Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
31-08-2025
Sander Kok, Wolfgang Hilbig
De Nederlandse schrijver Sander Kok (ook bekend fotomodel) werd geboren in Arnhem op 31 augustus 1981. Zie ook alle tags voor Sander Kokop dit blog.
Uit: Het feest van de almacht (Over Lodewijk van Deyssel)
“Voor Van Deyssel was het bijhouden van een masturbatiedagboek meer dan een wapen in de strijd tegen een machtige vijand, het was een manier om het gedrag van zijn lichaam en geest tot het diepst te doorgronden en te verbeteren. Het Van Deyssel-archief in het Literatuurmuseum bevat ook een slaapdagboek, een verkoudheidsdagboek en een weerdagboek, die de schrijver hetzelfde doel dienden. Al in 1884, hij was toen twintig, stelt hij als een volleerde eenentwintigste-eeuwse volgeling van zelfhulpgoeroes een lijst met doelen op. Die is niet bescheiden. Binnen vier jaar zou hij eenentwintig romans publiceren en duizenden pagina’s aan kritiek, dagboek en kroniek. In de avonduren – want de genoemde arbeid vond alleen plaats in de namiddag – zou hij zich buigen over zijn studie rechten en zijn promotie in de letteren. De daaropvolgende vier jaar zou hij uitsluitend in de avonduren dertig toneelstukken, driehonderd sonnetten en tachtig novellen schrijven, en overdag zowel schilder, ingenieur als architect zijn. Vier jaar later zou hij president worden van Nederland, dat tegen die tijd een Republiek zou heten. Onbekend is of hij voor zichzelf een rol zag bij het omverwerpen van het koninkrijk. Natuurlijk was de twintigjarige Tachtiger niet volledig serieus, maar het is duidelijk dat hij zin had om aan de slag te gaan. Hij zou zijn tijd niet verbeuzelen. Het stalen skelet van zijn leven was de zelfdwang, de zelftucht. Van Deyssel dwong zijn lichaam tot kadaverdiscipline. Alles moest voor zijn obsessies wijken – een bekende schrijverskwaal. Niet rukken, maar ook: iedere ochtend vroeg opstaan. Voor Van Deyssel was dat vier uur ‘s nachts. In zijn slaapdagboek merkt hij eens chagrijnig op dat het weer niet is gelukt, ‘omdat mijn vrouw mij niet wekte’. De vele korzeligheidjes vinden hun tegenwicht in euforie, wanneer iets wél lukt:
Hoera, ik gevoel mij zoo heerlijk en gelukkig als in geen tijden. Dit komt alleen door het volmaakte scheiten, dat ik gedaan heb.
Ik stelde de vraag al in het eerste artikel over dit onderwerp. Is die Van Deyssel een gek? Een vreemde vogel was hij zeker. Maar alle negentiende-eeuwse schrijvers waren gek. Ik ken geen biografieën waaruit het tegendeel blijkt. Ze lopen op 82-jarige leeftijd weg bij hun vrouw (Tolstoj), verschijnen op een feest in roze smoking (Couperus) of ontzeggen zichzelf orgasmes (Balzac, onder anderen). En het probleem van iemand een gek noemen, is dat het woord een hoop lijkt te verklaren, terwijl het juist een verklaring vervangt. Het stempel ‘gek’ verklaart niks. En die negentiende eeuw was zelf gek. Toch moet ik toegeven dat hoe verder ik in het dagboek doordrong, hoe meer ik begon te denken dat de schrijver wel degelijk, laat ik zeggen, gestoorde trekjes had. Door de syfilis? – Had hij dat? Kon hij het ook niet hebben? Een gezonde man had syfilis, in die tijd. Of gewoon door het schrijven? Schrijven is een gevaarlijke bezigheid, dat weet elke schrijver.”
Ah, wanneer april met zachte buien de droge aderen van het leven tot in de wortel baadt en de zoete adem van de zefier alle scheuten in bos en veld voor een korte tijd oplaadt en de jonge zon al half de boog van ram tot stierenhoorn heeft doorlopen en wanneer de herinnering uit vloeiend verval de blik opheft: zoals vogels ’s nachts met open ogen slapen – o, dan begint de tijd ook mijn geest te verruimen: verleden dat niet geleefd winter waarin we elkaar niet tegenkwamen zijn nietig wanneer een oud hart zich opnieuw verheft.
Nog steeds met gebroken lieren en door vorst ontstemde snaren: aan jouw kust rijk aan bloemen ontvouwd door getijden moet ik je, met zonlicht gewapend, tegemoet rijden.
Omdat je ergens beginnen moet het uitgangspunt te vinden is iedere invalshoek mogelijk. Lastiger is het je los te maken van het woord ‘willekeurig’. Je hecht nog aan versplintering. Zo winden honderden straten zich rond je wijzende vinger. Zoek de as van de stad is het hart van de stad, vesting rond de bloeiende binnenkoer met de beerput; is het brein van de stad; kronkelig samenkleven van energiespeldenprikpunten, die aan alle kanten de kop opsteken en een uitweg zoeken als oprit naar hun veilige haven. Alsof je een binnenschipper bent zwalk je op je benen over straat. Maar je bent van de straten af. Nu heb je een adres.
