Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
18-06-2019
Marije Langelaar, Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov
Hier is het donker, lawine, golf, grot. Sinds een week of twee heb ik mij met de grootst mogelijke concentratie naar de stad toe bewogen en nu lig ik hier voor een uit steen gehouwen kade waarop illuminiserend licht valt. Naast mij een dier,zo weinig opmerkzaam,zijn hartslag rilt obsceen tegen mij aan.In die korte momenten waarin ik helder ben vraag ik mij af: ben ik een wezenlijk deel van de rivier? Wanneer ik ontsnap zal zij dan sterven? Is het de bedoeling dat ik ontsnap? Zijn er daar soortgenoten? Kan ik daar leven en ben ik daar eerder geweest? Ik word korzelig van al die vragen – terugzinken in de diepte tussen de makaziplanten of eruit kruipen? Iets moet gebeuren,zodat ik mijn nek,wervels,tong schrap zet alles doordrenk van mijn wilskracht uit het zwart te geraken,ik zing wanneer ik door de buis door de adem door de vlijmscherpe haken alles zo nauw en gevaarlijk maar ik zing en gevaarlijk vrij op de grond stort
Stad
Op hoeven draaft de stad de nacht door lange teugels om gebouwen zweepslagen op het plein van opwinding luiden de klokken bakstenen laten hun greep los fietsen ratelen de straat op, fornuizen. Genoeg. De stad strijkt neer bij een oever door het rinkelen en gongen ontwaken de vissen glad en radeloos
Uit: Tot in de hemel (Vertaald door Jelle Noorman)
“Het staatsburgerschap wekt honger naar de onontgonnen wereld. De twee pakken hun roerend goed bijeen en beginnen aan de landreis over de uitgestrekte, met weymouthdennen overdekte vlakten, via de donkere beukenwouden van Ohio, door de opener eikenbossen van het Middenwesten, helemaal naar de nederzetting bij Fort Des Moines in de nieuwe staat Iowa, waar de overheid land dat nog maar gisteren werd verkaveld weggeeft aan eenieder die het bewerken wil. Hun naaste buren wonen twee mijl verderop. Dat eerste jaar beploegen en beplanten ze zo’n vijftig acres. Mais, aardappelen en bonen. Ze werken bikkelhard, maar voor zichzelf. Beter dan marineschepen bouwen voor welk natie dan ook. Dan volgt de prairiewinter. De kou knaagt aan hun levenswil. In de blokhut vol kieren daalt hun bloed “s nachts naar het nulpunt. Elke morgen moeten ze een wak slaan in de waskom om ten minste hun gezicht af te spoelen. Maar ze zijn jong, vrij en gedreven – de enige stutten van hun eigen bestaan. De winter krijgt hen er niet onder. Nog niet. De zwartste wanhoop in hun hart wordt samengeperst tot diamant. Wanneer het opnieuw tijd is om te planten, is Vi in verwachting. Hoel drukt zijn oor tegen haar buik. Ze moet lachen om zijn van ontzag vertrokken gezicht.‘Wat zegt het?’ Hij antwoordt in zijn hoekige, bonkige Engels‘Voed me!’ In mei dat jaar ontdekt Hoel zes kastanjes in een zak van de kiel die hij droeg op de dag dat hij zijn vrouw ten huwelijk vroeg. Hij duwt ze in de aarde van West-Iowa, op de boomloze prairie rond de blokhut. De boerderij is honderden mijlen verwijderd van de natuurlijke habitat van de kastanje en duizend mijl van de kastanjefestijnen van Prospect Hill. Met elke maand die verstrijkt, kost het Hoel meer moeite ze zich voor de geest te halen, die groene wouden in het oosten. Maar dit is Amerika, waar mens en boom de wonderbaarlijkste omzwervingen maken. Hoel plant, begiet en denkt: Op een dag zullen mijn kinderen aan de stammen schudden en gratis kunnen eten. Hun eerstgeborene sterft als zuigeling, gedood door iets wat nog geen naam heeft. Microben bestaan nog niet. God is de enige die kinderen wegneemt en zelfs, met ondoorgrondelijke regelmaat, tijdelijke zielen meegrist van de ene wereld naar de ander.”
« Tandis que ma tante parlait d'une amie enfuie dès les premiers jours, après avoir enterré dans son jardin des pendules, des boîtes de sardines, je demandai à mon père le moyen d'emporter nos vieux livres ; c'est ce qu'il me coûtait le plus de perdre. Enfin, au moment où nous nous apprêtions à la fuite, les journaux nous apprirent que c'était inutile. Mes soeurs, maintenant, allaient à j... porter des paniers de poires aux blessés. Elles avaient découvert un dédommagement, médiocre il est vrai, à tous leurs beaux projets écroulés. Quand elles arrivaient à J..., les paniers étaient presque vides ! Je devais entrer au lycée Henri IV ; mais mon père préféra me garder encore un an à la campagne. Ma seule distraction de ce morne hiver fut de courir chez notre marchande de journaux, pour être sûr d'avoir un exemplaire du Mot, journal qui me plaisait et paraissait le samedi. Ce jour-là je n'étais jamais levé tard. Mais le printemps arriva, qu'égayèrent mes premières incartades. Sous prétexte de quêtes, ce printemps, plusieurs fois, je me promenai, endimanché, une jeune personne à ma droite. Je tenais le tronc ; elle, la corbeille d'insignes. Dès la seconde quête, des confrères m'apprirent à profiter de ces journées libres où l'on me jetait dans les bras d'une petite fille. Dès lors, nous nous empressions de recueillir, le matin, le plus d'argent possible, remettions à midi notre récolte à la dame patron esse et allions toute la journée polissonner sur les coteaux de Chennevières. Pour la première fois, j'eus un ami. J'aimais à quêter avec sa soeur. Pour la première fois, je m'entendais avec un garçon aussi précoce que moi, admirant même sa beauté, son effronterie. Notre mépris commun pour ceux de notre âge nous rapprochait encore. Nous seuls, nous jugions capables de comprendre les choses ; et, enfin, nous seuls nous trouvions dignes des femmes. Nous nous croyions des hommes. Par chance nous n'allions pas être séparés. René allait déjà au lycée Henri IV, et je serais dans sa classe, en troisième. Il ne devait pas apprendre le grec ; il me fit cet extrême sacrifice de convaincre ses parents de le lui laisser apprendre. Ainsi nous serions toujours ensemble. Comme il n'avait pas fait sa première année, c'était s'obliger à des répétitions particulières. Les parents de René n'y comprirent rien, qui, l'année précédente, devant ses supplications, avaient consenti à ce qu'il n'étudiât pas le grec. Ils y virent l'effet de ma bonne influence, et, s'ils supportaient ses autres camarades, j'étais, du moins, le seul ami qu'ils approuvassent. Pour la première fois, nul jour des vacances de cette année ne me fut pesant. »
Raymond Radiguet (18 juni 1903 – 12 december 1923) Cover Duitse uitgave
As with torches we go, at wild Christmas, When we revel in our atonement Through thirty feasts of unction and slaughter, What is that but the soul’s winter sleep? So many things rest under consummate Justice as though trumpets purified law, Spikenard were the real essence of remorse. The sky gathers up darkness. When we chant ‘Ora, ora pro nobis’ it is not Seraphs who descend to pity but ourselves. Those righteously-accused those vengeful Racked on articulate looms indulge us With lingering shows of pain, a flagrant Tenderness of the damned for their own flesh:
6
My little son, when you could command marvels Without mercy, outstare the wearisome Dragon of sleep, I rejoiced above all— A stranger well-received in your kingdom. On those pristine fields I saw humankind As it was named by the Father; fabulous Beasts rearing in stillness to be blessed. The world’s real cries reached there, turbulence From remote storms, rumour of solitudes, A composed mystery. And so it ends. Some parch for what they were; others are made Blind to all but one vision, their necessity To be reconciled. I believe in my Abandonment, since it is what I have.
denk je: dit is de aanloop een eerste ademtocht geen woord te vinden om het uit te drukken
de eerste abstraktie van die grote gele groene en bruine vlakken en de sloten en het kanaal er doorheen een vlek vol vlekken roep ik: trekt de schara voorbij beneden platgeslagen in zijn eigen spiegel geel gezicht en doorrimpeld vroeger rivieren en wouden vol olifanten en reden de jagers in tweewielige wagens en schoten maar raak kijk ik uit de kap van de molen van Schiphoes en zie het dak van de zolder van Oma waar de aanstaande man van Totje Nachenus zich ophing twee uur voor de bruiloft en Totje het lijk sloeg en riep jij loeder doe deugnait waarom en Oma dan zegt heel kalm aan deze haak hing ie Opa haalde hem los maar was dood
Bert Schierbeek (18 juni 1918- 9 juni 1996) Op de cover van de Parelduiker
/ die mauern halten fest hinter glas bleibt er fremd / bär mit zerzausten augen verausgabt in einem kampf / der nicht zu gewinnen ist abgehalftert vertanzt mahlt er kinnbacken ihm
klebt die welt an den fersen / das beste er setzt sich drauf wer hat das programm gemacht / wer hat es in szene gesetzt
müde hebt er nicht tatzen mehr nur lider
Futter I
hüllen sie sich in stimmen / nieseln auf geköpfte platanen über pfützen / geduckte passanten sie sitzen
an der theke, pastis / mahlen maschinen francs spannen gerüchte aus / steigen auf pyrenäen schlürfen sie
‘Moeder hield er niet van dat in ons huis over “het gemeen volk” gesproken werd. Met gemeen volk bedoelde ze de fabrieksarbeiders. Het “goed volk” bestond uit de adel, de burgerij en de boeren. Hoewel de boeren ook met de handen werkten, was er voor haar geen enkele overeenkomst tussen hen en de arbeiders. Een boer bezat een hoeve. Hij bezat dieren en werktuigen. Hij was katholiek. Hij bad 's avonds het rozenhoedje. Hij ging zondags naar de hoogmis. Hij vloekte niet. Hij kwam niet in de kroegen. Hij was degelijk, welgesteld, behoudsgezind en betrouwbaar.’ (...)
