënerende en denigrerende structuren worden weggewerkt, en waarin de mensen worden opgevoed zonder hen te indoctrineren in wat dan ook, maar door hen te leren hoe men zindelijk kan denken, zodat men liefdevol kan samenleven.

    In geen enkel hoofdstuk van dit boek heb ik dat liefdevol samenleven van vrije mensen zelfs maar impliciet vereenzelvigd gezien met atheïsme. Dat is een ontstellende vaststelling, die ernstige vragen doet rijzen over dit volumineuze boek.

    Ik wil eindigen met twee bedenkingen over de statistieken over atheïsme die her en der in dit boek verspreid voorkomen.

    Een eerste bedenking betreft het onderscheid dat men maakt tussen atheïsten enerzijds en allerlei andere categorieën, zoals niet-religieuzen, onverschilligen, onwetenden enzovoort. Op die manier reduceert men drastisch het aantal mensen dat niet ‘echt’ atheïst is. In de USA bijvoorbeeld wordt het aantal atheïsten geschat op vier procent. Maar in de kolom daarnaast vermeldt men wel 34 % (!) ‘non-religious’. Dat zijn truken van de foor, of van luie Charel, zoals we in Vlaanderen zeggen. Op die manier houdt men misschien wel het aantal atheïsten laag (althans in de statistieken), maar enig voordeel levert dat de godsdienstigheid niet op: hun aantal blijft gelukkig schrikbarend dalen.

    Een tweede bedenking in die zin maakte ik mij bij het bekijken van de statistieken van het atheïsme per land. Zo blijkt Tsjechië bijna 100% atheïst te zijn, en Venezuela bijna 0%. Nu kan men veel aannemen binnen het kader van verscheidenheid op grond van geografische verschillen en historische omstandigheden, maar dit lijkt me al te gortig. Mensen zijn mensen, en atheïsme, net zoals godsdienstigheid, kunstzin of linkshandigheid zou altijd en overal ongeveer in dezelfde mate moeten voorkomen, ten minste als men de vraag correct stelt en als men peilt naar werkelijke overtuigingen en gedrag, en ernstig rekening houdt met culturele verschillen en historische omstandigheden.

    Toen de Sovjet-Unie uiteenviel, bleken de Russen plots weer massaal hun omgekeerd kruisteken te maken; het vermeende atheïsme van het Stalinisme had dan blijkbaar toch niet zo’n grote invloed gehad. En ja: ik ben me pas openlijk atheïst gaan noemen toen ik gepensioneerd was en tot geen enkele structuur meer behoorde.

    Ik vind het jammer dat een zo grote berg van moeite en kosten amper een muis (zij het dan qua afmetingen een buitenmaats exemplaar) gebaard heeft. Het doet vragen oprijzen over het intrinsieke belang van wetenschappelijk onderzoek in de humane wetenschappen, waar men lijkt uit te gaan van de veronderstelling dat alle onderzoek evenwaardig is, alle onderwerpen even belangrijk en alle resultaten even relevant. Dat zou hetzelfde zijn als beweren dat de evolutietheorie en Intelligent Design en creationisme, van welke godsdienstige aard ook, evenwaardig zijn. Wie het daarmee niet eens is, zal niet veel gehad hebben aan deze bespreking, en is statistisch gezien waarschijnlijk een Venezolaan.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:godsdienst, atheÔsme
    18-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Hoe we overleven - Mark Rickerby

    Hoe we overleven

     

    Als we geluk hebben,

    krijgen we een waarschuwing.

     

    Zo niet,

    is er enkel de plotse verschrikking,

    de knauw van het verscheurd zijn;

    van eraan herinnerd te worden

    dat niets permanent is,

    zelfs niet onze geliefden,

    om wie ons leven draait.

     

    Het leven is een fragiele zaak.

    Wij dansen allen

    op de rand van de afgrond,

    een duizelingwekkende klip zo hoog

    dat we niet eens de bodem zien.

     

    Een voor een

    verliezen we wie we het liefst zien

    in het duistere ravijn.

