Moorsleedse vluchtelingen te Leest tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Vervolg Moorsleedse vluchtelingen te Leest.
DE VOORNAAMSTE PROTAGONISTEN
Clement Masschelein (°Moorslede 18/3/1859) van beroep zwingelaar huwde op 20 april 1894 met Eulalie Adronie Vanbiervliet. Hij overleed op 31 december 1919. Hij werd 60.
“Hij was een goede christen die godsdienst en Kerk met hert en ziel aangekleefd was, een getrouwen echtgenoot, een uitmuntende vader, altijd bekommerd met de zaken van zijn huisgezin en het welzijn zijner kinderen.” (Uit zijn gedachtenisprentje)
Eulalie Adronie Vanbiervliet (°Rumbeke 24/1/1871) zou hem 33 jaar overleven, ze stierf te Moorslede op 18 augustus 1942.
“Haar grootste troost was naar de kerk te gaan en er de H. Sacramenten te ontvangen. Haar verduldigheid in de beproeving mag ons tot voorbeeld strekken, des te meer dat het ware christelijke verduldigheid was, steunend op geloof, hoop en liefde : bij haar was de priester uiterst welkom omdat hij de gezant was van God, door wie de genade haar geschonken werd. Zoo is zij uit het leven gegaan, aan allen nalatende een voorbeeld van vroom geloof, ongeveinsde deugd en taaie werkzaamheid.” (Uit haar gedachtenisprentje)
Valerie Silvia Christina Masschelein (°Moorslede 5/2/1895), de oudste dochter van Clement en Eulalie, die vanuit Leest een brief stuurde naar haar oom en tante, trad op 15 oktober 1920 als zuster ‘Clementine’ (naar de naam van haar vader) in bij de gemeenschap ‘Ten Bunderen’ te Ardooie. Ze was 25. Na haar opleiding vertrok ze 6 jaar later met 4 collega- zusters als ‘eerste zusters Pioniers’ van haar orde richting Basankusu, in het toenmalige Belgisch Kongo. Op 16 oktober 1926 scheepten ze in te Antwerpen op de ‘Anversville’ om drie maanden later hun bestemming te bereiken.
In Basankusu stichtten ze een school met internaat en een kinderkribbe en de zusters bedienden er een staatshospitaal met leprozen. Later, in 1937, werd een tweede missiepost opgericht in Mampoko en in 1940 een derde missiepost in Kondoro en in 1944 een vierde site in Wara. In 1964 keerde ze, noodgedwongen, terug naar België. Valerie Masschelein, zuster Clementine, overleed op 26 juni 1977 te Moorslede.
Hector Masschelein (°Moorslede, wijk Koekuit 30 april 1896), de tweede oudste uit het gezin van Clement en Eulalie, was 18 toen WO I uitbrak. In 1915 was hij richting Frankrijk gevlucht waar hij op 24 maart te Calais vrijwilliger werd bij het leger en als soldaat 2de klas ingedeeld werd bij de 1ste Legerdivisie, 3de Linieregiment. Op 11 februari 1916 werd hij, voor een drietal maanden, opgenomen in het hospitaal te Veurne. Hij hield er een lichte invaliditeit aan over. Daarna werd hij ingedeeld bij de hulptroepen van de genie. Op 3 juli 1917 werd Hector Masschelein overgeplaatst naar het ‘Depot d’intendance’ te Wulpen en op 17 september dat jaar, gedurende de slag om Passendale, moest hij naar Forthem. Daar zou hij blijven tot februari 1919. Hector was 22 jaar toen de oorlog ten einde liep. Een jaar later zou zijn vader overlijden.
In 1922 huwde Hector met Augusta Vansteenkiste, hij was 26 en toen sloeg de werkloosheid toe. Veel Vlamingen emigreerden naar Frankrijk of naar de U.S.A. op zoek naar een betere toekomst. Wie thuis bleef, zocht een oplossing als grensarbeider. In Moorslede waren er twee busondernemingen die dagelijks de mensen naar o.a. de textielfabrieken rond Tourcoing (Fr) brachten. Samen met een drietal familieleden trok Hector naar Frankrijk waar ze het ‘seizoen’ deden, ten zuiden van Parijs. Ze werkten er telkens 2x2 maanden, in het voorjaar mei-juni, in het najaar september-oktober, voor het rooien van de bieten. Hiermee hadden ze een behoorlijk inkomen. Voor de achterblijvende families was het dan telkens ‘poeffen’ tot de echtgenoot-kostwinner terug thuis was.