‘Arbeiders waren voor hem, en zijn het altijd gebleven, kinderen aan wie men daarom niet te veel geld moest geven - ze wisten immers niet wat ze ermee moesten doen - en die men bij de hand moest houden.’ (...)
‘Als je haar hoort spreken, lijkt het of ze persoonlijk omgang heeft met de Heilige Theresia, Catharina, Elisabeth, Appolonia... Allemaal vrouwen. Ze bidt niet tot mannen. Zelfs niet tot de Heilige Jozef zei ze glimlachend. (...) In de loop van het gesprek prevelt ze voortdurend schietgebedjes. (...) Bij het afscheid prevelt ze ook haastig wat, zonder twijfel een gebedje om je op de terugweg te behoeden. Ze zegt nooit God, maar Onze-Lieve-Heerke. Ze glimlacht, terwijl ze die naam noemt en ze grijpt even naar haar rozenkrans, die ook ergens in haar kleren zit. Ze ziet haar Onze-Lieve-Heerke duidelijk als een kameraad. Ze is op weg naar hem. Ze ziet de dood zonder de minste angst tegemoet."
„Ich war so naiv gewesen. Obwohl mir »naiv« damals als letztes Adjektiv eingefallen wäre, um mich zu beschreiben, ich hielt mich eher für misstrauisch und skeptisch, auf jeden Fall für klug genug, Zusammenhänge zu verstehen und einzuordnen. Trotzdem war etwas geschehen, was ich nicht verstand. Wenn man von früheren Ereignissen erzählt, erkennt man plötzlich Dinge, die man vorher nicht gesehen hat, findet manches wichtig, was man nur nebenbei wahrgenommen hat, oder man stellt fest, dass man sich grundlos aufgeregt oder geärgert hat, Überflüssiges gedacht und getan hat, und dass manches, was einem schrecklich vorkam, im Grunde nur banal war. Oder umgekehrt. Denn in dem Moment, in dem man eine Situation erlebt, ist es unmöglich zu wissen, ob sie später irgendeine besondere Bedeutung haben wird oder nicht. So geht es mir heute, wenn ich an die vielen Streitereien mit meiner Mutter denke, übers Aufräumen, nicht erledigte Aufträge, nicht eingehaltene Versprechungen. Es ist nicht so, dass ich mich jetzt nicht mehr über sie ärgere, aber manchmal denke ich, was soll’s, in einem Jahr sieht alles anders aus. Und ich glaube, meine Mutter empfindet es mir gegenüber ganz ähnlich. Wenn wir uns heute streiten, habe ich oft das Gefühl, als würden wir aus lauter Gewohnheit ein altes Spiel weiterführen, ein Spiel, über das wir manchmal sogar lachen können. Und wir können miteinander sprechen. Das ist erstaunlich, denn ich habe früher sehr wenig gesprochen. »Verschlossen wie eine Auster«, hat meine Mutter oft geklagt, »die Schalen schön fest geschlossen halten. Es könnte ja jemand auf die Idee kommen, sie aufzubrechen, um nach einer Perle zu suchen.« Man weiß auch nicht wirklich, an welcher Stelle der Geschichte man mit dem Erzählen anfangen soll, was nichts mehr mit ihr zu tun hat oder bereits dazugehört. Ich habe beschlossen, mit meiner fixen Idee anzufangen, auch wenn ich nicht sagen kann, wann genau sie entstanden ist. »Wie bist du eigentlich auf diese Idee gekommen?«, hat Alexej mich gefragt, als ich ihm zum ersten Mal einige zusammengeheftete Blätter überreicht habe. Ich habe nur mit den Schultern gezuckt. »Keine Ahnung. Manche Ideen sind plötzlich da, ohne dass man vorher darüber nachgedacht hat, es ist, als wären sie vom Himmel gefallen.« Doch eigentlich glaube ich das nicht. Vermutlich schleichen sich Ideen heimlich ein, sind anfangs nur flüchtige Gedankenfetzen, die aufblitzen und sofort wieder verschwinden, weil sie von anderen Überlegungen verdrängt werden oder sich in ihnen auflösen. Trotzdem bleiben sie in irgendwelchen Winkeln des Gehirns hängen und warten auf eine günstige Gelegenheit, um wieder aufzutauchen.“
“Though the bailiff had written identical letters to his master the year before and the year before that, this last letter had the same strong effect as any other unpleasant and unexpected piece of news. The whole thing was a great nuisance: he had to think of raising some money and of taking certain steps. Still, it is only fair to do justice to the care Oblomov bestowed on his affairs. Already, after receiving his bailiffs first unpleasant letter several years before, he had begun devising a plan for all sorts of changes and improvements in the management of his estate. According to his plan, various economic, administrative, and other measures would have to be introduced. But it was far from being thoroughly thought out, and the bailiffs disagreeable letters went on arriving every year, arousing in him the desire to do something and, consequently, disturbing his peace of mind. Oblomov, indeed, realized very well that he would have to do something decisive before his plan was worked out. As soon as he woke he made up his mind to get up, wash, and, after he had had breakfast, think things over thoroughly, come to some sort of decision, put it down on paper and, generally, make a good job of it. He lay for half an hour, tormented by this decision; but afterwards it occurred to him that he would have plenty of time to do it after breakfast, which he could have in bed as usual, particularly as there was nothing to prevent him from thinking while lying down. That was what he did. After breakfast he sat up and nearly got out of bed; glancing at his slippers, he even lowered one foot from the bed, but immediately put it back again. It struck half-past nine. Oblomov gave a start. `What am I doing?' he said aloud in a vexed voice. 'This is awful! I must set to work! If I go on like this — —`Zakhar!' he shouted. From the room separated from Oblomov's study only by a narrow passage came what sounded like the growl of a watch-dog on a chain, followed by the noise of a pair of legs which had jumped off from somewhere. That was Zakhar, who had jumped off the stove where he usually sat dozing.”
Ivan Gontsjarov (18 juni 1812 – 27 september 1891) Scene uit een theaterbewerking van “Oblomov”, Mechelen, 2017
Tags:Marije Langelaar, Richard Powers, Raymond Radiguet, Geoffrey Hill, Bert Schierbeek, Aster Berkhof, Karin Fellner, Mirjam Pressler, Ivan Gontsjarov, Romenu
De Nederlands dichterFrançois Henricus Anthonie van Dixhoornwerd geboren in Hansweert op 17 juni 1948. Van Dixhoorn woonde tussen 1953 en 1972 in Vlissingen, daarna in Middelburg en Amsterdam en sinds 1996 weer in Middelburg. Van Dixhoorn publiceerde gedichten in Raster en De Revisor voordat hij in 1994 debuteerde met de dichtbundel “Jaagpad / Rust in de tent / Zwaluwen vooruit” (1994), die datzelfde jaar werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs. Deze werd bekroond met de C. Buddingh'-prijs voor nieuwe poëzie. In 1997 verscheen Dixhoorns tweede bundel, “Armzwaai/ Grote keg/ Loodswezen I”, gevolgd door “Takken molenwater/ Kastanje jo/ Hakke tonen/ Uiterton/ Molen in de zon” (2000) en Dan op de zeevaartschool (2003). In 2007 verscheen “Twee piepjes”, dat werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs 2008. In 2012 verscheen “Zon in de pan & 4. De zon in de pan”. De bundel werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. Eind september 2017 verscheen zijn zevende dichtbundel “Verre uittrap”. Gedichten van F. van Dixhoorn zijn verder verschenen in zelfstandige bundels en poëzietijdschriften en zijn vertaald in het Frans, Duits en Engels.