     

    Dus moeten we hen koesteren,

    onvoorwaardelijk.

    Nu.

    Vandaag.

    Op dit ogenblik.

    We zullen hen verliezen

    of zij zullen ons verliezen,

    ooit.

    Dat is zeker.

    Er is geen tijd voor gekissebis.

     

    En hen verliezen

    zal in ons hart een diepe afgrond achterlaten;

    een afgrond die we proberen te vermijden

    overdag

    en waarin we vallen, ’s nachts.

     

    Sommigen

    kunnen dat verlies niet aanvaarden,

    kunnen niet uitmaken

    wat het leven zonder hen nog waard is,

    en springen in die zwarte afgrond

    in gedachten of in het echt,

    in de hoop hen daar te vinden.

      

    En sommigen overleven

    de schok,

    de ontkenning,

    de verschrikking,

    het gesjacher,

    de barre, lege pijn,

    het onverhoord gebed,

    de slapeloze nachten

    wanneer hun adem verpletterd wordt

    onder het gewicht van de stilte

    en alles wat dat betekent.

     

    Op een of andere manier

    overleven sommigen dat alles en,

    als een bloem die opengaat na een storm,

    beginnen ze zich stilaan

    wie ze verloren hebben

    te herinneren op een andere manier…

     

    De lach,

    de onweerstaanbare geestigheid,

    het genereuze hart,

    hoe hun glimlach hen ontroerde,

    de aanmoedigingen die ze gaven

    zelfs toen hun eigen dromen

    al aan het sterven waren.

     

    En na verloop van tijd

    vullen ze die afgrond

    met andere herinneringen

    de enige herinneringen

    die er echt toe doen.

     

    We huilen nog altijd.

    Huilen zullen we altijd.

    Maar liefdevol terugblikkend

    veeleer dan wanhopig verlangend.

     

    En dat is hoe we overleven.

    Dat is hoe het verhaal hoort te eindigen.

    Dat is hoe zij zouden willen dat het was.

     

    Mark Rickerby © 1997

    Vertaling © 2014 Karel D’huyvetters, met toestemming van de auteur.


    Categorie:poŽzie
    11-02-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.karabiner, musketon, volant en ruflettelint

    Het is lang geleden, maar vandaag gaan we nog eens op verkenning in het woordenboek en in onze geschiedenis. Aanleiding is een vraag die Deepak, onze zoon, me stelde. Hij is sinds zijn peutertijd gehandicapt aan beide benen (polio) en speelt sinds jaren rolstoelbasketbal. Om zich stevig in te snoeren in zijn rolstoel – het gaat er vrij hevig aan toe in die sport – zoekt hij voortdurend naar geschikte riemen en sluitingen. Onlangs dacht hij het gevonden te hebben: een seat belt, een veiligheidsgordel zoals in een vliegtuig of de autogordel. Maar hoe die dan vastmaken aan het frame van de rolstoel? Ik dacht meteen aan een… tja, hoe heet dat ook weer? Een metalen haak die bergbeklimmers gebruiken om hun touwen vast te maken aan ringen en andere touwen. Google leverde snel een antwoord: een karabijnhaak!

    Maar waar komt dat woord vandaan? Laten we vertrekken van de karabijn. We hebben dat woord van het Frans: carabin, maar dan wordt het ietwat ingewikkeld. Het was destijds de benaming van een soldaat van de cavalerie die gewapend was met een geweer met een korte loop; een lange loop laat toe om verder en juister te schieten, maar is erg onhandig voor een ruiter en nutteloos op korte afstand. Maar waarom carabin? Het is eigenlijk een ironische overdrachtelijke betekenis, afgeleid van scarrabin, in de Middeleeuwen de naam die men gaf aan personen die gelast waren met het begraven van de lijken van pestlijders; en die benaming is dan weer afgeleid van het Latijnse scarabaeus, de scarabee, de mestkever; in het Grieks is dat karabos, een gehoornde kever of een kreeft; wellicht van kara, kop. Omdat een troep carabins een ware slachting kon aanrichten onder de vijand, kregen zij dus de naam van de middeleeuwse doodgravers. Het wapen van een carabin is dan een carabine, of een karabijn.