Hector had 35 maanden front in gevechtspositie overleefd, uiteindelijk zou de oorlog hem het leven kosten : het drama deed zich voor bij de terugtrekking van de Duitse troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het was september 1944 en Hector woonde toen in Rumbeke. Ontelbare Duitsers passeerden het dorp en orde was ver te zoeken. Hector stond in de deuropening en toen hij zijn pijp wilde aanmaken, gaf hij geen gevolg aan een roepende, panikerende soldaat. Mogelijk had hij het niet gehoord, hij was hardhorig, gevolg van WO I. De Duitser meende een revolver te zien in de pijp en dacht dat er op hem zou geschoten worden. Hij loste een schot dat Hector dodelijk trof. Alhoewel hij nog in allerijl naar de kliniek in Izegem werd vervoerd, overleed hij er bij aankomst, 48 jaar jong. Hij liet geen kinderen na.
Vervolgt.
Foto’s : -Bovenaan van l. naar r. : Alidor, Gaston, Hector, Lucien en Augusta. Midden : Félicie, baby Gerard Mylle, moeder Eulalie, Valerie (zuster Clementine), Germaine, Martha met Gerard op schoot. Onderaan : Martha en Maria Mylle. -Clement Masschelein. -Zijn echtgenote Eulalie Vanbiervliet. -Valerie Masschelein (Zuster Clementine) in 1921. -Valerie in 1972. -Hector Masschelein.
Moorsleedse vluchtelingen te Leest tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Vervolg Moorsleedse vluchtelingen te Leest.
Eind november 1916 had de ‘Duitse Krijgsraad’ in alle steden en dorpen van ons land volgende oproep gedaan : “ Werklieden, de Krijgsraad duldt geen werklozen, of onvoldoende bezigheden meer. Wij raden aan u als vrije arbeiders aan te geven, om de dag te voorkomen waarop gij zult gedwongen worden.”
In Mechelen verscheen dit bevel op 23 november langs de straten. Niettegenstaande deze oproep kwam zich daar niemand aanbieden, ondanks het hoge loon dat verder op het plakkaat vermeld stond. Enige dagen later verscheen daar een tweede bevel : “alle burgers, zonder onderscheid van 17 tot 45 jaar, moesten zich bij de Krijgsraad aanbieden, op straf van met geweld naar Duitsland gevoerd te worden...”
Vanuit Leest zouden zes personen vrijwillig naar Duitsland vertrekken om er te gaan werken. Twee onder hen waren vluchtelingen uit Moorslede, onder hen Leon Sioen die in de Tiendeschuurstraat verbleef. Dertien Leestenaars zouden verplicht worden tewerkgesteld in Duitsland.
Op 27 november 1917 overhandigden rijkswachters van de ‘gendarmeriepost van Hombeek’ 20 kg rogge en 2 gedroogde tabaksbladeren aan de gemeente Leest. Goederen die ze hadden in beslag genomen bij een vluchteling verblijvende in de Molenstraat.
Op 8 december datzelfde jaar verzocht de Leestse burgemeester Bernaerts de ‘Zivil Kommissaris’ om levering van “kussens, teekeningen en ander gerief, voor vijf kantwerksters uit Moorslede, die zich het kantwerken kunnen herbeginnen waardoor ze meer loon zouden bekomen en ook de aankomende vrouwelijke jeugd het kantwerken kunnen aanleren.”
Begin januari 1918 verbleven er te Leest nog 61 vluchtelingen.
Op 14 maart dat jaar werd de vluchtelinge Elodie Rosseel (°Dadizeele, 26/2/1892) naar het “Gasthuis” overgebracht met “typhuskoorts”. Ze was geplaatst in de Tiendeschuurstraat. De gemeente Leest droeg de kosten van de verpleging.