Grote keg
1. handen omhoog 2. jonge twijgen buigen licht achteraf roerloos met uitgestrekte hals 3. in z'n geheel omringd door water alsof iemand een misdaad heeft begaan 4. deels doe ik het maak het af het is gedaan en vergeet het 1. een
Kastanje jo
1. deinende grauwe ruggen van olifanten als gras in het voorbijgaan schudden de struiken sleuren een paar takken af om bedachtzaam te vermalen 2. de kok voor het eten 3. voor een westerling welke westerling heeft niet
„Wer kennt die Hohe Tatra nicht? Im Osten, an der Grenze zwischen Polen und der Slowakei gelegen, wird sie gern als kleinstes Hochgebirge der Welt bezeichnet. Niedrig ist sie dabei keineswegs. Das ganze Massiv ist allerdings bloß an die fünfzig Kilometer lang, also bald mit einem Blick zu über-schauen. Anders als etwa bei den Alpen gibt es keinerlei Vorberge, unvermittelt erheben sich die Gipfel aus der Ebene. Kahle Felspyramiden, bloß am Fuß von Wäldern und Wiesen eingefasst, erin-nern sie an Zeichnungen von Kinderhand: Gerade so, Zack neben Zack, stellen Kinder sich Rir ge-wöhnlich ein Gebirge vor. Unwahrscheinlicher Anblick der blauen und grünen Waldungen, die vor Ruhe und Frieden rauchen, der kahlen, zerrissenen Almgründe, der blanken, von der Sonne überstrahlten Felsen. Die Kleinstadt Poprad, in der Ebene draußen gelegen, ist Verwaltungsmittelpunkt hier, Sitz der Schulen und Behörden. Am Rand der Berge zieht sich lose eine Kette von Dörfern hin, von Kur-orten, früher der Sommerfrische, heute auch und vor allem dem Wintersport gewidmet: Sie sind durch eine Art von Lokalbahn miteinander verbunden. Nicht nur die Existenz dieser seltsam unzeitge-mäß wirkenden Bahn, auch viele andere Kleinig-keiten deuten auf den Ursprung all dieser Einrich-tungen in einer längst verflossenen Ära hin, der Zeit der Monarchie, des ehemaligen Kaiserreichs. Freilich hat die mittlerweile vergangene Zeit mit ihren Kriegen, Revolutionen und Umbrüchen die alten Zusammenhänge vielfach zerstört, manches wurde ganz abgeschafft, vieles aber auch bloß um- und wieder aufs Neue umgewidmet und um-benannt. Ein trüber Glanz liegt über dem Ganzen wie der Schleier in einem alten Spiegel. Die spätere Jana Kelemen wurde als Jana Sou-kup in die damals noch kommunistische Volks-republik Tschechoslowakei hineingeboren. Ihr Vater, Jaroslav Soukup, war zuerst Verwalter im Hotel Elisabeth in Star, Smokovec gewesen, eine Art von besserem Hausmeister. Jetzt wirkte er dort als Direktor: Er war eben immer schon Kommu-nist und Parteimitglied gewesen. Das Hotel, ursprünglich nach Sisi, der Gemah-lin des Kaisers, benannt, war nun zum Gewerk-schaftsheim umfunktioniert und hieß Prdca, was auf Slowakisch so viel wie Arbeit heißt. Das Prdca, ein noch immer stattlicher, wenn auch etwas heruntergekommener Kasten, war in einer Art von Schönbrunnergelb gestrichen: Jedes Zimmer verfügte über einen eigenen Balkon. Im Inneren verbinden mit roten Läufern ausgelegte Gänge die in feierlichem Weiß gehaltenen Räum-lichkeiten. Kein kleines Haus, das Prdca, o nein! Oben drüber, über dem von Rost gefleckten Blech-dach, prangte der fünfzackige, rote Stern. Es war allerdings die Gewohnheit des Herrn Direktor Soukup, viel und ausführlich im gleich gegenüber dem Prdca großartig auf einer kleinen Anhöhe platzierten Grandhotel sich aufzuhalten, ein freilich noch respektableres Haus.“
Peter Rosei (Wenen, 17 juni 1946)
De Algerijnse schrijver en journalist Kamel Daoudwerd geboren op 17 juni 1970 in Mostaganem, Algerije. Zie ook alle tags voor Kamel Daoud op dit blog.
Uit: Zabor(Vertaald door Manik Sarkar)
“(Buiten is de maan een huilende hond die kronkelt van de pijn. De nacht is op het hoogtepunt van zijn duisternis en verzwaart het dorp met enorme, onbekende ruimtes. Iemand rammelt krachtig aan de klink van de oude deur; andere honden antwoorden. Ik weet niet wat ik moet doen, of ik moet ophouden of niet. De benarde ademhaling van de oude man dringt door in alle hoeken en maakt alles beklemmend. Ik probeer een mentale afleidingsmanoeuvre, kijk naar iets anders. Op de wanden van de kamer, tussen de kast en de foto van Mekka, hangt het oude, afgebladderde schilderij van de continenten. Droge zeeën met gaten. Droge wadi’s gezien vanuit de hemel. ‘Noen! Bij de pen en wat zij schrijven,’ zegt het Heilige Boek in mijn hoofd. Maar het heeft geen zin. De oude man heeft geen lichaam meer, alleen nog kleding. Hij zal sterven omdat het schrift van zijn leven geen nieuwe bladzijden meer heeft.) Schrijven is de enige list die werkt tegen de dood. Men heeft het geprobeerd met bidden, medicijnen, magie, onafgebroken recitaties en inertie, maar ik denk dat ik de enige ben die de oplossing gevonden heeft. Ik zou continu moeten schrijven, onophoudelijk, nauwelijks pauzerend om te eten, mijn behoefte te doen, goed te kauwen of de rug van mijn tante te krabben terwijl ik uit de losse pols de dialogen van de buitenlandse films voor haar vertaal omdat ze herinneringen bij haar losmaken aan de levens die ze nooit heeft geleid. Arme vrouw, die een boek verdient waarvan ze honderd jaar oud zou worden. Strikt gesproken zou ik nooit meer op moeten kijken en hier altijd blijven zitten, toegewijd en opgesloten, als een martelaar gebogen over diepzinnige redeneringen, krabbelend als een epilepticus en mopperend over de ongedisciplineerde woorden die zich steeds maar willen vermenigvuldigen.”
“Wednesday. This was the day of the funeral. Today he must retrieve the suit he was married in and prepare himself. He must be cautious of his own precarious feelings, he must be manly, and upright, and not lose control, or weep. Martin kicked his legs free of the sheets. He turned from the window and struggled hungover from his bed. His body, always slim, felt abnormally heavy. He rubbed his face with both hands, then his stiff neck, then ruffled his receding and thin grey hair. He felt his skull and wondered with idle alarm about diminishment of memory. Only forty-three, he suspected that his brain was already fretted with holes. Almost every day he found evidence of incipient dementia or a biochemical dysfunction that had no name. Objects receded from definition. People became generalised. Book titles were often difficult to recall. It seemed a dopey belittlement. He was growing smaller in the world, and now, with his father gone, there was a dread, or humiliation, entering the texture of things, like the feeling of walking into a dark room, fumbling for a switch and finding the electricity gone. In the bathroom, shaving, he barely recognised himself. He was tempted to say his own name aloud. Outside, in the world, he was oddly more credible, an artist who appeared in the newspapers, feted by collectors with a shrewd eye on the markets, linked to the burnished figures of the mysteriously rich. He tilted the mask of his face towards the mirror at a cubist angle. This, apparently, was what it meant to be parentless. One changed appearance, something was peeled away. Shaving cream spattered as he flicked his razor. Martin wiped it to a bleary swirl with the back of his forearm, turned on the tap, and watched the foam of his shaving mess circle and disappear. It would be a day sullied, he knew it, a day full of objects and substances turning into emotions and symbols. When he heard the phone he started, as if it sounded his nervousness. He considered refusing the command, but realisedit was Evie, checking up onhim. ‘So how’s it going?’ he asked. ‘Did I wake you? Have you remembered?’ ‘No. Yes. Of course I remembered.’ ‘You found the suit?’ ‘Not yet, but I know it’s here somewhere. Fuck, Evie…’ Martin paused. He must not swear at his sister or sound exasperated. She’d seen him drunk the night before, wallowing in self-pity. She’d seen him stumble on the pavement and whine like a bullied boy, as though the death of their father, Noah, was a personal affront. He felt the grip of a juvenile shame.”
Gail Jones (Harvey, 17 juni 1950)
De Amerikaanse dichter, schrijver en vertalerRon Padgettwerd geboren op 17 juni 1942 in Tulsa, Oklahoma. Zie ook alle tags voor Ron Padgettop dit blog.
Poet as Immortal Bird
A second ago my heart thump went and I thought, “This would be a bad time to have a heart attack and die, in the middle of a poem,' then took comfort in the idea that no one I have ever heard of has ever died in the middle of writing a poem, just as birds never die in mid-flight. I think.
Survivor Guilt
It's very easy to get. Just keep living and you'll find yourself getting more and more of it. You can keep it or pass it on, but it's a good idea to keep a small portion for those nights when you're feeling so good you forget you're human. Then drudge it up and float down from the ceiling that is covered with stars that glow in the dark for the sole purpose of being beautiful for you, and as you sink their beauty dims and goes out— I mean it flies out the nearest door or window, its whoosh raising the hair on your forearms. If only your arms were green, you could have two small lawns! But your arms are just there and you are kaput. It's all your fault, anyway, and it always has been— the kind word you thought of saying but didn't, the appalling decline of human decency, global warming, thermonuclear nightmares, your own small cowardice, your stupid idea that you would live forever— all tua culpa. John Phillip Sousa invented the sousaphone, which is also your fault. Its notes resound like monstrous ricochets.