    Het bijzondere aan een karabijnhaak is een ingebouwde scharnier, meestal met een veer en vaak met een beveiliging, die een snelle en toch veilige bevestiging toelaat; zo konden de carabins hun karabijn met één klik aan hun zadel vastmaken. Een ander woord voor karabijnhaak is karabiner, dat we van het Duits hebben en dat we specifiek gebruiken voor het bergbeklimmen.

    Een karabijnhaak is dus niet de haak waarmee de karabijn aan de bandelier, de draag- of schouderriem werd bevestigd. Dat is een wartel, een oogbout met een draaibare schalm, een tussenstuk dat toelaat dat de bandelier onafhankelijk kan draaien van het geweer. Bandelier hebben we van het Frans bandoulier, een struikrover, afgeleid van het Spaans bandoler, letterlijk: bendelid, een bandiet dus. Die droegen hun wapens aan een schouderriem, vandaar. Ons woord bandiet komt van het Italiaans bandito en dat is iemand die verbannen is, uitgestoten, buiten de wet gesteld.

    Een musketon of een musketonhaak is geen karabijnhaak, volgens puristen. Ze zien er nogal eender uit en ze worden ook voor dezelfde doeleinden gebruikt. Wat is dan het verschil? Misschien dat bij een karabijnhaak de opening kan vergrendeld worden; of misschien dat bij een musketon er geen lipje is dat naar binnen scharniert, maar een pinnetje dat naar beneden schuift, maar zeker ben ik het niet.

    Leuk is dat een musketonhaak een gelijklopende etymologie heeft als karabijnhaak. Een musketon is eigenlijk een voorloper van de musket, die langer was en kleiner van kaliber, dus feitelijk een karabijn in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Ook de musketon bevestigde men aan een haak, aan het zadel of aan een bandelier. De oorsprong van musket en musketon is, via het Frans, het Italiaanse moschetto, de naam voor datzelfde wapen, afgeleid van moschetta of ‘mugje’, en dat was het pijltje van een kruisboog (met stalen boog).

    En dan is er nog de festonhaak, die Van Dale niet kent. Het is in feite een karabiner, maar dan een eenvoudig model, niet met een scharnierende opening, maar gewoon een doorgeknipte metalen lus, met een simpel duwmechanisme als sluiting, een beetje zoals bij een veiligheidsspeld. Men gebruikt die bijvoorbeeld om gordijnen of volants op te hangen. Een volant is een kort gordijn bovenop en bovenaan het langere gordijn om de ophanging van het gordijn te verstoppen. Een feston is een geborduurd randje aan gordijnen en ander linnen, waaraan men de festonhaak of gordijnhaak kan vastmaken zonder de stof te beschadigen of te scheuren. Denk aan ruflettelint; Rufflette is nu een merknaam, maar oorspronkelijk was het de Britse patentnaam voor het lint dat je bovenaan een gordijn naait en dat je dan kan aantrekken om fronsen of plooien te maken; een ruffle is een gefronste volant.

    Zo, dat was het. Een bont allegaartje, misschien, maar zo zie je hoe rijk onze taal is…

     


    Categorie:etymologie
    Tags:etymologie
    30-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Gedichtendag 2014

    Me verwonderen

    doe ik al lang niet meer

    over de ijzige schoonheid

    van het heelal

    en de verbluffende luister

    van de levende natuur.

     

    Ik zal nooit ophouden

    vrees ik

    me te verwonderen

    over de ontstellende wreedheid

    en de luchtige onverschilligheid

    van de mens

    jegens zijn medemens

    en de wondere natuur.

     

    Gedichtendag 2014

    © 2014 Karel D'huyvetters


    Categorie:poŽzie
    26-01-2014
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.Antiklerikaal

    Antiklerikaal: tegen de wereldlijke invloed van de geestelijkheid gericht (Van Dale).