In de nacht van 24 op 25 juni werden 2 dieven door de patrouillerende nachtwacht betrapt bij het stelen van aardappelen op het land van Jan Lauwens “ter plaatse Kouter, nabij de Winkelstraat”. De dieven sloegen op de vlucht en lieten hun buit, 35 kg, achter. Eén hunner werd echter herkend, het betrof de vluchteling Cyriel Van Neste, die met zijn gezin verbleef in de Winkelstraat nr. 7. De burgemeester van Leest wendde zich tot de Ortskommandant te Mechelen “om dergelijke diefstallen te bestraffen, daar hij zelf niet bij machte was om dit te doen en het Belgische gerecht onwerkzaam was”.
Op 5 juni 1920 verbleven er nog 2 vluchtelingen in het dorp : dezelfde Cyriel Van Neste, een handarbeider uit Moorslede en zijn echtgenote Flavia Messiaan.
Op het einde van de oorlog riep de overheid de bevolking op om terug naar huis te keren, maar wie eind oktober 1918 de streek van Moorslede kwam bezoeken, kon z’n ogen niet geloven. Het dorp was compleet verwoest, herschapen in één grote woestenij van bomkraters, ruïnes en modder. Bezaaid met oorlogsmateriaal en lijken waartussen het krioelde van het ongedierte. Onherkenbaar en traumatisch voor de terugkerende dorpelingen. Tussen het puin van de kloosterkapel vonden ze een marmeren wijwatervat, het enige tastbare aandenken aan hun kerk. Niemand kon vermoeden dat hier ooit nog iemand zou kunnen wonen en werken maar met Westvlaamse ijver en koppigheid schoten al snel de eerste barakken uit de grond en het begin van de wederopbouw was begonnen. De afgebrande woning van Clement en Eulalie werd met familiehulp heropgebouwd. Jaren later trof hun kleinzoon Paul Snoeck bij verbouwingen aan zijn huis nog brokstukken aan van de vroegere gotische kerk.
In 2014 stuitte Dovo (Dienst voor Opruiming en Vernietiging van Ontploffingstuigen) tijdens opruimingswerkzaamheden in Moorslede op de grootste vondst chemische springtuigen ooit in ons land gedaan.
Op 25 oktober 2015 werd in de Sint-Martinuskerk van Moorslede het kruis van Eugen Ritter ingewijd. Deze uit Bremen afkomstige koopmanszoon was op zijn 16de als vrijwilliger naar het westelijk front getrokken en redde in 1917 een beschadigd kruisbeeld uit de verwoeste kerk van Moorslede. Hij restaureerde het en bezorgde het na de oorlog terug aan de gemeente. Tijdens de eucharistieviering van 10 uur werd het kruis ingewijd, dit in aanwezigheid van een 9-koppige delegatie uit Duitsland, waaronder familieleden van Eugen Ritter. Het kruisbeeld werd achteraan in de kerk geplaatst in een mooi houten schrijn.
Op de achterzijde van het kruis staat vermeld : “Von mir aus den Trümmern der Kirche in Moorslede in Flandern 1917 (Sommer) geborgen. Die Figur –wahrscheinlich flandrische Arbeit- war ganz gold übermalt. Das Kreuz habe ich gemacht. Eugen Ritter”.
In september 1914 verscheen in het Duits ‘Mit Fotoapparat und Infanteriegewehr’ een biografie over Eugen Ritter (°1899, +1974). De Duitser had het dagelijks frontleven vastgelegd op foto’s, films en op schrift en het boek is dan ook rijk geïllustreerd en bevat ook een dvd met foto’s, film- en geluidsfragmenten. Het wordt nog steeds te koop aangeboden door de heemkundige kring van Moorslede.
Vervolgt.
Foto’s : -De ruïnes van Moorslede na de Eerste Wereldoorlog. -De biografie van Eugen Ritter. -Het gerestaureerde kruisbeeld.
Moorsleedse vluchtelingen te Leest tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Vervolg Moorsleedse vluchtelingen te Leest.
In 1918 (exacte datum is onbekend) schreef de toen 22-jarige Valerie Masschelein vanuit Leest een brief naar haar oom Petrus Masschelein, R.B au pont Epannes Deux sèvres (Poitou-Charentes) France. Dit in opdracht van haar vader. Vader Clement was het schrijven niet machtig wat niet ongewoon was in die tijd.
Zeer lieve Nonkel en Tante.