Links rechts inslaan kriskras hoek om stoep op en af achteloos ingehaakte omgeklapte enkel in de tramrail. Je vist je voet eruit. Dwaaltocht door niemands land. Bent niemands kind meer, niemands kraai. Geen vogel in de hand, geen hond in de lucht, geen paard op de rug, geen kip op de stok van je slaap. Hier was ooit een blok. Nu staat er een straat. En daar, waar nooit gewoond werd, is je toegewezen adres. De kroon op je registratie en de bevestiging van je naam als alibi voor het plegen van al die verworven jaren.
Daar ligt in transparante lagen vijf hoog op elkaar. Elke huisraad voorstelbaar; inhoud ijskast geur van beddengoed, geronk van de was speelhoek televisie plafondspots kamerplant. En jouw lichaam daar ijl tegenover, nog op de drempel, traag in beweging. Het zoeken moet met je mee, daar waar de ruiten zijn gevallen in de mistige muur en glinsteren. Het gebit van de gevel. Het buiten weerspiegelen om het spiegelbeeld te doen schrikken van zichzelf en van binnenuit het struikelen te zien van je verglazing. Het rinkelen!
Ze werd wakker en dacht: zondag. Het moest wel – die lichtstraal die haar voetstappen van bed naar bad doorsneed, stilte die haar eenzaamheid zalfde. Zaligheid. Een woord dat haar moeder vaak aanbood, siste terwijl stoom vrijkwam uit de gehavende ketel die zegenend boven haar favoriete theekopje werd gehesen…
Nee. Haar moeder haatte thee, werd betrapt op het kauwen van rauwe koffiebonen tussen haar zwangerschappen. Wiens herinnering had ze geleend, welke gekwetste schijnheiligheid? Het kon geen zondag zijn – dat was gisteren. Of zal het morgen zijn. Hoe dan ook, er was werk aan de winkel.
De Nederlandse schrijfster, dichter en beeldend kunstenaar Maria Barnaswerd geboren in Hoorn op 28 augustus 1973. Zie ook alle tags voor Maria Barnas op dit blog.
2 X 1
Hoe moet ik gaan liggen in het bed van een woedende man? Ik heb hem zo gemaakt
Ik vroeg hem dingen en ik hield niet op de dingen te vragen die van elk bestaan een versleten vloerkleed maken
Vergeef me ik ben moe Ik weet niet altijd wat ik doe. Hier.
Ga je weg? Wil je dat ik ga?
Maar voordat je gaat. Wat bedoelde je precies met Fuck jou duizend jaar?
1 X 2
‘Trek je toch niet alles aan’ zeg je
Ik zie een grotere man voor mij met een ligbad en meloen in de tuin aan zee
Hij schenkt witte wolken in mijn glas blauwe lucht
IJsblokjes rinkelen in het landschap
En de dag is een tafel van twee. Precies en zo overzichtelijk
dat ik een lied wil zingen Ik kan niet zingen
De man zegt ‘Trek je toch niet alles aan’
Dan mis ik jou zo: ik zal je nooit laten gaan
Santa Maria Magiare
Er is een hoge koepel hier waar julirozen vallen als zomersneeuw
ik zie geen handen want wij moeten een mirakel zien
Ooit toen de aarde nieuw was en de hemel enkel fluistering, toen de namen van dingen zich nog niet hadden gehecht;
ooit toen de flauwste briesjes zomer versmolten tot herfst en alle populieren beefden bevallig in het gelid . . .
riep de wereld en antwoordde ik. Elke oogwenk ontvlamde tot aanblik. Ik hield mijn adem in en noemde dat leven, bezwijmde tussen lepels vol citroenijs.
Ik was pirouette en bloei. Ik was vlam en filigraan. Hoe kon ik mijn zegeningen tellen zonder kennis van hun namen?
Ooit toen alles nog moest komen, lekte geluk uit alle kieren, Ik gaf de wereld mijn belofte, en de wereld volgde me tot hier.
De Belgische dichter, schrijver en vertaler Tom Lanoye werd geboren te Sint-Niklaas op 27 augustus 1958. Zie ook alle tags voor Tom Lanoyeop dit blog.
Uit: ReinAard: Schelmenroman
Wat is er fokking fout met mij? Ik smeet mij wel, zelfs voor goed geld, Op het verminken van the Shake En het verbasteren van Vondel. Geen meesterwerk was mij te heilig – Amok en bagger maakte ik Van Goethe en antieke Grieken, Van tering-Tsjechov, schele Sartre En de rest van de reutemeteuten…
Geen vege voorvader bleef veilig: Ik goot ze door mijn zeefje tot Ze klonken als door God gezonden. (Wel eerst door mij gevierendeeld, Verknipt, verknapt en weer verbonden.)
Maar nooit, putain! – hoe is dat mogelijk? – Zocht ik mijn stuff in eigen streek. Juist ik. Gescheten, uitgespogen, In ’t Zotte Land van Waas & Wee Waar ooit een vos de wellust preekte.