But when you wake up your body seems to fit fairly well, like a tailored suit, and you don't look too bad in the mirror. Hi there, feller! Old feller, young feller, who cares? Whoever it was who felt guilty last night, to hell with him. That was then.
Ron Padgett (Tulsa, 17 juni 1942)
De Vlaamse schrijver Ward Ruyslinck(pseudoniem van Raymond Charles Marie De Belser) werd geboren in Berchem op 17 juni 1929. Zie ook alle tags voor Ward Ruyslinck op dit blog.
Uit: De petitie
“De vrouw en de twee kinderen waren op slag dood. Het moet vreselijk zijn geweest. Het stond in alle morgenbladen en sommige gaven de gruwelijkste bijzonderheden. Van het meisje werd slechts de scalp teruggevonden, een lap schedelhuid met enkele plukjes blond haar er aan. Alleen de kanarie werd levend van onder het puin gehaald, de tralies van zijn kooi waren niet eens verbogen en toen hij het daglicht weerzag begon hij dadelijk te kwinkeleren. Dat zijn wondere dingen, je begrijpt niet hoe zo iets mogelijk is. Vandaag is de man bij me geweest, de man met zijn gescheurd gezicht, de man die nooit meer zou lachen. Hij zamelde handtekeningen in. Dat mag nooit meer gebeuren, zei hij, het was geen ongeluk, ik weet zeker dat het geen ongeluk was, het was een aanslag, een moorddadige aanslag, en het gerecht blijft in gebreke. Ik begon me te schamen, want ik had reeds van de petitie gehoord en had me voorgenomen ze niet te ondertekenen, niet uit steilorigheid, maar uit principe, al wist ik niet goed uit welk principe. Principes zijn evengoed een kwestie van hart en van aandrang als van overtuiging en geweten. Maar toen ik de man vòòr me zag, de man met zijn blauw gescheurd gezicht, de man die naar puinen rook en nooit meer zou lachen, en toen ik zijn stem hoorde, toen het tot me doordrong wat hij zei en ik langzamerhand begreep waar het om ging, toén begon ik me een weinig te schamen. Ik sloeg de ogen neer, mijn blik viel op zijn schoenen. Ze zaten nog dik onder het steenstof, ze waren grijs bestoven, maar het kon natuurlijk wel stof van de straat zijn, want wie weet hoe lang kloste hij al in de stad rond met zijn petitie. Opletten, zei ik, hebt u bewijzen? Ik wilde hem niet ontmoedigen, maar ik kon nu eenmaal nooit nalaten schijnmanoeuvres te maken om mijn werkelijke gevoelens te verbergen. Ik keek over mijn handen naar hem op. In zijn ogen bewoog zijn ziel, zeer vlug, er dreven allerhande vreemde grijze stipjes (stofjes?) in rond als in een onzuivere vloeistof waarin geroerd wordt. Ik weet het zeker, herhaalde hij, ik heb geen bewijzen, maar ik weet het zeker, als u een geweten hebt geeft u me dan uw handtekening. Ik hàd een geweten, maar kon het geweten van één enkele mens of van enkele honderden mensen verhinderen dat men zou voortgaan met het plegen van misdadige aanslagen op weerloze vrouwen en kinderen?”
Ward Ruyslinck (17 juni 1929 – 3 oktober 2014) Cover
De Nederlandse dichter en schrijver Max Dendermonde(pseudoniem van Hendrik Hazelhoff) werd geboren op 17 juni 1919 in Winschoten. Zie ook alle tags voor Max Dendermondeop dit blog.
Bekentenis
Ik had zo graag een grote dichter willen zijn, die in zijn vers gezonken tot de wereld trad. Nu bloei ik 's avonds eenzaam achter het gordijn, terwijl ik heenvlied in de nachtstem van de stad
en kleine tranen trek als regels op 't papier De dingen van het leven in een vers gevat doen mij de stille rol aanvaarden, die mij hier gewezen is. Dan ga ik moedig langs het pad,
waarover God de nachten breekt in een gedicht, en dat omhoogvoert boven alle wensen. Maar 's daags verschrompel ik in 't helle licht en voel ik mij in 't wreed gebaar der mensen weer nietig en alleen, en weerloos zucht ik klein: Ik had zo graag een grote dichter willen zijn...
Een hint
Ik liep nog es met Richard Minne langs de Leie, een kleine Vlaamse man met felle, droge praet, een kerel als een klepel in de schrijverij en – hoewel ik nog maar een klein boekje had gemaakt –
hij praatte met mij als tegen een ouwe maat. Jongens als ik kwamen in die aardige tijden graag over de vloer, in een soort apostolaat, bij hun grote exempels. Losjes, ingewijden,
begonnen wij ons in het natte gras te vlijen, en de ouwe Richard zei zacht: Het is een staat van de geest alleen, mijn jongen. Al dicht ik zelden,
zelden iets goeds, er gaat geen minuut zonder schrijven. Dat geeft kracht. Als door je knar het zeldzame gaat, kan je mooi, hoe klein je bent, bestaan zonder helden.
De schurk
Weer is het vrede, roept men wild om wijn, heet, opgelucht na al het leed en bloeden. Zij zegt: er zal nu nooit meer oorlog zijn… en ik, afzijds van het rumoer en moede:
oorlogen, liefste, zullen blijven woeden eeuwen nadat van Boston of Berlijn, van stalen helmen en van hoge hoeden de laatste resten niet meer vindbaar zijn.
What’s in a name? Onder de lichtste lucht zullen wij, bloedig of onbloedig, vechten om brood, om liefde, om vermeende rechten.
De oorlog, klein of groot, laat ons geen vlucht, want zelfs tot in het lieflijkste gehucht volgt in de spiegel ons de schurk, de echte.
Max Dendermonde (17 juni 1919 – 24 maart 2004) In 1985
Nachts kommen böse Räuber in mein Zimmer, seit letzter Woche wird es immer schlimmer. Sie haben lange Messer und Pistolen und wollen mich in ihre Höhle holen.
»Du hast doch Pfeil und Bogen!« Kann das nützen, wenn ihre Augen auf der Treppe blitzen?
»Die Tür abschließen!« Nein. Ich hab entdeckt, wie einer sich schon unterm Bett versteckt.
»Ich seh nichts unter deinem Bett, mein Bester.« Das ist mal wieder typisch große Schwester. Sie hat noch gar nicht richtig nachgesehen, sonst würde ihr das Lachen schon vergehen.
Wer kann mir helfen? Tiger schläft schon lange. Und diese Räuber sind vor gar nichts bange.
»Stimmt nicht!« Krächzt jetzt mein Rabe auf dem Schrank. »Hab keine Angst! Ich helf dir.« Gottseidank.
»Ich bin zwar klein und sage dir ganz ehrlich, die Räuber hier sind groß und sehr gefährlich. Doch du bist sicher, glaub nur deinem Raben, weil Räuber nämlich Angst vor Raben haben.«
When morning shows her first faint flush, I think of the tender blush That crept so gently to your cheek When first my love I dared to speak; How, in your glance, a dawning ray Gave promise of love's perfect day.
When, in the ardent breath of noon, The roses with passion swoon; There steals upon me from the air The scent that lurked within your hair; I touch your hand, I clasp your form — Again your lips are close and warm.
When comes the night with beauteous skies, I think of your tear-dimmed eyes, Their mute entreaty that I stay, Although your lips sent me away; And then falls memory's bitter blight, And dark — so dark becomes the night.
To America
How would you have us, as we are? Or sinking 'neath the load we bear? Our eyes fixed forward on a star? Or gazing empty at despair?
Rising or falling? Men or things? With dragging pace or footsteps fleet? Strong, willing sinews in your wings? Or tightening chains about your feet?