Met groot genoegen hebben wij uwen brief den 8sten December ontvangen en hebben gezien den staat uwer gezondheid. Bij ons is alles ook nog opperbest allen in vollen gezondheid. Hier is het met Sint Nocolaas grote kermis en hebben ze nu gevierd op haar best de geheele famillie te gare. Ik ben te voet naar huis gegaan ‘t is te zeggen naar Moorslede en heb daar alles gezien en gehoord (Noot : volgens Routeplanner bedraagt de afstand Leest-Moorslede 127 km). Het adres van Hector mijn broeder heb ik bij Constant Verschaeve gekregen aan de vossenmolen en alzo met dat adres ben ik naar Watou gekomen, vandaar naar Poperinghe gegaan en daar aan de dorschmachiene heb ik hem gevonden. Ge kunt denken wat daar op enige stonden gebeurde. Seffens achter congé gevraagd en gekregen. Naar Sweveghem hebben wij achter Félicie geweest en zijn tesamen naar Leest bij Masschelein gegaan met veel plezier en coragie om te samen het feest bij te wonen. Nu lieve nonkel ge leest voor moment dat alles goed gaat en klagen mogen wij niet doen want in eten en drinken hebben wij nog niet tekort gekregen. Geld verdienen doen wij niet maar voor ons werk leeft de geheele familie voor goedkope prijs ‘tis te zeggen dat wij goed toekomen.
Wat ik in Moorslede gezien heb is veel doch onbeschrijfbaar . Uw huis lieve nonkel die ik om zo te zeggen bijna 3 jaar bewoond heb is erg beschadigd doch met wat verbetering nog gebruikbaar want zindelijk mag nen mensch niet meer zijn. Het koeistal en verkensstal staan nog gans recht, den huiskelder is ook nog goed, de lors(het neerlat) bachten het huis is ook nog goed, maar anders is het huis nogal beschadigt aan de zoldering en aan het dak.
Nu lieve nonkel en tante ‘t is veel beter als het ons, want het onze is gans afgebrand. Het land is ook nog gebruikbaar, hier en daar nen put dat is hier nu de mode. Wij kunnen niet weder tot in Maart, nu kunnen wij daar niet anders doen dan armoe en koude lijden en hier hebben wij geen. (?)
Wij lieve nonkel en tante hebben veel voor uw goed gezorgt. Martha heeft eerst bij peter geweest van kerstdag tot half april toen ben ik naar huis komen zien, ik was in Roeselare geweest dat nog zeker en gezien dat ik daar meer of nodig was bij Peter en ben er bij gebleven tot dat hij gestorven was den 21 juli 1916. Hij heeft een kleine attakke gekregen en in 4 dagen was hij gestorven.
Nonkel Camiel Deleu was daar ook bij mij en wij hebben daar te gaar het vlas dat bij vader zat en dat van Charles Louis Decuyser hebben wij ze naar Rumbeke naar Archielles Delue gevoerd en daar alles gezwingelt en geld alle bezit. Nonkel Camiel ik heb er ook nog een bitje maar niet veel als wij ook moesten vertrekken den 5 augustus 1917 hebben wij de koeien moeten inleveren en dat jong veertje dat voor de 2 maal gekalft had hebben zij betaald aan 1,25 de kilo de andere staat nog op de rekening van die schoone Jan (den duitsch).
De hennen hebben wij ook moeten inleveren en het varken hadden wij tusschen 4 oogen dood gedaan en gedolven maar nonkel heeft het uitgehaald en mede gedaan naar Rolleghem.
Uw goed lieve tante heb ik al gewasschen proper in 3 koffers toegenageld en uw kleren alles dat er was is bij Achiel Deleu uw broeder gedaan geweest en die schone kas ook hij is moeten vluchten maar toch is alles nog goed gered geweest. Tante Euphrasie is ook dood maar ook van een korte ziekte gestorven. Maria Deleu is ook gestorven.
Vrouw Nuytten zij is van een kinderbed gestorven ook in korte tijd. Op het kasteel van Decousmaker wonen Charles-Louis Huyghebaert en familie. Constant Rosseel en familie (Henri Decuipere is daar ook en Camiel maar ik weet niet of dat voor den geheele winter is of niet. Jules van Nevel is daar ook, zijn huis is ook nog goed. Uw meubelen hebben wij bij Alouis Cools gevoerd maar maak daar geen rekring meer op want alles is achter gebleven. Ik ben in het naar Swevelhem trekken naar Camiel Deleu gezien en die was al weer thuis, alleen zijn vrouw en kind was nog in Dendermonde. Bij nonkel Charles-Louis heb ik uwen brief gelezen waarin ik vond dat gij zooveel geld verdiende en die vertelde dat Jules van Nevel weer ging schrijven.