Een glorieus en geestig beest,
Ontwapenend gewetenloos, Van zeden los en los van God – Een rot in zijn vak, Een dot van een schoft, Het kruim van het schuim, The best of the beasts:
Gewis indien wij in het jaar zeventienzestig hadden geleefd
Is dat de datum die u ontcijfert Anna op die bank van steen
En als per ongeluk ik Duitser was geweest Maar per geluk heel dicht bij u zou zijn geweest Zouden we vagelijk en vrijwel aldoor in het Frans Gesproken hebben over liefde En hartstochtelijk hangend aan mijn arm Had u mij horen praten van Pythagoras Daarbij aan de koffie denkend Van over een half uur
En de herfst zou net als die herfst geweest zijn Dat de berberissen en wijnranken kronen kregen
En onverwacht zou ik gebogen hebben Voor nobele dames dik en smachtend
Ik zou geheel alleen en langzaam Gedurende lange avonden Dikke tokajer of malvezij savoureren Ik zou mijn Spaans gewaad gedragen hebben Om de weg op te gaan waarover In een oude koets mijn grootmoeder arriveert Die het vertikt om Duits te verstaan
Ik had verzen vol mythologie geschreven Over uw borsten het landleven en de dames Uit de omstreken
Menige wandelstok had ik gebroken Op de ruggen van landmannen
Ik zou ervan gehouden hebben om naar muziek te luisteren Terwijl ik ham at
Ik had in het Duits gevloekt ik zweer het u Als u me verrast zou hebben door die rosse dienstmeid Vol op de mond te kussen
U zou zich verontschuldigd hebben in dat bosje van blauwbessen
Even zou ik geneuried hebben Dan zouden we naar de geluiden van de schemering geluisterd hebben
Vertaald door Leo van der Sterren
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)
De Britse schrijfster Paula Hawkinswerd geboren op 26 augustus 1972 en groeide op in Salisbury (het huidige Harare in Zimbabwe) in Rhodesië. Zie ook alle tags voor Paula Hawkinsop dit blog.
Uit: Het blauwe uur (Vertaald door Henske Marsman)
“In de snijdende kou van een verblindende oktoberochtend staat James Becker op de loopbrug, met zijn heup tegen de leuning, een sigaret te rollen. De beek stroomt zwart en langzaam onder hem door, met water dat bijna bevriest, sijpelend als stroop over de roestbruine stenen. Dit punt is halverwege zijn dagelijkse wandeling naar zijn werk, die twaalf minuten duurt vanaf de Gamekeeper’s Lodge, waar hij woont, naar Fairburn House, waar hij werkt. vijftien minuten als hij een rookpauze houdt. De kraag van zijn jas omhoog, een steelse blik over zijn schouder; voor een buitenstaander lijkt hij misschien iets heimelijks te hebben, maar daar heeft hij geen reden toe. Hij hoort hier. Hoe verbazingwekkend ook – zelfs hij kan het nauwelijks geloven. Hoe kan hij, vaderloze bastaardzoon van een supermarktkassière, openbareschooljongen in een goedkoop pak, hier wonen en werken, in Fairburn, tussen de aristocraten? Hij pást hier niet. Maar op de een of andere manier, dankzij hard werken, stom geluk en slechts een vleugje verraad, is hij hier toch. Hij steekt zijn sigaret op en kijkt nog één keer over zijn schouder naar de lodge, waar het warme licht uit het keukenraam de beukenhaag goud kleurt. Niemand kijkt naar hem – Helena zal nog wel in bed liggen, het kussen tussen haar knieën geklemd – dus niemand ziet dat hij zijn belofte om te stoppen verbreekt. Hij is wel geminderd, naar nog maar drie per dag. Zodra het water bevriest, denkt hij, stop ik helemaal. Hij leunt achterover tegen de reling, neemt een ferme trek van zijn sigaret en kijkt naar de heuvels in het noorden. Er ligt al een dun laagje sneeuw op de toppen. Ergens tussen hier en daar loeit een sirene, en Becker meent op de weg een flits van blauw licht te zien, een ambulance of politieauto. Zijn bloed stroomt snel en zijn hoofd tolt van de nicotine. In zijn maag voelt hij, zwak maar onmiskenbaar, een steek van angst. Hij rookt snel, alsof het op die manier minder schade aanricht, en schiet de peuk over de reling het water in. Hij steekt de brug over en loopt knarsend over het berijpte gazon in de richting van het huis. Als hij de deur van zijn kantoor opendoet, is zijn vaste telefoonlijn aan het rinkelen. ‘Hallo?’ Becker klemt de hoorn tussen zijn schouder en kin, zet zijn computer aan en draait op zijn stoel om met uitgestrekte arm het koffiezetapparaat op het bijzettafeltje aan te zetten. Na een korte stilte hoort hij een heldere, afgemeten stem: ‘Goedemorgen. Spreek ik met James Becker?’ ‘Jazeker.’ Becker typt zijn wachtwoord in en wurmt zich uit zijn jas. ‘Juist.’ Weer een stilte. ‘Met Goodwin, Tate Modem.’