    Dat vat het goed samen. We vertrekken van het feit dat er een klerikalisme bestaat: volgens dezelfde Van Dale is dat de strekking om aan de geestelijkheid meer macht toe te kennen dan haar rechtens toekomt. Klerikaal is dan wie de invloed van de geestelijkheid op het staatkundige voorstaat. Antiklerikaal is dus wie dat betwist en zich daartegen verzet.

    Zelfs uit de woordenboekdefinitie blijkt al dat de overdreven inmenging van de geestelijkheid, dus van de bedienaren van de eredienst en de leiding van de kerk in de samenleving, onterecht is. De twee, godsdienst en maatschappij, vallen niet samen, er is een onderscheid. Dat noemen we de scheiding van kerk en staat, een van de principes waarop de moderne staat en de democratie gebouwd zijn.

    De staat zal de godsdienst dus objectief bekijken vanuit een neutraal standpunt. Dat betekent dat een godsdienst geen geprivilegieerde plaats inneemt in het staatsbestel, noch het voorwerp mag uitmaken van discriminatie of vervolging. Godsdienstvrijheid is eveneens een erkend mensenrecht: men is vrij in de keuze van zijn godsdienst, wat ook inhoudt dat men kan kiezen om geen enkele godsdienst aan te hangen.

    Godsdiensten zijn dus voor de staat instellingen of organisaties van mensen zoals alle andere, en moeten op dezelfde manier behandeld worden. Men moet nagaan wat hun activiteiten zijn, en die beoordelen zoals men diezelfde activiteiten beoordeelt wanneer ze uitgevoerd worden door andere godsdiensten of door niet-religieuze organisaties. Het feit dat het om een godsdienst gaat, mag op geen enkele manier een voor- of een nadeel opleveren. Wanneer een godsdienst bijvoorbeeld een publieke bibliotheek opricht, gelden daarvoor dezelfde regels als wanneer een andere organisatie dat doet, bijvoorbeeld een andere ideologische zuil, of de staat (de gemeente, de provincie, de centrale overheid) zelf. De veiligheidsvoorschriften moeten uiteraard dezelfde zijn en ook alle andere vereisten moeten vervuld zijn. Hetzelfde geldt voor alle andere activiteiten waarmee een godsdienst zich inlaat. Als zij bijvoorbeeld gebouwen optrekken waarin zij bijeenkomsten houden, moeten die aan dezelfde voorschriften voldoen inzake brandveiligheid, stabiliteit, toegankelijkheid voor personen met een beperking enzovoort. Als zij zich bezighouden met liefdadigheid, gelden ook daar dezelfde regels als voor niet-kerkelijke organisaties met hetzelfde doel. Idem dito voor gezondheidszorg, bejaardenverzorging, kinderopvang, onderwijs, cultuur enzovoort.

    Wij stellen vast dat in onze contreien, en in de meeste andere, de kerken zeer actief zijn op talloze domeinen van het maatschappelijk samenleven. Voor de objectieve toeschouwer is dat zelfs de exhaustieve beschrijving van de activiteiten van een godsdienst. Het feit dat men via die activiteiten een God dient, een eredienst onderhoudt tegenover een godheid, is op zich geen essentieel kenmerk van een instelling of een organisatie, aangezien dezelfde soort van activiteiten evenzeer en evengoed kunnen georganiseerd worden door niet-religieuze organisaties. Wat is het essentiële of betekenisvolle verschil tussen een gebedsgroep en een meditatie- of gespreksgroep? Tussen een politieke meeting en een misviering? Tussen een kerkelijke huwelijksplechtigheid of begrafenis en een burgerlijke? Tussen een katholieke, protestantse, joodse of islam-school voor algemeen onderwijs en een niet-religieuze?

    Wat doet een godsdienst meer dan andere organisaties? Als ze het anders doen, waarin is het verschil dan gelegen? Doen ze het altijd beter? Het evidente antwoord op die vragen leidt tot deze vraag: waarom moeten zij dan zo nodig een geprivilegieerde positie innemen?