Waar Félicie is daar zijn ze thuis gebleven en zoo hebben ze ook hun woonst en Félicie haar werk. Nu lieve nonkel en tante hebben wij ons in portret laten trekken de geheele famielle. Wij zullen u een afzenden waarin ge zult zien hoe zij in 4 jaar van kinderen groote menschen maken allen gezond en om te best. Vader en moeder zij ook volop in goede gezondheid. Meer kan ik nog schrijven maar nog eenigen maanden zijn we te samen om alles mondelijks te vertellen wat zullen wij moeten uiteendoen, den een dit en den anderen dat en zoo zijn die jaren om voor den een slechter als den anderen. Wij verlangen ook om u allen een keer te zien niet voor 1 dag maar voor altijd weer verenigt te zijn. Duizende groeten sturen wij door Parijs naar u lieve Nonkel en Tante en wij roepen van ver in de naam van de Vader. Uw broeder Clement Masschelein woonachtig te Leest bij Mechelen. Geschreven door Valerie Masschelein.
Hier het adres : Wed Spruyt landbouwer winkelstrat 11 Leest bij Mechelen voor Clement Masschelein.
Paul Snoeck bezorgde me volgende achtergrondinformatie over deze brief.
Zoals vermeld werd de brief geschreven door de oudste dochter van het gezin Masschelein-Vanbiervliet, Valerie Masschelein. De brief was bestemd voor Petrus, de broer van haar vader Clement Masschelein. Petrus was, bij de eerste schermutselingen, gevlucht naar Pont Epasse, een klein dorpje van 800 inwoners, gelegen op 10 km noordwest van de stad Niort (Poitou-Charantes) en 650 km van Moorslede. Daar had hij, samen met zijn familie, een onderkomen en werk gevonden. Iedereen vluchtte toen richting Frankrijk. Na de Duitse bezetting werd dit onmogelijk en trok men, soms verplicht door de Duitsers, landinwaarts. Waarschijnlijk was ook de zoon van vader Clement, Hector, mee naar Frankrijk gevlucht. Hij tekende als vrijwilliger bij het leger in Calais (opleidingscentrum) op 24 maart 1914 en vond zo een gevaarlijk, zuur verdiend inkomen in de loopgraven bij het 3de linie regiment.
De andere familieleden van Paul bleven in de streek tot ze, bij het offensief van Passendale, werden verplicht te vluchten. Op zondag 5 augustus vertrokken ze samen met 79 buurtbewoners, meestal op klompen, met een deel van hun gerief per goederentrein naar Leest.
In Leest vond de familie een onderkomen bij de weduwe Spruyt, een landbouwster die hun hulp goed kon gebruiken. Gaston Mylle, de latere echtgenoot van Félicie Masschelein, arriveerde er op 31 oktober 1917 met een volgeladen kruiwagen.
Na de wapenstilstand op 11 november 1918, legde Valerie te voet de 127 km naar Moorslede af, om er haar zus en broer te ontmoeten. Félicie werkte in Zwevelgem als huishoudster bij de gekende familie Bekaert en haar broer Hector verdiende als soldaat tijdens zijn vrije tijd wat bij in de landbouw. Ze trof hem aan bij een dorsmachine. Zijn adres kreeg ze op de wijk Vossemolen van Constant Verschaeve, een oom langs moederszij (Vanbiervliet).
In haar brief naar haar oom beschreef Valerie de verwoesting die ze had aangetroffen en ook nieuwtjes over de familie. Hij verbleef immers al van in 1914 in Frankrijk. De vernoemde Camiel Delue was getrouwd met de zuster van vader Clement. Op hun vlucht was de familie Delue onderweg gestopt. Ze vonden in Dendermonde een verblijf.