Van rood naar groen sneuvelt al het geel Als ara’s zingen in hun verre regenwouden Orgaanvlees van pihi’s We moeten een gedicht schrijven over de vogel met één vleugel We sturen het straks door per telefoon Reusachtig trauma Het laat de ogen stromen Daar zit een mooi meisje tussen die jongedames uit Turijn De arme jongen snuit zijn neus in zijn witte das Je zal het gordijn omhoogtrekken En kijk nou daar gaat het venster open De handen weven licht als spinnen Schoonheid bleekheid onpeilbare violetten We zullen tevergeefs op adem willen komen Om twaalf uur ’s nachts gaan we beginnen Wanneer je tijd hebt ben je vrij Alikruik puitaal velerlei zonnen en de zee-egel van de schemering Een oud paar gele schoenen voor het venster Torens De torens zijn de straten Putten Putten zijn de pleinen Putten Holle bomen die de dolende creoolsen beschutten De lichtgekleurde zwarten zingen duistere liedjes Voor hun kastanjekleurige vrouwen En de gans gan-gan trompettert noordwaarts Waar jagers op wasberen Bontvellen schoonschrapen Eclatante diamant Vancouver Waar de trein wit van sneeuw en van nachtelijk vuur de winter ontvlucht O Parijs Van rood naar groen sneuvelt al het geel Parijs Vancouver Hyères Maintenon New York en de Antillen Het venster slaat open als een mooie oranje Vrucht van het licht
Vertaald door Wouter van der Land
Guillaume Apollinaire (26 augustus 1880 – 9 november 1918)
Uit: Het interessegebied (Vertaald door Janneke van der Meulen)
“In de officiersclub, gezeten op een paardenharen sofa, omringd door bronzen paardentuig en paardenprenten en onder het genot van ersatzkoffie (koffie voor paarden) zei ik tegen Boris Eltz, met wie ik al mijn leven lang bevriend was: ‘Heel even was ik weer jong. Het leek wel liefde: `Liefde?’ ‘Ik zei: het léék liefde. Kijk niet zo geschrokken. Het léék liefde. Een gevoel van onvermijdelijkheid. Je weet wel. Als het begin van een langdurige, heerlijke romance. Romantische liefde: ‘Déjà vu en de hele santenkraam? Ga door. Help mijn geheugen een handje: ‘Tja. Pijnlijke bewondering. Pijnlijk, ja. En gevoelens van nederigheid en onwaardigheid. Zoals jij met Esther: ‘Dat is iets heel anders,’ zei hij en priemde met een vinger naar me. ‘Dat is puur vaderlijk. Je snapt het wel als je haar ziet: `Hoe dan ook. Toen was het voorbij en ik… En ik vroeg me gewoon af hoe ze eruit zou zien zonder kleren aan: `Zie je nou wel? Ik vraag me nooit af hoe Esther eruit zou zien zonder kleren aan. Als het gebeurde, zou ik ontzet zijn. Ik zou mijn ogen afwenden: ‘En zou jij je ogen afwenden, Boris, van Hannah Doll?’ ‘Hmm. Wie had gedacht dat de Ouwe Zuiplap zo’n mooie vrouw zou hebben: ‘Ik weet het. Niet te geloven: `Die Ouwe Zuiplap. Maar even serieus. Ik weet zeker dat hij altijd al een zuiplap was. Maar hij is niet altijd oud geweest: Ik zei: ‘De meisjes zijn wat? Twaalf, dertien? Dus zij is van onze leeftijd. Of iets jonger: `En de Ouwe Zuiplap bezwangerde haar toen ze wat – achttien was?’ `Toen hij van onze leeftijd was: `Goed dan. Dat ze met hem getrouwd is, moeten we haar dus maar vergeven,’ zei Boris. ‘Achttien. Maar ze is niet bij hem weggegaan, hé. Hoe wil je dat rechtbreien?’ `Weet ik. Het is moeilijk om..: `Mmm. Ze is te lang voor mij. En nu ik erbij stilsta, ze is ook te lang voor de Ouwe Zuiplap’. En opnieuw stelden we elkaar de vraag: waarom zou iemand zijn vrouw en kinderen hierheen halen? Hierheen? Ik zei: `Deze omgeving is meer geschikt voor mannen: ‘0, dat weet ik niet. Sommige vrouwen vinden het niet erg. Sommige vrouwen zijn net zoals de mannen. Jouw tante Gerda bijvoorbeeld. Die zou het hier uitstekend naar haar zin hebben: ‘Tante Gerda zou er geen principieel bezwaar tegen hebben; zei ik. ‘Maar dat ze het hier naar haar zin zou hebben, nou nee: ‘Zal Hannah het hier naar haar zin krijgen?’ ‘Ze maakt niet de indruk: ‘Nee, dat is waar. Maar ze is nog steeds de echtgenote van Paul Doll, vergeet dat niet: ‘Hm. Dan zal ze zich misschien wel thuis gaan voelen; zei ik. ‘Ik hoop het maar. Mijn fysieke verschijning sorteert meer effect bij vrouwen die het hier naar hun zin hebben: 1. Wij hebben het hier niet naar onze zin: ‘Nee. Maar wij hebben elkaar, goddank. Dat is niet niks: ‘Wat je zegt, jochiejij hebt mij en ik heb jou’.