James Weldon Johnson (17 juni 1871 – 26 juni 1938) Cover autobiografie
“Ik strijk mijn uniform glad en gesp mijn sabel aan mijn riem. Terwijl ik mij, stommelend mijn evenwicht bewarend, richting de deuren van de trein begeef merk ik dat ik toch niet die eenzame reiziger ben die ik dacht te zijn: in een van de cabines, voor in de trein, zit een jonge vrouw. Ik wil geen vooroordelen over het militaire leven bevestigen, maar het is waar dat wij weinig vrouwelijk schoon zien in ons gehucht. Misschien is dit de reden dat ik het fatsoen niet kan opbrengen mijn blik meteen af te wenden. Ze zit aan het kleine tafeltje van haar coupé, keurig gekleed in een heel lichtroze zomerse jurk, bezet met kleine zwarte gestikte bloemen. Haar zwarte haren zijn opgestoken. Ze schrijft driftig. Een brief? Een reisverslag? Ik kan het niet zien, maar god! Wat ben ik benieuwd. Ze zit voorovergebogen waardoor ik haar gezicht slecht kan zien, maar ik zie haar voorhoofd: jeugdig glad. Ik zie haar neus: klein en verfijnd. Ze moet een jaar of negentien zijn, niet veel jonger dan ikzelf. Zij moet één station eerder zijn ingestapt, want ik heb haar niet eerder zien zitten. Ik besef dat ik nu al veel te lang schaamteloos sta te gluren; draai mij vlug om en loop wankelend verder richting de deuren. Ik moet zeggen dat ik, terwijl de trein tot een halt komt, mijzelf erop betrap nogal te treuzelen. Ik blijf een beetje hangen in het gangpad, strijk mijn uniform nog eens glad en speel met de gesp van mijn sabel. Dan valt me op dat de conducteur op het perron mij met opgetrokken wenkbrauwen gadeslaat. Hij komt naar mij toe en zegt nors: 'Het eindstation, mijnheer.' Ik lach een beetje idioot, alsof ik stond te dromen, en pak mijn koffer op om uit te stappen. Op dat moment schiet de deur van de cabine open en komt de vrouw haastig naar buiten, de papieren onder haar ene arm geklemd en een koffer in haar andere hand. In het voorbijgaan kijkt zij op naar mij, onze blikken kruisen elkaar, maar ze zegt niets en loopt langs mij heen. Ik mik haar parfum: een zoetige lucht die prikt in mijn neus en mij aan rijpe peren en kaneel doet denken. De conducteur neemt mij wantrouwend in zich op terwijl hij aan een pijp lurkt. Ik knik op mijn vriendelijkst naar hem en stap achter de onbekende vrouw aan de trein uit. Buiten is het nog aangenaam warm, de stenen van het perron gloeien nog na. Een nachtegaal zingt; de mysterieuze schone is al een eind van mij vandaan en ik moet aardig de pas erin houden om haar bij te houden. `Neemt u mij niet kwalijk, mevrouw,' zeg ik haastig. 'Maar kan ik die zware koffer voor u dragen?' Op dat moment blijkt het onmogelijke waar: ze kan nog sneller lopen, en ik heb dat talent zojuist in haar naar boven gehaald. Ze kijkt niet om terwijl ze antwoordt: 'Dat is zeer vriendelijk van u, maar niet nodig.' `Ik geloof dat u zich als reiziger wel raad weet,' zeg ik en moet een hupje maken om naast haar te kunnen blijven lopen.“
Mark Jarman, Joël Dicker, August Willemsen, Theo Thijssen, Ronelda Kamfer, Arie Gelderblom, Joyce Carol Oates, Frans Roumen
Bij Vaderdag – Dolce far niente
Always there door Jean Monti, 2001
Descriptions of Heaven and Hell
The wave breaks And I'm carried into it. This is hell, I know, Yet my father laughs, Chest-deep, proving I'm wrong. We're safely rooted, Rocked on his toes.
Nothing irked him more Than asking, "What is there Beyond death?" His theory once was That love greets you, And the loveless Don't know what to say.
Mark Jarman (Mount Sterling, 5 juni 1952) Mount Sterling, de geboorteplaats van Mark Jarman
Uit:De waarheid over de zaak Harry Quebert (Vertaald door Manik Sarkar)
‘Het staat er niet goed voor,’ zei hij in de auto toen hij me naar Manhattan bracht. ‘Zeg me in ieder geval dat je energie hebt opgedaan in Florida en dat je opschiet met je boek! Er is een nieuwe schrijver waar iedereen het over heeft… Zijn boek wordt de grote kerstknaller. En jij, Marcus? Wat heb jij voor kerst?’ ‘Ik ga direct aan het werk!’ riep ik in paniek uit. ‘Het komt wel goed! We gooien er heel veel publiciteit tegenaan en dan komt het allemaal goed! De mensen vonden m’n eerste boek mooi, dus waarom zouden ze het volgende niet mooi vinden?’ ‘Je begrijpt het niet, Marc. Dat had gekund als we een paar maanden tijd hadden. Dat was de strategie: meedrijven op het succes van je eerste boek en het publiek voeden, geven waar het om vraagt. Het publiek wou Marcus Goldman, maar Marcus Goldman ging het er lekker van nemen in Florida en nu hebben de lezers een boek van iemand anders gekocht. Heb je je weleens in economie verdiept, Marc? Boeken zijn inwisselbaar geworden: mensen willen een boek dat ze bevalt, ontspant en vermaakt. Als jij dat niet voor ze schrijft, doet je buurman het wel, en dan ben jij rijp voor het grofvuil.’ Douglas’ georakel joeg me de stuipen op het lijf, en ik ging harder aan het werk dan ooit tevoren: om zes uur ’s ochtends begon ik met schrijven en ik werkte door tot negen of tien uur ’s avonds. Hele dagen zat ik onafgebroken op kantoor te werken: gedreven door een waanzin die gevoed werd door wanhoop krabbelde ik woorden neer, bouwde ik zinnen en bedacht ik de ene verhaallijn na de andere. Maar jammer genoeg bracht ik niets van waarde voort. En ondertussen zat Denise zich hele dagen ongerust te maken over mijn toestand. Aangezien ze niks meer te doen had, geen dictaat op te nemen, geen post te sorteren, geen koffie te zetten, liep ze te ijsberen op de gang. En als ze er niet meer tegen kon, trommelde ze op mijn deur. ‘Marcus, ik smeek je, laat me binnen!’ kermde ze. ‘Ga lekker naar buiten, wandelen in het park. Je hebt vandaag nog niks gegeten!’ ‘Ik heb geen honger! Geen honger!’ brulde ik dan ten antwoord. ‘Eerst het boek, dan eten!’ Ze stond haast te snikken. ‘Zeg niet zulke vreselijke dingen, Marcus. Ik ga naar de deli op de hoek om je lievelingsbroodje met rosbief te halen. Ik ben zo terug! Tot zo!’
“Ze kon niet direct mee; ik hing tien dagen rond in een tentenherberg op Cap Ferret. Toen ik haar kwam ophalen ging er al meteen van alles mis, en ik kreeg sombere voorgevoelens. Ook door een brief van Jaap. Ze zal nooit hebben beseft dat haar manier van voorlezen een foltering was. Ze sloeg stukken over, als om mij in te peperen dat er tussen Jaap en haar een intimiteit bestond waaraan ik niet kon tippen, en de passages die ze voorlas maakte ze nagenoeg onverstaanbaar door middel van een snuivend, licht spastisch gegrinnik (één van haar uniciteiten, moet ik erbij zeggen), vergezeld van mimiek en gebaren die bedoeld waren uitdrukking te geven aan gevoelens van gekwetst, zelfs gechoqueerd zijn, maar die in feite haar gevleidheid verrieden. Wat me stak was dat Jaap erin slaagde haar van haar stuk te brengen, en wel met, naar ik aannam, ‘harde waarheden’, die hij, als iets oudere kunstenaar, in de wetenschap dat ze toch wel op hem verliefd zou blijven, zich kon veroorloven, die hem alleen maar interessanter maakten, en waarnaar ik kon raden. Elke nieuwsgierigheid naar de inhoud van die passages zou kinderachtig zijn. Van míjn gevoelens mocht ik niets laten blijken. Want we zouden reizen als vrienden - dat waren we intussen geworden, of we hadden afgesproken het te zijn, of we deden alsof we het waren, of ik had gezegd dat ik het was, of beloofd dat ik het zou zijn, of besloten het te zijn, enfin, dat weet ik echt niet meer. Mijn gevoelens en gedachten, de eerste ondoorzichtig, de tweede onoprecht omdat ze niet anders beoogden dan de gunst van Marians nabijheid ten koste van de herinnering aan haar, kenmerkten zich nu door een haast dostojevskiaanse zelfuitvlakking. Paradoxaal genoeg ontleende ik aan de literaire troost dat Dostojevski's personages ook zo waren mijn laatste beetje eigenwaarde. Wat de brief betreft: het enige ter zake doende was de mededeling dat Jaap en Mies niet naar Gerona konden komen. Een beetje voorzichtig ten opzichte van elkaar begonnen we de reis naar het Zuiden. In Perpignan waren zigeuners. Straten vol. Zigeuners waren mooi. Dat was, alweer, een gegeven. Dus ook díe zigeuners. Marian echter, die met haar zwartbruine lange haar, koolzwarte ogen en donkere huid er bijna zelf een zou kunnen zijn, vond ze wel érg mooi.”