In Leest werd na de oorlog een familiefoto gemaakt, met Félicie, Hector en Valerie, die intussen te voet in Leest waren aangekomen. (zie onderaan) Gaston Mylle, de latere echtgenoot van Félicie staat er ook bij. Gaston en Félicie zouden huwen in mei 1922. De ‘vluchtelingen’ zagen er goed en gezond uit. Ook de kledij en de gouden kettinkjes vallen op. Alleen de vest van Lucien schijnt niet te passen. Soldaat Hector heeft nadien zijn eenheid vervoegd en werd op 14 oktober 1919 gedemobiliseerd. De brief moet, volgens Paul, geschreven zijn einde 1918. Valerie schreef dat ze in maart 1919 zouden terugkeren. De laatste vluchtelingen verlieten Leest op 5 juni 1920.
Vervolgt.
Foto’s : -Een kopie van de brief uit Leest geschreven door Valerie Masschelein aan haar oom in Frankrijk. -De familiefoto in Leest genomen op het einde van de oorlog. Van l. naar r. : Martha, Lucien, Valerie, Hector, vader Clement, Gaston, moeder Eulalie, Félicie, Augusta en Germaine.
Moorsleedse vluchtelingen te Leest tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Vervolg Moorsleedse vluchtelingen te Leest.
DE VLUCHTELINGEN VAN MOORSLEDE EN LEEST
Op 5 augustus 1917 kwamen er te Leest 79 vluchtelingen toe. Bijna allemaal waren ze afkomstig uit Moorslede. Ze werden geplaatst bij inwoners. Onder hen de grootouders van Paul Snoeck : Clement Masschelein en Eulalie Vanbiervliet, samen met vijf van hun zeven kinderen. Clement Masschelein, zoon van Karel en Lucia Stragier, was als zwingelaar werkzaam in de vlasnijverheid en had daarnaast nog een lucratieve bijverdienste als handelaar in bewerkt vlas. Hij was geboren te Moorslede op 18 maart 1859 en op 2 april 1894 gehuwd te Rumbeke met Eulalie Adronie Vanbiervliet (°Moorslede 24/1/1871), een dochter van Leo (°1826) en Coleta Vandewalle. In 1895 werd hun oudste dochter geboren : Valerie. Later volgden Hector (1896), Félicie (1897), Martha (1899), Germaine (1901), Lucien (1905) en Augusta (1909). Deze laatste zou nog schoollopen in Leest en is de moeder van Paul Snoeck. Het gezin woonde op de wijk ‘Koekuit’ in Moorslede en werd tijdens de ‘Derde Slag om Ieper’, ook bekend als de ‘Slag om Passendale’, samen met vele dorpsgenoten, door de bezetter verplicht te vluchten voor het oorlogsgeweld. Ze werden op 5 augustus per trein gedeporteerd en kwamen dezelfde dag aan in het station van Hombeek.
In Leest werden 79 mensen ondergebracht waaronder de familie Masschelein. Van de lokale overheid kreeg het gezin logies toegewezen in de hoeve van de weduwe Spruyt in de Winkelstraat. Dochter Félicie ontbrak, die was opgenomen bij een familie in Zwevelgem en zou later op de vlucht gaan en in Sint-Amands terechtkomen. Als herinnering aan hun verblijf te Leest kreeg de familie van de weduwe Spruyt een ‘vlier’, een snaarinstrument ook hommel genoemd, alsmede een carbuurlamp mee naar Moorslede. Maria Emiliana Vleminckx (°Leest 18/5/1838, +Leest 20/2/1923) was de weduwe van Henri (Henricus Philippus) Spruyt (°Hombeek, +Leest 6/5/1912).
Paul bezorgde me onderstaande lijst met de namen van 46 vluchtelingen waaronder die van zijn familieleden :
1.Mylle Gaston uit Moorslede, verbleef bij weduwe Spruyt in de Winkelstraat. Hij kwam op 31 oktober 1917 de familie van zijn latere echtgenote Félicie Masschelein vervoegen.
2.Rosseel Elodie uit Dadizele, verbleef in de Tiendeschuurstraat.
3.Sioen Leon uit Moorslede, verbleef in de Tiendeschuurstraat. Vertrok vrijwillig naar Duitsland.
4.Van Neste Cyriel uit Moorslede, verbleef in de Winkelstraat nr. 7.
5.Messiaan Flavia, echtgenote van Van Neste Cyriel.