Hij was op zoek naar de metafysica van het alledaagse: Een beetje dauw op het gras bij zonsopgang, Een druppel bloed in de avondbomen, Een druppel vuur.
Als je niet schijnt, ben je duisternis. De toekomst is genadeloos, ieders naam staat geschreven op het schutblad van het Boek van Sneeuw.
Vertaald door Frans Roumen
Charles Wright (Pickwick Dam, 25 augustus 1935)
Onafhankelijk van geboortedata
De Hongaars-Britse schrijver David Szalaywerd geboren in 1974 in Montreal, Canada, als zoon van een Canadese moeder en een Hongaarse vader. Zijn familie verhuisde vervolgens naar Beiroet. Ze werden gedwongen Libanon te verlaten na het uitbreken van de Libanese Burgeroorlog en verhuisden vervolgens naar Londen, waar Szalay naar de Sussex House School ging. Szalay studeerde vervolgens aan de Universiteit van Oxford. Na zijn afstuderen werkte hij in Londen in de verkoop. Hij verhuisde naar Brussel en vervolgens naar Pécs in Hongarije om zijn ambitie om schrijver te worden na te jagen. Szalay heeft een aantal hoorspelen voor de BBC geschreven. Zijn boek met korte verhalen “Turbulence” uit 2018 ontstond uit een reeks programma’s van 15 minuten voor BBC Radio 4. De twaalf verhalen van “Turbulence” volgen verschillende mensen op vluchten over de hele wereld. Het onderzoekt de globalisering van familie en vriendschap in de 21e eeuw. Hij won de Betty Trask Award voor zijn debuutroman, “London and the South-East”, en de Geoffrey Faber Memorial Prize. Sindsdien heeft hij nog drie andere romans geschreven: “Innocent” (2009), “Spring” (2011) en “Flesh” (2025). Een bundel korte verhalen, “All That Man Is”, werd genomineerd voor de Man Booker Prize en won in 2016 de Gordon Burn Prize. The Spectator schreef dat “niemand de supertriestigheid van het moderne Europa zo goed weet te vangen als Szalay.” Szalay werd opgenomen in de lijst van The Telegraph van de 20 beste Britse schrijvers onder de 40 uit 2010, en in de Granta Best of Young British Novelists uit 2013. In 2025 werd Szalay’s roman “Flesh” genomineerd voor de Booker Prize van 2025.
Uit: All That Man Is
“He leaves the office two hours earlier than usual. Mid-afternoon, half-empty train to Gatwick. A window seat on the plane. Weak tea, and a square of chocolate with a picture of Alpine pasture on the wrapper. And then it hits him. Floating over the world, the hard earth fathoms down through shrouds of mist and vapour, the thought hits him like a missile. Wham. This is it. This is all there is. There is nothing else. A silent explosion. He is still staring out the window. This is all there is. It’s not a joke. Life is not a joke.
She is waiting for him at arrivals, holding up an iPad with his name on it, though she knows what he looks like from his picture on the website and approaches him, smiling, as he stands there facing the wall of drivers with their flimsy signs. ‘James?’ she says. The difference in height is significant. ‘You must be Paulette.’ She has a scar – is it? – on her lower lip, a pale little lump, somewhat off centre. There is a handshake. ‘Welcome to Geneva,’ she says. And then, the motorway – on stilts, through tunnels. France. The low sun on one side of his face. Fresh evening light. She says, ‘So, tomorrow.’ ‘Yes.’ He is watching something outside, something on the move in the green-gold light. Everywhere he looks, he sees money. ‘I’ve arranged for us to meet them at the site,’ she says. ‘Fine. Thank you.’ She is efficient, he knows that. She answers his emails promptly, with everything he needs. He had started speaking to her in French, as he followed her out of the arrivals lounge. She had answered in English, and for a minute there was a silly situation with each of them speaking the other’s language.”