August Willemsen (16 juni 1936 – 29 november 2007) In 1966
“Erg was dat nou wel niet. Want dat dooie schooltekenen, nooit es landschapjes of zo, dat was toch niks. En op een goeie dag, als -ie eens een schetsboek had, dan kon de meester met z'n hele avondschool naar de maan lopen, en dan zou-ie wel es willen zien! Maar natuurlik, de schilders moesten je niet voor een schooier aanzien. Moesten natuurlik merken, dat je een fatsoenlike jongen was. Laatst was-ie op een Woensdagmiddag meegeweest met Jansen uit de zevende klas. Ja, die was ook zuur, die zat in de zevende en die droeg al een soort van lange broek! Dat moest z'n moeder hem, Kees, niet lappen! Hij knipte d'r gewoon stukken van af. Alleen zat-ie dan nog verlegen met z'n bénen, want Jansen had van die korte mannensokken ook, en zo'n gekke onderbroek met bandjes. Maar enfin, dan bleef-ie net zo lief alle dagen in huis zitten, tot z'n moeder hem wel fatsoenlik aankleden moèst. Maar Jansen was van buiten, en boerenjongens hebben allemaal van dat mannengoed aan.... Als ze tegen een uur of twee zorgden, dat ze aan de Baarsjes stonden, dan kwamen er twee schilders voorbij en Jansen was daar al dikwijls mee meegeweest. Goed, ze stonden er, en eindelik kwam de ene schilder er aan. Had je Jansen stom moeten zien doen. Mag 'k wat dragen, meneer, mag 'k wat dragen, meneer. Pak maar an, zei de schilder, en Jansen moest die doos en dat stoeltje dragen; 't was net zo'n soort van bedeljongen. Kees liet even merken dat hij Kees was: nam z'n pet behoorlik af. De schilder zag het niet. Zo liepen ze mee. Neem jij nou het stoeltje, zei Jansen. Nou, dat deed Kees natuurlik, anders had de schilder gauw gezegd: waarom loopt die jongen mee. Schuin tegenover een werf hielden ze halt. De schilder begon met tekenen, en de hele middag bleef-ie tekenen, die paar oue rottige schuiten op die werf. Hij tekende om een haverklap wat fout, en hij zat het aldoor weer uit te vegen. Kees twijfelde, of het wel een echte schilder was. De jongens gingen in het gras zitten. Het was nogal vervelend. De schilder zei tegen Jansen: hier is een dubbeltje, haal jij es een half ons baai voor me, ik heb natuurlik m'n tabak weer vergeten. Jansen holde weg. Toen was Kees met de schilder alleen. Wat zou het nou fijn zijn, dacht Kees, als de schilder nou maar begon te vragen. - Of-ie óók wel 'es geschilderd had, of-ie graag schilder wou worden. Want natuurlik, hij had ook allang gemerkt, dat Kees 'n ander soort jongen was dan Jansen.”
Theo Thijssen (16 juni 1879 – 23 december 1943) Cover
They say it's the whiteman I should fear, but it's my own kind doing all the killing here. Tupac Amaru Shakur Cardo was born but not expected his mother was sixteen and his father community builder of the year his grandmother was a cashier and his stepgrandfather drank to ease the pain
Cardo was a beautiful child with dark skin and light eyes beautiful enough to speak English he liked playing drie stokkies and vrottie eier in the street Tietie Gawa from the mobile said that Cardo was heaven sent
On the eve of Cardo's first day at big school schoolboys were playing with crackers in the street Cardo looked through the window the bullet lodged in his throat his mother did not cry the politicians planted a sapling the Cape Doctor uprooted it and threw it where the rest of Cape Town's dreams lay
Dit is een onafzienbare sneeuwjacht van tekens, zelfs video is tevergeefs gebleken, dit is het raadsel van adem en water, dit is het en dat en alles is het
dit is een eeuwig etmaal van een paar sekonden, dit is voor ogen te groot bevonden, dit is een wond en een wand tussen vrouw en man, dit is alles en dat
dat zijn de ondoorgrondbare wegen tussen de sterrennevels, dit zijn de hemels zonder weten, dit is de dorst om een mond die licht zal maken in het onbestaanbare
dit is alles, dit is het en dat en of het is, is onzeker
Papier
papier, wit als een maagd en jij die op de tijd jaagt, soms een werkelijkheid aanrandt zonder dat het bed kraakt, geen kussen dat zich verlegt om je woorden, verlegen word je ervan
papier dat de namen vraagt voor witter, geen begin daarmee maak je, je geeft een plant water met zijn eigen bladeren, je verdraagt je geweten in de zee van een afwasteiltje
papier dat niet verdragen kan, ook het hart verdraagt het niet en breekt uit verlatenheid, tijd gaat voorbij in stilte, de eerste dag bleef altijd in de winternacht, je houdt het papier in een lasvlam en grijnslacht.
“Princeton police officers arrived at the accident scene. An ambulance arrived bearing emergency medical workers. I recalled that one of my Princeton undergraduate students, a young woman, was a volunteer for the Princeton Emergency Medical Unit and I hoped very much that this young woman would not be among the medical workers at the scene. I hoped very much that this episode would not be reported excitedly back and circulated among my students Guess who was in a car crash last night—Prof. Oates! Strongly it was recommended that “Raymond Smith” and “Joyce Smith” be taken by ambulance to the ER to be examined—especially it was important to be X-rayed—but we declined, saying that we were all right, we were certain we were all right. Yet in the faux-euphoric aftermath of the crash in which there was no pain nor hardly an awareness of the very concept of pain we insisted that we were fine and wanted to go home. Standing in the cold, shivering and shaky and our car pulverized as if a playful giant had twisted it in his hands and let it drop—there was nothing we wanted so badly as to go home. We were asked if we were “refusing” medical treatment and we protested we weren’t refusing medical treatment—we just didn’t think that we needed it. Refused then, the officer noted, filling out his report. Two police officers drove us home in their cruiser. They were kindly, courteous. Near midnight we entered our darkened house. It seemed that we’d been gone for far longer than just an evening and that we’d been on a long journey. Our nerves were jangled like broken electric wires in the street. I’d begun to shiver, convulsively. I was dry-eyed but exhausted and depleted as if I’d been weeping. I saw that Ray was all right—as he insisted—we were both all right. It was true that we’d come close to catastrophe—but it hadn’t happened. Somehow, that fact was difficult to comprehend, like trying to fit a large and unwieldy thought into a small area of the brain. I began to feel the first twinges of pain in my chest. When I lifted my arm. When I laughed, or coughed. Ray discovered reddened splotches on his hands—“I’ve been burnt? How the hell have I been burnt?” He ran cold water onto his hands. He took Bufferin, for pain.”
Joyce Carol Oates (Lockport, 16 juni 1939) Cover
En als toegift bij een andere verjaardag:
Zomeravond
Een rose zon sleept zich tot onder weiden, waar weer een dag nog even warm in baadt. Als hier de nacht zijn laken over slaat is het genotzucht en geen medelijden.
Natuur verwordt tot bed van zachte zijde nu leven zich aan lust te buiten gaat. Voor mijn teer hart dat gauw in vlammen slaat. bestaat niets wreders dan dit jaargetijde.
De morgen houdt zich lichtblauw ingetogen die transparant de huid der aarde kust, maar 's middags wordt de tederheid verzengd.
Pas als de herfst weer dood en leven mengt wordt elke drift tot zwijgen omgebogen en al mijn zinnen komen dan tot rust.
Frans Roumen (Wessem, 16 juni 1957) In de zomer door Piotr Konchalovsky 1939
Tags:Vaderdag, Mark Jarman, Joël Dicker, August Willemsen, Theo Thijssen, Ronelda Kamfer, Arie Gelderblom, Joyce Carol Oates, Frans Roumen, Romenu, Dolce far niente
Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Hugo Borst, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, Olivier Guez, Emma Cline, Hannah van Wieringen
De Nederlands-Indische schrijfster Maria Dermoût(eigenlijk Helena Anthonia Maria Elisabeth Dermoût-Ingerman) werd geboren in Pekalongan, Java, op 15 juni 1888. Zie ook alle tags voor Maria Dermoûtop dit blog.
Uit:De tienduizend dingen
“Op het eiland in de Molukken was nog een enkele ‘thuyn’ overgebleven uit de tijd van de specerijperken, een enkele maar, er waren er trouwens nooit veel geweest; en op dit eiland had men ook vroeger niet over ‘perken’ gesproken, altijd over ‘thuynen’. De tuinen lagen nu, zoals toen hier en daar verspreid aan de beide baaien, buitenbaai of binnenbaai, met hun bosjes van specerijbomen, soort bij soort: kruidnagel bij kruidnagel, nootmuskaat bij nootmuskaat; enkele hoge schaduwbomen ertussenin, kenaribomen meestal; en aan de baaikant voor de windvang kokospalmen of platanen. Van de huizen stond er niet één meer in zijn geheel overeind, zij waren ingestort bij een aardbeving en daarna opgeruimd; er was nog wel eens een stuk van een oud huis blijven staan: een vleugel, een kamer alleen, daar werd dan later weer tegenaan gebouwd, een paar armoedige houten vertrekken meestal. Wat was er over van alle glorie? Toch scheen er soms op die tuinen iets te zijn achtergebleven van het oude voorbijgegane, van wat al zo lang geleden was. Op een zonnige plek tussen de kleine bomen, het gaat er zo sterk naar specerijen ruiken als het warm wordt. In zo’n stille, vervallen kamer, met nog een echt Hollands opschuifraam en een diepe vensterbank. Op een stukje strand onder de platanen, waarop de golfjes van de branding uitvloeien: drie golfjes achter elkaar, achter elkaar, achter elkaar. Wat was het? Een herinnering aan iemand, aan iets wat gebeurde, kan ergens bijna tastbaar blijven hangen; misschien is er nog iemand die ervan weet, aan denkt soms, dat was nog anders: zonder ergens enig houvast, enige zekerheid. Niet meer dan een vraag, een wellicht? Hebben twee gelieven van toen elkaar vastgehouden, en ‘voor eeuwig’ gefluisterd of hebben zij elkaar juist losgelaten en ‘adieu’ gezegd tussen de nootmuskaatboompjes? Heeft een kind met haar pop in de vensterbank zitten spelen? Wie stond op het strand toen en staarde over de drie golfjes van de branding heen en over de baai heen en waarheen? Een stilte als antwoord, een stilte van gelatenheid en verwachting tegelijk; van voorbij en niet voorbij.”