    Wanneer wij de functie en de taken van de bedienaars van de eredienst zakelijk bekijken, dan stellen wij vast dat die in de praktijk niet verschillen van de taken die in de samenleving ook waargenomen worden door andere personen. Dat geldt ook voor de zogenaamde rituelen, die in de kerken traditioneel voorbehouden waren voor de bedienaars van de eredienst. Ook leken kunnen dopen, de communie uitreiken, de woorddienst waarnemen, begrafenissen leiden, catechese geven enzovoort. Er zijn uitzonderingen, maar die liggen zwaar onder vuur. Zo kan alleen een priester de eucharistie uitvoeren, dat wil zeggen de woorden uitspreken die het brood en de wijn veranderen in het lichaam en bloed van de Christus. Maar het is geen geheim dat men wel eens hosties uitreikt die niet gewijd zijn, als men bijvoorbeeld door de voorraad van geconsacreerde heen is: niemand die het verschil ziet, en het is de intentie die telt. Er zijn ‘misvieringen’ met diakens waarin de woorden van de consecratie niet letterlijk uitgesproken worden maar subtiel geparafraseerd. Geen mens die het verschil ziet. De biecht, een ander privilegie van de priester, is zo goed als afgeschaft net zoals de ziekenzalving. En priesterwijdingen, die alleen bisschoppen geldig kunnen doen, komen ook al bijna niet meer voor.

    Overigens zijn al die handelingen alleen binnen de betrokken godsdienst zelf van uitzonderlijk belang, voor de staat mogen ze geen verschil uitmaken. Brood en wijn zijn voor de staat brood en wijn, ook na de consecratie, en vallen dan bijvoorbeeld onder de veiligheidsvoorschriften voor voedsel. De biecht en andere consultaties met priesters zijn vergelijkbaar met andere soorten van sociale en psychologische begeleiding. Met andere woorden, de handelingen die binnen een godsdienst heilig zijn, een sacraal karakter hebben, zijn dat voor de staat niet, en worden enkel beoordeeld op hun uiterlijke tekenen. Voor de staat is een godsdienst een maatschappelijk verschijnsel als een ander, dat men objectief en zakelijk bekijkt en behandelt.

    Of zo zou het moeten zijn. Er is in Vlaanderen en in andere gebieden waar het christendom tot voor kort welig tierde al veel veranderd op dat punt, maar toch blijft het christendom genieten van heel wat ontzag, eerbied, en voorkeursbehandelingen, ook door de staat. En dat ondanks de vele schandalen die vooral binnen de katholieke kerk naar buiten gebracht worden, en waaruit ten overvloede blijkt dat de kerk inderdaad een organisatie is van mensen, met al hun gaven en gebreken. Godsdiensten zijn niet beter dan andere organisaties, en vaak zijn ze zelfs veel slechter.

    Wij kunnen dus vaststellen en erkennen dat godsdiensten zich bij een objectieve benadering niet onderscheiden van andere menselijke activiteiten. Dat zij een beroep doen op het bestaan van een godheid levert hen geen intrinsiek voordeel op. In feite kon er evengoed geen God zijn. Etsi Deus non daretur: de katholieke kerk bijvoorbeeld zal evengoed functioneren als God niet bestaat. Het bewijs daarvan ligt eenvoudig hierin: God bestaat inderdaad niet, heeft nooit bestaan, behalve in de verbeelding van wie erin gelooft. Er zijn geen bewijzen of objectieve aanduidingen voor het bestaan van een God zoals het christendom die claimt. En toch heeft die godsdienst een fenomenale geschiedenis achter de rug, en is hij nog steeds een miljardenconcern.