Uit:Helden (Vertaald door Ineke van den Elskamp, Frits van der Waa, Pon Ruiter en Henny Corver)
“Ontbijt op de Olympos. Zeus zit aan het uiteinde van een lange stenen tafel. Hij nipt van zijn nectar en denkt na over de dag die voor hem ligt. Een voor een druppelen de andere Olympiërs binnen en schuiven aan. Ten slotte verschijnt Hen. Ze neemt plaats op haar zetel aan het andere uiteinde van de tafel, tegenover haar echtgenoot. Haar gezicht is verhit, haar haar zit in de war. Zeus kijkt enigszins verbaasd op. `In al die jaren dat ik je ken ben je nog nooit te laat geweest voor het ontbijt. Niet één keer.’ `Nee, dat klopt,’ zegt Hen. ‘Het spijt me, maar ik heb slecht geslapen en ik ben niet helemaal mezelf. Ik had vannacht een nare droom. Heel naar. Wil je hem horen?’ ‘Uiteraard’, liegt Zeus. Hij vindt het vreselijk als iemand anders in geuren en kleuren over een droom vertelt, net als wij allemaal. `Ik droomde dat we werden bestormd,’ zegt Hen. ‘Hier, op de Olympos. De Giganten kwamen in opstand, beklommen de berg en vielen ons aan.’ `Tjongejonge…’ `Het was geen grapje, hoor, Zeus. Ze kwamen met zijn allen naar boven en vielen ons aan. En je bliksemschichten haalden niets uit. Die schampten als onschuldige dennennaalden van ze af. De leider van de Giganten, de grootste en sterkste, had het op mij persoonlijk voorzien en probeerde me… me… probeerde zich aan me op te dringen.’ `Nee toch. Wat afschuwelijk,’ zegt Zeus. ‘Gelukkig was het maar een droom.’ Wis het wel een droom? Hm? Het was allemaal zo helder. Het had meer weg van een visioen. Een voorspelling wellicht. Die heb ik eerder gehad. Dat weet je.’ Dat was waar. Door Hera’s rol als godin van huwelijk, familie, fatsoen en orde zag je makkelijk over het hoofd dat ze ook een sterk ontwikkeld zesde zintuig had. `En hoe liep het af?’ `Heel raar. We werden gered door je vriend Prometheus en…’ Dat is mijn vriend niet,’ snauwt Zeus. Prometheus’ naam mag niet worden genoemd op de Olympos. De klank van de naam van zijn voormalige goede vriend is voor Zeus als citroensap op een snee. `Als jij het zegt, lieverd. Ik vertel alleen maar wat ik heb gedroomd, wat ik zag. Het gekke is dat Prometheus een mens bij zich had. En die sterfelijke man trok de Gigant van me af, gooide hem van de Olympos en redde ons.’ `Een mens, zeg je?’ `Ja. Een man. Een sterfelijke held. En in mijn droom wist ik, ik weet niet precies hoe en waarom, maar het was duidelijk, heel duidelijk, dat die man afstamde van Perseus.’ `Perseus, zeg je?’ `Perseus. Geen twijfel mogelijk. De nectar staat bij jou, lieverd…’ Zeus geeft de kruik door. Perseus. Die naam heeft hij lang niet gehoord. Perseus…”
“This book is the story to 1930 of what used to be called the lost generation of American writers. It was Gertrude Stein who first applied the phrase to them. “You are all a lost generation,” she said to Ernest Hemingway, and Hemingway used the remark as an inscription for his first novel. It was a good novel and became a craze—young men tried to get as imperturbably drunk as the hero, young women of good families took a succession of lovers in the same heartbroken fashion as the heroine, they all talked like Hemingway characters and the name was fixed. I don’t think there was any self-pity in it. Scott Fitzgerald sometimes pitied himself, and with reason. Hart Crane used to say that he was “caught like a rat in a trap”; but neither Crane nor Fitzgerald talked about being part of a lost generation. Most of those who used the phrase about themselves were a little younger and knew they were boasting. They were like Kipling’s gentlemen rankers out on a spree and they wanted to have it understood that they truly belonged “To the legion of the lost ones, to the cohort of the damned.” Later they learned to speak the phrase apologetically, as if in quotation marks, and still later it was applied to other age groups, each of which was described in turn as being the real lost generation; none genuine without the trademark. In the beginning, however, when the phrase was applied to young writers born in the years around 1900, it was as useful as any half-accurate tag could be. It was useful to older persons because they had been looking for words to express their uneasy feeling that postwar youth—“flaming youth”—had an outlook on life that was different from their own. Now they didn’t have to be uneasy; they could read about the latest affront to social standards or to literary conventions and merely say, “That’s the lost generation.” But the phrase was also useful to the youngsters. They had grown up and gone to college during a period of rapid change when time in itself seemed more important than the influence of class or locality. Now at last they had a slogan that proclaimed their feeling of separation from older writers and of kinship with one another.”
Kijk naar de halve maan, Hoe hij wint terwijl hij verliest;
Hoe hij zijn ware vervulling vindt, Maar toch nog moet worden vervuld;
Hoe hij zijn eigen pad kent, En door de nacht zal oprijzen Met een koude blik Zonder angst, zonder medelijden—
Halve manen, mogen jullie opstijgen Uit de duisternis van mijn vingertoppen Zoals jullie opstijgen aan de hemel, Zonder wroeging, zonder excuus.
Vertaald door Frans Roumen
Charles Wright (Pickwick Dam, 25 augustus 1935)
Onafhankelijk van geboortedata
De Italiaanse schrijver en vertalerVincenzo Latronico werd geboren in Rome in 1984. Hij verhuisde later naar Milaan om filosofie te studeren. In 2008 publiceerde hij zijn debuutroman, “Ginnastica e Rivoluzione”, gevolgd door “La cospirazione delle colombe” (2011), “La mentalità dell’alveare” (2013), “Narciso nelle colonie” (2013), “Le perfezioni” (2022) en “La chiave di Berlino” (2023). Vertalingen van zijn romans zijn in meer dan twintig landen gepubliceerd en in 2025 werd hij genomineerd voor de International Booker Prize voor “Le perfezioni” (vertaald in het Engels door Sophie Hughes als Perfection). Hij vertaalde werk van o.a. Oscar Wilde, F. Scott Fitzgerald en George Orwell. Latronico publiceerde in La Stampa en Corriere della Sera, en hij is een vaste medewerker van het weekblad Internazionale.