Maria Dermoût (15 juni 1888 – 27 juni 1962) De tienduizend dingen als Salamander klassiek, 1998, de eerste druk verscheen in 1955
“Two hours later the driver pulls the bus to the side of the Ohio Turnpike. Four in the morning, so cold outside, so cold, old black snow on the ground—isn't even winter anymore and that snow doesn't know to go away. The driver pulls the Greyhound to the side of the turnpike and opens the door, wind rushing in, Jones's body shakes, waking up, wondering Where the hell did the heat go? The driver opens the door and three big men, all denim and flannel and boots, pull a little brown man by the collar, lifting him right out of his seat, legs kicking in surprise. They take him out the door to the side of the turnpike and beat the living shit out of him. It takes less than a minute. They go around and around with him, his face is such a mess. He's not making much noise, only a high-pitch almost-wail. Jones's face pressed sideways against the tinted glass of the bus window, so cold, he's sure he's still sleeping, his eyes open watching this right beneath him. They ditch the man head and chest forward into that old black snow, one guy driving his boot into the little man's side, a final good-bye, and they all get back on the bus, the driver closes the door, then pulls away. The little brown man was Pakistani, Jones was pretty sure of that. There was a Pakistani infantry company in Somalia, living in a row of khaki tents in the far southern corner of the Mogadishu seaport—they'd been a friendly group, trading little tin plates of hot curried mutton for dog-eared copies of Penthouse and Hustler. When Jones first got on the Greyhound, the day before, he'd been sitting forward in the bus, where the brown man would finally end up, next to a skinny, sickly woman who had three kids scattered around the bus, two boys and a girl. Her old man had put her and the kids on the Greyhound in Allentown; he'd meet up with them at her mom's house in Laramie sometime later in the year.”
Es sind die Pflanzen in den Schlagzeilen, nicht die auf der Wiese, in Wäldern und Sümpfen, Gärten und Parks. Es sind die Pflanzen, die in den Konjunktiv gezogen sind, weil wir sie umtopften in imaginäre Parks, Erdgeschichte, Kapitel. Jene, die Neubaugebieten gewichen sind, Umgehungsstraßen und Kraftwerken, im Paralleluniversum riechen sie wunderbar, in diesem nur nach Papier und Listen, schlechtem Gewissen und hohem Gewinn. Wir befinden uns tief im Gestrüpp von Schuld, das über verlorene Schmuckstücke wächst, weggeworfene Ringe, Fußkettchen aus angelaufenem Silber. Vergeblich verhandeln wir alte Gefühle, suchen nach Bildern, die sich im Traum bewegen. In meinem Brustkorb funkelt mein Herz wie ein versteckter Kressesamen, ein Blättchen Löwenzahn. Schwaches Licht fällt auf etwas, das an die Wand gezeichnet ist, und ich sehe, es sind Bilder der ausgestorbenen Pflanzen. Für einen Augenblick flüstern alle ihre Namen gleichzeitig, und ihre Farben leuchten noch einmal auf, leuchten und leuchten, addieren sich zum Frühling, wie es ihn kaum je gegeben hat, wie er kaum jemals in Öl existierte oder auf Hochglanzpapier, wie er niemals in Fabriken hergestellt wird oder Industrieparks, gebaut auf dem Areal, das einst das ihre war, jetzt so wild überwuchert von etwas Neuem.
Silke Scheuermann (Karlsruhe, 15 juni 1973)
De Nederlandse schrijver, redacteur en radio- en televisiepresentatorHugo Borstwerd geboren in Rotterdam op 15 juni 1962. Zie ook alle tags voor Hugo Borstop dit blog.
Uit: Ma
“Twee weken geleden vroeg de tandarts me na het polijsten van mijn gebit of mijn moeder soms met klachten rondloopt. We bezoeken deze tandarts al een paar jaar. Uit een röntgenfoto blijkt dat er bij ma linksboven een ontsteking zit. ‘Ik ga het haar vragen,’ zeg ik. Wij mantelzorgers zijn met z’n vieren. Mijn broer Laurens, schoonzus Jackie, mijn vrouw Karina en ik. Twee van ons menen ma te hebben horen klagen over haar gebit. Maar niet vaak. Wanneer ik het diezelfde dag aan ma zelf vraag, schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, ik heb geen last.’ Drie dagen later wijst ze spontaan naar een kies. Aan de linkerkant. ‘Daar doet het pijn.’ ‘Erg, ma?’ Ze knikt. ‘Echt heel erg?’ Ze haalt haar schouders op. Ik leg het de tandarts voor. Ze zegt: ‘Tja. Ik kan je moeder maar beter verlossen. Ik bedoel, de pijn kan veel erger worden.’ Mijn moeders tanden en kiezen hebben de crisisjaren en de oorlog overleefd. Op oude foto’s is te zien dat mijn moeder het gebit had van een filmster. Eén voortand stond een graadje of twee uit het lood. Die onvolkomenheid maakte het zo eigen. Ik heb als kind verliefd gestaard naar die eigenwijze voortand. In tegenstelling tot mijn vader, die al rond zijn vijfendertigste een kunstgebit had en dat in een hermetisch afgesloten badkamer reinigde, poetste mijn moeder haar tanden met de deur wagenwijd open. Het was een uitnodiging om te komen kijken, een demonstratie, een feest. Zo moet het, jongen van me! Niet horizontaal poetsen, die voortanden van je, maar op en neer! En masseer je tandvlees goed, dan krimpt het later minder! Wat zou ik graag een achtmillimeterfilmpje zien van mijn jonge moeder die voor me staat en vrolijk en geduldig mijn melkgebit poetst."
Beyond the lily obliquely embellishing the mortuary pillow; beyond the bachelor's callous sorrow at lying like a callow novice while cats caterwaul and bristle and shape a hair-raising nation; beyond a never-sated appetite, and the lime that leaches licentious consciences, and the professional disenchantment with which commercial enchantresses spring from their beds; beyond the marriage-broker ingenuity and the calamity no one expects; beyond the bone yard and the nest ... the salty tear I have imbibed. Tear of infinity, you made the rite of love eternal; tear in whose oceans my anchor pleasures in its castaway's plunge as I gather the singular fleece of a penitent flock; tear whose glory refracts the faithful iris of my exact passion; tear through which bannerless masts sail in disquietude; saline tear with which my gratitude hoped to salt Paradise; O tear, I shall immerse myself in you, in sepulchral delectation, like a sentinel stationed in your briny, morbose lighthouse.