    Godsdiensten onderscheiden zich echter wel op een uiterst belangrijk punt van onze moderne staten: zij zijn niet democratisch. In feite kan men zelfs stellen dat daarmee een scheidingslijn wordt getrokken tussen alle menselijke organisaties en samenlevingsvormen: ofwel zijn ze democratisch of wel zijn ze dat niet. Als ze democratisch zijn, zijn het geen godsdiensten. Als ze niet democratisch zijn, zijn het godsdiensten, op een of andere manier. En als ze niet democratisch zijn, zijn het dictaturen. Democratieën verschillen alleen door het aantal mensen dat erin leeft, godsdiensten en dictaturen verschillen enkel door het aantal mensen dat erin sterft. Als men de innerlijke structuur, de methodes, de hiërarchische opbouw, de ideologie en de praktijk van godsdiensten vergelijkt met die van gelijk welke dictatuur uit de geschiedenis, stelt men vast dat er een bijna totale overeenkomst is. Vergelijkt men dictaturen en godsdiensten met een democratisch bestel of een democratische organisatie, dan stelt men vast dat ze daarvan op dezelfde manier verschillen.

    En toch zijn er nog steeds mensen die de godsdiensten verdedigen en hen bijzondere eigenschappen en een uitzonderlijke waarde toekennen. Zij pleiten voor het behoud van het sacrale in de maatschappij, als een van de diepste aspecten van het mens-zijn. Wat dat sacrale precies is, blijkt veel moeilijker te definiëren. We zien wel de context: het gaat om iets dat zich vooral situeert in individuele of collectieve meditatie in daartoe geschikte ruimten, waarbij gebruik gemaakt wordt van literaire of zogenaamd gewijde overgeleverde teksten, van gezangen en muzikale omlijsting, van artistieke middelen en architecturale structuren, van geuren en kleuren, van kostumering en theater, van rituele gebaren en gebruiken, van symbolen en verwijzingen naar de natuur… Dat zijn echter allemaal niet-sacrale elementen, die evengoed voorkomen in niet-religieuze contexten, in allerlei vormen en combinaties. Nogmaals: wat is het verschil tussen een religieuze begrafenisplechtigheid en een burgerlijke? Zij kunnen allebei verschrikkelijk slecht zijn en buitengewoon goed, en wel om dezelfde redenen.

    Ik weet niet wat men bedoelt met ‘sacraal’. Maar in tegenstelling tot wat zogenaamd godsdienstige mensen beweren, heb ik niet minder gevoel voor al de elementen die men zo graag voorbehoudt voor het sacrale. Ik kan net zo goed gegrepen worden door een tekst, een muziekstuk of een ander kunstwerk, een gebaar, een sfeer… Waarom zou ik dat niet? Als ik mij afkeer van een bepaalde godsdienst, of van alle godsdiensten, ben ik dan plots een ongevoelige, hyperrationele, cynische en amorele libertijn, een rabiate egoïst, verstoken van elke empathie, een keiharde materialist die elke hogere waarde ontkent en de mens herleidt tot zijn lichaam, een ongemitigeerde voorstander van een ongenadig kapitalisme enzovoort, terwijl alle gelovigen dat allemaal niet zijn? Kom nou…

    Wie godsdienst wil verdedigen, heeft het alsmaar moeilijker. De secularisering, dat wil zeggen het samenleven zonder godsdienst, zet zich door op grote schaal, ook binnen de godsdiensten. De moderne mens leeft als een ongelovige, ook als hij of zij nog enigszins meedoet aan bepaalde rituelen of zelfs beweert ‘in God te geloven’. Die uitspraak betekent in de meeste gevallen zo goed als niets meer. Men hoeft niet meer in God te geloven of tot een kerk te behoren om een goed mens te zijn, of dat althans te proberen. Het christendom heeft gefaald als godsdienst; het heeft zijn geschiedenis tegen, en het heeft daaruit niet geleerd, en blijft dus steeds sneller aftakelen. Wie zich nog vastklampt aan dat verhaal, mist de kans om de oude gewaden af te leggen en een nieuw begin te maken.

    Dat is waarom ik mezelf antiklerikaal noem: ik verzet mij tegen de onterechte inmenging van elke godsdienst in de samenleving, en ik meen daar goede redenen voor te hebben, zowel principiële filosofische en ideologische als historische.