6. Van Neste, dochter van nr 4 en 5.
7.Van Petegem, dochter van…
8.Masschelein Clement uit Moorslede Koekuit. (Grootvader van Paul Snoeck) Kreeg een onderkomen bij de weduwe Spruyt in de Winkelstraat.
9.Van Biervliet Eulalie uit Moorslede Koekuit, zijn echtgenote (nr. 8).
10.Masschelein Augusta idem, dochter 8 en 9.
11.Masschelein Martha, idem.
12.Masschelein Germaine, idem.
13.Masschelein Valerie, idem. (oudste dochter, werd later kloosterzuster)
14.Masschelein Lucien, idem, zoon van 8 en 9. Kreeg zijn vormsel te Leest (17/7/1918).
15.Julia Sioen, gedoopt in Leest 27 oktober 1917, overleden in Leest 14 jan 1918.
16. Helena Sioen, geboren 3 juni 1896 (ongehuwd), moeder van Julia (nr.15).
17.Leona Loyson, was getuige bij doop nr. 15.
18.Jules Sioen, was getuige bij doop nr. 15.
19.Renaat Vanwildermeersch, geboren 7/9/1897, huwde in Leest met nr. 20 (woonde in Heffen).
20.Flavia Sioen, geboren 5/11/1897, huwde met nr. 19.
21. Bruno Sioen, vader van Flavia nr. 20.
22.Fharilde Sieuw, moeder van Flavia nr. 20.
23.Philippe Vanwildermeersch, vader van Renaat nr. 19.
24.Mathilde Depoorter, moeder van Renaat nr. 19.
25.Cyrillus Bonduele, getuige op huwelijk nr 20 en 19.
26.Guillium Sioen, getuige op huwelijk nr 20 en 19.
27. Augusta Vanneste, 1918 vormsel en communie in Leest(op schoolfoto).Verbleef in de Winkelstraat.
28.Palmyra Van Peteghem, idem (op schoolfoto).
29. Blanche Christiaens, idem.
30.Melanie Van Dam, vormsel in 1919.
31. Leona Sioen, getuige vormsel Helena Sioen (16).
32.Julius Loyson, idem.
33.Germaine Loyson, vormsel in Leest 1918.
34. Martha Loyson, idem.
35. Martha Sioen, idem.
36.Adriana Van Neste, idem.
37. Maria Van Neste, idem.
38.Alegdis Van Peteghem, idem.
39. Maria Van Peteghem, idem. (op schoolfoto ?)
40.Palmira Van Peteghem, idem.
41.Georges Christiaens, idem.
42.Walter Christiaens, idem.
43.Marcel Loyson, idem.
44.Jules Sioen, idem.
-Lucien Masschelein, idem reeds vermeld bij fam. Masschelein (14).
45. Maria Lattrez, vormsel 20 mei 1919.
46. Sylvia Lattrez, idem.
Félicie Masschelein (de latere echtgenote van Gaston Mylle op nummer 1) vluchtte met de uit Rollegem-Kapelle afkomstige weduwe Eugenie Rosselle en haar kind Charles Clarisse (°9/2/1912) naar Sint-Amands.
Op de lijst van de vluchtelingen uit de Westhoek die te Hombeek verbleven stonden 112 namen.
Vervolgt.
Foto’s : -Clement Masschelein en zijn oudste dochter Valerie in 1916. De foto werd genomen door een Duits soldaat in de periode dat Moorlede nog bezet gebied was. Valerie zou later kloosterzuster worden. -De carbuurlamp die de familie meekreeg van de weduwe Spruyt. Paul Snoeck erfde ze van zijn moeder Eulalie Vanbiervliet. -Het gastgezin van de familie Masschelein : de familie Spruyt-Vleminckx uit de Winkelstraat. De foto dateert van 1906 en is genomen ter gelegenheid van het huwelijk van dochter Rozalia met Rik Verbeeck. Staande van links naar rechts : Karel Spruyt en zijn vrouw, Johannes ‘Wannes’ Spruyt, Frans ‘Sooi’ Spruyt,Karel Verbeeck, onbekend, Louis Van den Heuvel, een knecht, Maria Verbeeck, Serafien Spruyt, Constantia Beullens, Virginie Spruyt, Pieter Verbeeck, Corneel Verbeeck en Amelie De Maeyer (vrouw van Pieter Verbeeck). Zittend : vader Hendrik Spruyt, moeder Maria Vleminckx met tussen hen in het dochtertje van Karel Spruyt, de trouwers Rik Verbeeck en Rozalia Spruyt, FelixVerbeeck en Theresia Beullens, de ouders van de bruidegom. - De familie Masschelein in 1917 op de vlucht naar Leest. Van links naar rechts : Augusta, Valerie, vader Clement, Gaston Mylle (latere echtgenoot van Félicie Masschelein), Martha, zittend moeder Eulalie Vanbiervliet, Germaine en Lucien. -De meisjesschool van Leest in 1917. Bovenaan uiterst rechts : Augusta Vanneste uit Moorlede. Op de rij daaronder als tweede van rechts vluchtelingetje Van Petegem. Op dezelfde rij als tweede van links nog een vluchtelinge (naam onbekend) en op de bovenste rij als derde van links een vluchtelinge uit Hongarije.