Uit: De perfecties (Vertaald door Manon Smits en Pieter van der Drift)
“Het zonlicht overspoelt de woonkamer door het erkerraam, legt een smaragdgroene glans over de opengewerkte bladeren van een breed uitwaaierende monstera, weerkaatst op de vloer van brede, honingkleurige planken. De stengels beroeren de rugleuning van een fauteuil van Scandinavische makelij, waarop een opengeslagen tijdschrift ligt met de rug naar boven. Het smaragdgroen van de plant, het rood van het omslag, het petrolblauw van de bekleding en het lichte oker van de vloer steken af tegen het poederwit van de muren, dat terugkomt in een stukje licht tapijt dat aan de rand uit beeld verdwijnt. Op de volgende foto is het gebouw van de buitenkant te zien, een appartementencomplex in libertystyle met acanthusbladeren en betonnen citrusvruchten op de daklijsten. Het witte pleisterwerk amper zichtbaar onder een laag fluorescerende graffiti, flarden van aanplakbiljetten, afgebladderde verf; de gestucte timpanen van de bel-etages nauwelijks te onderscheiden onder de roetkorst. Vroeg-twintigste-eeuwse luxe en hedendaagse verloedering zijn verstrengeld in een vrije, decadente sfeer, met een vleugje erotiek. Een paar ramen zijn dichtgetimmerd met verschoten spaanplaat, maar achter de andere zijn planten en lichtsnoeren te zien. Een waterval van klimop stort van een balkon omlaag naar het trottoir. In de keuken rechthoekige glanzende reliëftegels; een massief houten aanrechtblad; een keramische dubbele gootsteen; open keukenkastjes met apothekerspotten vol rijst en granen en kruiden en koffie; blauw-witte emaillen borden; een metalen stang waaraan ijzeren koekenpannen zonder antiaanbaklaag en olijfhouten pollepels hangen. Op het aanrecht een waterkoker van geborsteld rvs, een Japanse theepot, een rode blender. Er staan aardewerken potjes met verse kruiden op de vensterbank, basilicum en munt en bieslook maar ook bonenkruid, majoraan, koriander, dille. De stoelen rond de tafel komen van een school, de tafel zelf is een oude marmeren deegplaat. Hij wordt verlicht door een harmonicalamp, bevestigd aan de wand tussen de botanische lithografie van een araucaria en de reproductie van een Britse oorlogsposter. Dan de woonkamer, welig met gemakkelijke, woest groeiende planten die beschut staan in de glazen nis gevormd door de erker: de breed uitwaaierende monstera die zijn glanzende bladeren naar het glas uitstrekt; een ficus lyrata die vanuit een grote betonnen pot de lucht in groeit; twee planken vol binnenklimplanten en hangende pepero-mia’s, erwtenplanten en pilea’s, waarvan de verstrengelde bladeren tot op de houten vloer vallen.”
Ja, Goethe had iets heel aparts Beklom de heuveltop de Brocken Om weer naar Sorge af te zakken
De Duivelsstoel, een troon van kwarts Daar werd Mephisto op betrokken Ja, Goethe had iets heel aparts
De eikenwouden van de Harz Die hij bezong maar onverschrokken Als functionaris om liet hakken Ja, Goethe had iets heel aparts
Tovertherapie
Laatst kwam ik bij een tovertherapeut ik werd verpletterd onder haar charisma ze overtuigde me: ik nam een clisma de slechte energie die moest eruit
En werd ik ayurvedisch planteneter dan werd ik ongetwijfeld nóg veel beter! ik huppelde naar huis – het leek getover – want al mijn klachten waren eensklaps over
Ik werd asceet en schoon mijn lichaam kwijnde was ik gezond en bovenal voldaan ik kon de slechte energie weerstaan! en toen ik dood ging vond ik dat het einde
Dus laat u, mocht u het hiernamaals vrezen eens door een tovertherapeut genezen!
Kalverliefde
Hij haat geheimseks en het celibaat Hij haat de orde die hij dus verlaat De monnik is volkomen uitgekloosterd
Als burger is de man algauw getrouwd Omdat hij zo enorm van kinderen houdt Hij lust ze rauw, maar liever nog geroosterd
Vanuit een peilloze diepte, zwart als de nacht, een duisternis zo lang als mijn leven, dank ik een God, welke is mij om het even, voor een ziel met onverwoestbare kracht.
Het lot grijpt mij met klauwen beet, maar ik geef geen krimp, slaak geen enkele kreet. Al regent het nog zo veel slagen in mijn leven, mijn hoofd is bebloed, maar ik houd het geheven.
Want waar ik nu slechts ween en smacht, is het enkel een schaduw die op mij wacht. Al duren de jaren nog zo lang, ze mogen verstrijken, ik ben niet meer bang.