Vertaald door Margaret Sayers Pedan
Ramon Lopez Velarde (15 juni 1888 – 19 juni 1921) De slaapkamer van de dichter in het Museo Casa del Poeta Ramón López Velarde in Mexico-Stad
« Le nouveau s'est présenté à moi — Gilbert Demachy... Je faisais mon droit... Et je me suis fait connaître : — Jacques Larcher. J'écris... Dès son arrivée, j'ai compris que Gilbert serait mon ami, je l'ai compris à sa voix, à ses mots, à ses manières. Tout de suite je lui ai dit « vous » et nous avons parlé de Paris. Enfin, je trouvais quelqu'un avec qui m'entretenir de nos livres, de nos théâtres, de nos cafés, des jolies filles parfumées. Rien que les noms que je prononçais me faisaient revivre un instant tout ce bonheur perdu. Je me rappelle que Gilbert, assis sur une brouette, avait posé ses pieds déchaussés sur un journal, en guise de tapis. Nous parlions, fiévreusement — Vous vous souvenez... Vous vous souvenez ?... Les copains aidaient les nouveaux à s'installer dans l'écurie où couchait l'escouade et empilaient leurs sacs avec les nôtres dans la mangeoire. Quand ils eurent fini, Gilbert tendit deux billets de cent sous pour offrir à boire. — C'est ça, plein la vue... grogna Pouillard jaloux. Les autres, reconnaissants, retournèrent à l'écurie pour soigner la place du nouveau. Ils brassèrent sa paille pour la rafraîchir et lui firent un rebord aux pieds. Broucke avait pris respectueusement l'oreiller de caoutchouc de Demachy et s'amusait à le gonfler, comme un jouet, avec une peur secrète de l'user. Ceux qui devaient changer de coin, pour faire de la place, déménageaient, en se volant mutuellement de la paille. — Toi, gras du ventre, dit Pouillard à Bouffioux, tu coucheras là-haut, dans la soupente. Comme j'couche juste en dessous, tu feras attention de n'pas m'tomber dessus au milieu d'Ia noie, les souliers sur la gueule ; j'ai l'sommeil léger. Sulphart ne lâchait pas le nouveau, qu'il étourdissait de conseils inutiles, de recettes saugrenues, un peu par complaisance naturelle, un peu pour remercier du vin offert, mais surtout pour se faire valoir. Tous étaient joyeux, comme s'ils avaient déjà bu. Vairon, en corps de chemise, se mit à faire l'hercule forain, lançant le boniment d'une voix grasse et canaille qui sentait la barrière. Rangés autour, nous faisions la foule. Jaloux de son succès, Sulphart tira Lemoine par la manche. — Viens avec moi, on Va se marrer. — Pourquoi foutre que j'irais avec toi ? fit Lemoine, toujours prêt à contredire le rouquin avant de l'imiter. — Viens toujours. Tout en protestant, Lemoine le suivit dans l'escalier. »
Roland Dorgelès (15 juni 1885 – 18 maart 1973) Cover
« La quête de notoriété d’Eichmann exaspère Gregor, si prudent depuis son arrivée : il n’a révélé sa véritable identité et la nature de ses activités à Auschwitz qu’à ses rares intimes. À tous les autres, il donne une version très évasive de son parcours : médecin militaire, allemand, parti au Nouveau Monde changer de vie. À mesure qu’il le croise, Gregor méprise l’ancien commerçant inculte, le fils de comptable qui n’a pas achevé ses études secondaires et jamais connu l’épreuve du front. Eichmann est un pauvre type, un raté de première, même la laverie qu’il a ouverte à Olivos a déjà fermé, et c’est un homme de ressentiment qui jalouse sa jolie maison, sa vie de célibataire et sa nouvelle voiture, un superbe coupé allemand Borgward Isabella. Eichmann n’en pense pas moins. Gregor ou Mengele, peu lui importe, est un fils à papa froussard : une sous-merde basanée Gregor retire la photo du cadre et la brûle à une fenêtre, bientôt il ne reste du portrait qu’un petit amas de cendres. Une bourrasque les disperse dans l’air tiède de Buenos Aires. Irene exige le divorce afin d’épouser le marchand de chaussures de Fribourg. Gregor appelle Haase et Rudel, il lui faut un bon défenseur argentin qui entrera en contact avec son avocat à Günzburg. L’argent n’est pas un problème mais il veut multiplier les intermédiaires, les paravents, et il ne fera aucune fleur à son ex-femme. Le divorce est prononcé à Düsseldorf, le 25 mars 1954. « Une excellente nouvelle, lui écrit sèchement Karl senior, enfin tu nous débarrasses de cette garce. Tu vas cesser de ruminer sa reconquête, à ton âge, c’est indécent. » Le divorce satisfait le patriarche Mengele qui a un plan machiavélique en tête. Un coup à trois bandes : sa chère entreprise, Josef, et une autre chipie qui le tracasse, Martha, veuve de Karl junior et héritière des parts de l’entreprise de son mari décédé. Depuis quelque temps, Martha est amoureuse : Karl senior craint qu’elle ne se marie avec l’étranger qui entrerait forcément au conseil d’administration. Il propose à Josef d’épouser sa belle-sœur afin que la société reste aux mains du clan Mengele, puis de céder toutes ses parts à Martha après leur mariage : si un mandat d’arrêt était finalement lancé contre lui, l’entreprise ne serait pas paralysée. Quoi qu’il arrive, Josef dicterait à Martha ses décisions au conseil d’administration. »
“Ze keken op van het felle keukenlicht als wasberen die betrapt worden in de vuilnisbak. Het meisje slaakte een gilletje. De lange slungelige jongen richtte zich op. Ze waren maar met z’n tweeën. Mijn hart bonkte in mijn keel, maar ze waren nog zo jong: kinderen uit de buurt, nam ik aan, die inbraken in vakantiehuizen. Mijn laatste uur had nog niet geslagen. ‘Wat de fuck?’ De jongen zette zijn bierflesje neer, het meisje bleef vlak bij hem. De jongen schatte ik een jaar of twintig. Hij had een bermuda aan, halflange witte sokken, roze acne onder een beginnend baardje. Het meisje was nog een ukkie. Vijftien, zestien, witte benen met een blauwige weerschijn. Ik probeerde zo veel mogelijk gezag uit te stralen, terwijl ik de onderkant van mijn t-shirt tegen mijn bovenbenen drukte. Toen ik zei dat ik de politie zou bellen, snoof de jongen ongelovig. ‘Ga je gang.’ Hij trok het meisje naar zich toe. ‘Bel de politie maar. Weet je wat?’ Hij pakte zijn mobieltje. ‘Ik bel ze zelf wel.’ Van het ene moment op het andere zakte het scherm van angst in mijn borst. ‘Julian?’ Ik wilde in lachen uitbarsten – de laatste keer dat ik hem had gezien was hij dertien, mager en onvolgroeid. De enige zoon van Dan en Allison. Als een prinsje was hij van het ene celloconcours naar het andere gereden, geen afstand te groot. De leraar Mandarijn op donderdag, het zuurdesembrood en de kleverige vitaminepillen, ouderlijke dekking tegen mislukking. Het had allemaal niet mogen baten en hij was uiteindelijk terechtgekomen op een wat mindere universiteit, in Longbeach of Irvine. Daar was iets voorgevallen, herinnerde ik me. Hij was van de universiteit getrapt, of misschien was het iets minder ergs: het advies om eerst een jaar junior college te doen. Julian was destijds een verlegen, overgevoelige jongen, die als de dood was voor autoradio’s en onbekend eten. Nu had hij iets hards, de tatoeages die waarschijnlijk onder zijn shirt verder kropen. Hij wist niet meer wie ik was, en waarom zou hij ook? Ik was een vrouw die buiten zijn seksuele belangstelling viel.”
Tags:Maria Dermoût, Christian Bauman, Silke Scheuermann, Hugo Borst, Ramon Lopez Velarde, Roland Dorgelès, Olivier Guez, Emma Cline, Hannah van Wieringen, Romenu
De Schotse dichter, schrijver en jazzmuzikant Don Patersonwerd geboren in 1963 in Dundee. Paterson verliet de school op 16-jarige leeftijd om als muzikant te werken. In 1984 ging hij naar Londen, waar hij gitaarlessen volgde bij Derek Bailey en speelde in Ken Hyder's band Talisker. Op dat moment begon hij ook zich voor poëzie te interesseren en zelf te schrijven. Sinds de late jaren 1980 was Paterson actief met zijn jazzband Lammas, waarin ook Tim Garland, Talvin Singh en Christine Tobin speelden. Lammas bracht vijf albums uit. Na een aantal jaren in Brighton werd Paterson in 1993 Writer in Residence aan de universiteit van Dundee. In 1995 keerde hij terug naar Londen, waar hij een functie als redacteur bij Picador aanvaardde. Toen hij in 1998 naar Edinburgh verhuisde, begon hij columns voor Scotland on Sunday te schrijven en recensies over videogames voor The Times. Sinds 2000 is hij ook professor aan de universiteit van St. Andrews. Naast diverse eigen dichtbundels publiceerde hij vertalingen van gedichten van Antonio Machado en Rilke's Sonnetten aan Orpheus, aforismen, hoorspelen, theatervoorstellingen en schreef hij voor het Dundee Repertory Theater, muziekstukken voor o.a. . Tommy Smith en gaf hij bloemlezingen uit. Voor Paterson's eerste gepubliceerde dichtbundel “Nil Nil” ontving hij in1993 de Forward Poetry Prize, die hij in 2008 eveneens ontving voor het gedicht „Love Poem For Natalie 'Tusja' Beridze“ en in 2009 voor de bundel “Rain”. Voor “God's Gift to Women” (1997) kreeg hij de T. S. Eliot-prijs, net als voor “Landing Light” (2003), dat ook de Whitbread Book Award won. In 2010 ontving Paterson de Queen’s Gold Medal for Poetry en in 2012 een Cholmondeley Award. Hij is een Fellow van de Royal Society of Literature.
Poetry
In the same way that the mindless diamond keeps one spark of the planet's early fires trapped forever in its net of ice, it's not love's later heat that poetry holds, but the atom of the love that drew it forth from the silence: so if the bright coal of his love begins to smoulder, the poet hears his voice suddenly forced, like a bar-room singer's -- boastful with his own huge feeling, or drowned by violins; but if it yields a steadier light, he knows the pure verse, when it finally comes, will sound like a mountain spring, anonymous and serene.
Beneath the blue oblivious sky, the water sings of nothing, not your name, not mine.
The Lie
As was my custom, I'd risen a full hour before the house had woken to make sure that everything was in order with The Lie, his drip changed and his shackles all secure.
I was by then so practiced in this chore I'd counted maybe thirteen years or more since last I'd felt the urge to meet his eye. Such, I liked to think, was our rapport.
I was at full stretch to test some ligature when I must have caught a ragged thread, and tore his gag away; though as he made no cry, I kept on with my checking as before.
Why do you call me The Lie? he said. I swore: it was a child's voice. I looked up from the floor. The dark had turned his eyes to milk and sky and his arms and legs were all one scarlet sore.
He was a boy of maybe three or four. His straps and chains were all the things he wore. Knowing I could make him no reply I took the gag before he could say more
and put it back as tight as it would tie and locked the door and locked the door and locked the door