    Dat is ook waarom ik me atheïst noem: het begrip God, zoals de godsdiensten dat voorhouden, is mij onbekend; het aanhouden is een onrecht dat we onszelf aandoen.


    Categorie:God of geen god?
    Tags:levensbeschouwing


    Foto

    Inhoud blog
  • Verrijzenis
  • Adel
  • Mijn Spinoza-vertaling
  • Gij zult niet doden...
  • Seksualiteit: idealen en normen
  • The Oxford Handbook of Atheism
  • Hoe we overleven - Mark Rickerby
  • karabiner, musketon, volant en ruflettelint
  • Gedichtendag 2014
  • Antiklerikaal
  • verhitte internetdiscussie
  • Het kruis en de gekruisigde.
  • De seculiere samenleving - Patrick Loobuyck
  • Kweddelen!
  • Euthanasie in BelgiŽ
  • for whom the Bell tolls: exit Didier Bellens
  • De Zevende van Beethoven
  • God bewijzen - Stefan Paas en Rik Peels
  • De Verlichting als kraamkamer, Jabik Veenbaas
  • Recensie: De naakte perenboom. Op reis met Spinoza, Rudi Rotthier
  • In memoriam Luc Verbeke (1924-2013)
  • Gods dobbelstenen
  • Afwezig?
  • Rode kazuifels
  • Socialisme of sociaal-democratie?
  • Late Night Thoughts - Lewis Thomas
  • vrije universiteiten
  • Een eerbaar Vlaams nationalisme
  • slaagcijfers aan de universiteit
  • Islam, Nazisme en verdraagzaamheid
  • Mes tendres annťes
  • Caveat emptor!
  • De botten van Descartes - Russell Shorto
  • The Ends of Life - Keith Thomas
  • Goed en kwaad
  • Rebellen - Anne Morelli (red.)
  • Dick Swaab, Wij zijn ons brein
  • Topprestaties, onbehagen en liefde
  • Marius Engelbrecht, De onttovering van de waanzin
  • Siebrand en Hiemstra, Voetangels & Klemtonen
  • meikever
  • Evolutie, cultuur en betekenis - Tom Uytterhoeven
  • Pascal Smet of Pieter Wispelwey?
  • Herbetovering van de wereld - Michael LŲwy
  • de utopie van Martin Buber
  • Radicale secularisatie?
  • Economisch nationalisme - Olivier Boehme
  • Kerk en staat
  • bij een overlijden: Macbeth
  • Jacques Brel
  • Goudhaantje
  • ik en de anderen
  • het ruimere perspectief
  • haptonomie, hapschaar
  • Desiderata - Max Ehrmann
  • Crisis
  • Onze waarden? Of toch niet...
  • Democratie in BelgiŽ en in Vlaanderen
  • De eenden zijn terug!
  • Grootschaligheid
  • Sjostakovitsj' Lady Macbeth
  • carnaval
  • Liegen - Sam Harris
  • Verbeter je brein - Reinhoud de Jong
  • Gedichtendag 2013
  • De hulpelozen van de macht - Jean-Pierre Rondas
  • binaire klok
  • Aforisme
  • Sneeuw
  • standvogel
  • Spelen
  • het Belgisch koningshuis
  • keuzes maken
  • De avonden
  • In den beginne...
  • Zwart Vlaanderen volgens Lode Wils en Eric Defoort
  • Barbaren!
  • Spijt
  • God is niets omdat hij alles is (C. Verhoeven)
  • de niet zo schijnbare paradox
  • forum
  • Bevrijd van de dwang van de media
  • Het opgeheven vingertje
  • media-asiel
  • Een links complot?
  • seks
  • Is er dan een probleem?
  • Morgen gaan we stemmen!
  • Kwaad
  • Lees- en gespreksdag in Werchter
  • Vrijheid van mening
  • Dank je wel, Mr. Darwin!
  • het relatieve belang van de islam
  • Dichtbundel David Verstreken
  • N-VA racistisch?
  • N-VA extreemrechts?
  • Ian Robertson, Het winnaareffect
  • sanitaire stop
  • Champions League
  • Getuigen van Jehova
  • Het grote misverstand, nog steeds en alweer