De poort is smal, een nauwe gang, de lijst met straffen ellenlang, maar ik houd de teugels strak in handen, mijn zielenheil leg ik nimmer aan banden
Vertaald door Kris Eikelenboom
William Henley (23 augustus 1849 – 11 juli 1903) Portret door Francis Dodd, 1900
“Hij had er drieënveertig jaar over gedaan om erachter te komen, maar hij was niet gemaakt om zich schrap te zetten. Lucas trok zijn schouders naar achter en ontspande ze weer. Hij hees de mouwen van zijn colbert zo ver mogelijk omhoog en krabde aan beide onderarmen. Behalve de rode strepen die zijn nagels achterlieten zag hij nog steeds niks ongewoons, en toch was de jeuk om gek van te worden. ‘Diep in- en uitademen,’ hij zei het hardop tegen zichzelf, nadrukkelijk: ‘In en weer uit.’ Eenentachtig meter hoog, had hij gelezen. De brug stond hier al langer dan Lucas bestond, en sindsdien waren er elk jaar gemiddeld veertienenhalf mensen afgesprongen. Hij wilde de rekensom niet maken. Hij boog zich over de brede reling en staarde de diepte in. Het duizelde hem, hij klemde zich vast aan het ruwe beton, maar hij bleef kijken. Een straat, water en een spoorweg, stilstaande auto’s, bomen in alle kleuren groen, daken van huizen, slordig naast elkaar geplakt, gevels met ramen en deuren, allemaal dicht, een weg die een verte tegemoet draaide, een wandelaar met een hond, alles in miniatuur, alsof het niet echt was, niet meedeed met het leven hierboven. De immense diepte zoog en verpletterde. Hij kwam behoedzaam overeind, zette een stap achteruit en staarde naar de wolken, almaar rusteloos in beweging, alsof ze probeerden de lucht te ontvluchten. ‘In en uit, in en uit.’ Lucas probeerde zijn stem zo kalm mogelijk te laten klinken. Hij wist eigenlijk niet hoe hij hier was beland. Hij was in zijn auto gestapt, dat wist hij nog, en terwijl hij naar zijn gordel reikte, besefte hij dat hij nog steeds zijn toga droeg. Hij stapte weer uit en trok het onding gejaagd over zijn hoofd, hij bleef met een elleboog haken aan een mouw, hij hoorde iets scheuren en vloekte. Hij zwierde het zwarte gewaad op de achterbank en trok zijn colbert aan. Hij vond het potsierlijk, telkens die verkleedpartij, hij vermoedde dat hij met die mening een stevige minderheid vertegenwoordigde onder zijn collega’s. Hij ging weer in zijn auto zitten. Hij schuurde met zijn onderarmen over het stuur. Hij hoorde de bode aan komen lopen: ‘Edelachtbare?! Edelachtbare, wat…?!’ Lucas deed alsof hij het niet hoorde. De sleutel in het contact, gas geven, niet nadenken, rijden, de parkeergarage uit. En nu stond hij hier, op deze vreemde brug. Hij ging met zijn handen door zijn haar, voelde de vingertoppen langs zijn schedel. De hoofdpijn viel amper te verdragen, alsof ze met wetboeken tegen zijn slapen sloegen. Lucas’ telefoon trilde in zijn binnenzak. Maar hij wilde niemand horen nu, of hij was niet in staat om te praten met wie ook, dat was het misschien eerder. Hij wist het niet.”
De Amerikaanse dichter, schrijver, vertaler en bloemlezer X.J. Kennedywerd geboren in Dover, New Jersey op 21 augustus 1929. Zie ook alle tags voor X. J. Kennedyop dit blog.
Famous Poems Abbreviated
1
Of man’s first disobedience and its fruit Scripture has told. No need to follow suit.
2
Once upon a midnight dreary, Blue and lonesome, missed my dearie. Would I find her? Any hope? Quoth the raven six times, “Nope.”
3
Whoosh! – hear the Sea of Faith’s withdrawing roar? So, baby, let’s make love tonight, not war.
4
Who will go drive with Fergus now? You lazy cocks and cunts, I thought I’d ask you anyhow. Well don’t all speak at once.
5
Whose woods these are I think I know. Shall I just sack out in the snow And freeze? Naaaa, guess I’d better go.
Blues for Oedipus
Oracle figured You’d come a cropper, Kingdom-killin Mammyjammin Poppa-bopper!
Gods dished you the shit Like you deserves— Now your eyeballs Danglin From they optic nerves.
Toen spraken de profeten: Onze God is niet van klei, die we in onze zadeltassen dragen; die gegoten wordt van zilver of fijn goud, een kalf dat in onze huizen staat met blinde ogen, onbuigzame knieën;
Wie is de Koning van de Glorie? Hij is van eeuwigheid tot eeuwigheid; wij dalen af in de duisternis van het graf, maar alle lichten van de hemel zijn van Hem.
De rook van uw offers is afschuwelijk, spreekt de HEER. Ik haat uw vieringen, uw feesten en uw vasten; vereer Mij in rechtvaardigheid; vereer Mij in goedheid voor de armen en de zwakken, in gerechtigheid voor de wees, de weduwe, de vreemdeling onder u, en in gerechtigheid voor hem die zijn loon uit uw hand neemt; want Ik ben de God van het Recht, Ik ben de God van de Rechtvaardigheid.
Vertaald door Frans Roumen
Charles Reznikoff (30 augustus 1894 – 22 januari 1976)