  • blog writer's block
  • Olympisch goud
  • Levende wezens, dode materie
  • Onrust
  • Olympische spelen
  • de kogel is door de kerk, of net niet?
  • De goden. Cicero, De natura deorum
  • Voltaire, Satires, Les SystŤmes
  • Spinoza in Vlaanderen
  • Ode aan Spinoza
  • koppiekoppie!
  • Uriel da Costa: bibliografie
  • Uriel da Costa's Testament in Nederlandse vertaling
  • Uriel da Costa, Een mensenleven als voorbeeld
  • Geluk in ruimer perspectief
  • pareidolia
  • Vlaams nationalist, ik?
  • Fluisterend atheÔsme
  • elk muntstuk heeft twee kanten
  • Goethe's Harzreise im Winter - Brahms' Alt-rapsodie
  • De receptie van Spinoza
  • Spinoza's Korte Verhandeling eenmaal, andermaal
  • nogmaals: 300.000
  • de begrafenis van God: Herman Philipse over godsdienstfilosofie
  • 300.000
  • de legende van UriŽl da Costa
  • vriendschap kent geen grenzen
  • de reisduif en de huismus
  • het grote misverstand
  • Een oude nieuwe Spinoza
  • De derde weg
  • Consequent?
  • geld
  • Seks als oorlog
  • de vogelen des hemels en de leliŽn in het veld
  • Nescio: wat Spinoza niet wist
  • Liefde
  • Gastgedicht: Ik weet niet waarom
  • Verrijzen
  • Goede Vrijdag
  • Koekoek!
  • Topsport?
  • The law is a ass! Quatsch in de rechtzaal
  • Gebed voor Vlaanderen
  • Lentekriebels
  • Niet alleen op de wereld
  • Nogmaals: de dobbelstenen!
  • Oorzaak en gevolg
  • Schijnheilig? Niet echt...
  • een eenvoudige gedachte
  • Sierre 14 maart 2012
  • Additions aux Pensťes philosophiques, Denis Diderot
  • dobbelen
  • Abnormaal?
  • telegeleid
  • Pensťes Philosophiques 1-12, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 13-20, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 21-49, Denis Diderot
  • Pensťes philosophiques 50-62, Denis Diderot
  • d'Holbach's Coterie, Alan Charles Kors
  • schrik niet: annťe bissextile!
  • Jonathan I. Israel, Democratic Enlightenment
  • Vita brevis
  • een steen verleggen in een rivier
  • puntdichten voor Vader
  • Eitjes en zaadjes
  • Spinoza's Theologisch-politiek tractaat
  • Openbaring zonder God?
  • Salaris
  • Mens sana in corpore sano?
  • Jozua en de stilstaande zon
  • Emoties, justitie en de sharia
  • Eenvoud en complexiteit
  • Geluksmachines
  • Vrij, of bevrijd?
  • de libero arbitrio: de vrije wil van de scheidsrechter
  • De Rede en de individualist
  • De vrije wil bestaat niet! Victor Lamme
  • Humanisme, zinvol leven en ouder worden, Peter Derkx
  • Moeten de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen?
  • gedichtendag 2012: STROOM
  • Mentaliteitswijziging
  • Gadgets
  • homo sapiens en zijn caravan
  • In de wolken
  • De zin van ons bestaan
  • Vrijheid van gedachte, vrijheid van godsdienst
  • halal vlees en intolerant atheÔsme
  • Skype
  • Het toeval wil...
  • materialisme
  • Tussen droom en daad
  • Stakingsrecht in een parlementaire democratie
  • de herderkens logen bij nachte
  • Darwin op vinkenslag
  • Idolen en hun voetstuk
  • De zonnewende, het feest van het Licht
  • e-readers, e-books, e-lezers en e-boeken
  • Water en bloed zweten, of Blood, sweat and tears


    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!