Moorsleedse vluchtelingen te Leest tijdens de Eerste Wereldoorlog
WO I
MOORSLEEDSE VLUCHTELINGEN TE LEEST
In 2013 werd ik benaderd door de Westvlaming Paul Snoeck die op zoek was naar inlichtingen over de vluchtelingen uit Moorslede die tijdens de Eerste Wereldoorlog een tijdlang in Leest verbleven. Paul, auteur van verschillende boeken en geboren Moorsledenaar, werkte aan een verhandeling over zijn familie Masschelein-Vanbiervliet. Via de KU Leuven en het bisdom Brugge had hij al veel documentatie kunnen terugvinden mailde hij en de mensen van Moorslede vluchtten ofwel naar Frankrijk (Canny is verbroederd met Moorslede) of naar de streek van Mechelen. Al snel kwam Paul in Hombeek terecht waar hij werd verder geholpen door Ward Dekempeneer en Lieve Huysmans van de heemkundige kring Hoembeka. Via Wilfried Hellemans kwam hij bij mij en de Kronieken van Leest terecht en ik heb hem met veel plezier al mijn gegevens over de vluchtelingen van Moorslede bezorgd. Paul kreeg toestemming om de registers van de burgerlijke stand van Leest te raadplegen en bezorgde me op zijn beurt zijn bevindingen, waaronder de lijsten met vluchtelingen van Hombeek en Leest, foto’s van de familie Masschelein en nog andere weetjes.
Door dit alles raakte ik gefascineerd door deze Westvlaamse gemeente en ben ik gaan grasduinen op het internet naar meer informatie. Hierna een samenvatting van mijn voorlopige bevindingen.
MOORSLEDE
Moorslede is een gemeente in de provincie West-Vlaanderen op nauwelijks 15 km van Ieper. Het is een landelijke gemeente met een kleine 11.000 inwoners en in de volksmond spreekt men van Moorslé. De gemeente heeft naast Moorlede-centrum nog de deelgemeente Dadizele. De dorpskern van Dadizele ligt ongeveer vijf kilometer ten zuiden van het centrum van Moorslede. Tussen beide kernen ligt, op het gebied van Moorslede, het dorpje Slijpskapelle.
GESCHIEDENIS
De eerste vermelding van Moorslede als Morcelede gaat terug tot 1085. De heerlijkheid Moorslede bezat gronden tot in Nieuwkerke en Ardooie, en kwam ca 1700 in het bezit van de heren van Dadizele. De heer oefende de hogere, de middelbare en de lagere rechtsmacht uit. Bestuurlijk en fiscaal behoorde Moorslede tot de kasselrij Ieper (Oost-Ieper-Ambacht). Het in 1617 herbouwde kasteel of "'s ‘Herenhuis" bevond zich iets ten westen van de kerk, na 1700 werd het een kasteelhoeve. Te Moorslede bevonden zich nog (gedeelten van) andere heerlijkheden: de heerlijkheid Slyps, de heerlijkheden Watermeulen en Strooiboom. Het patronaat van de St.-Martinuskerk werd uitgeoefend door het O.-L.-Vrouwkapittel van Doornik (schenking in 1188). De parochie maakte achtereenvolgens deel uit van het bisdom Doornik (tot 1559), Ieper (tot 1801), Gent (tot 1834) en Brugge.
In 1673 bestond een derde van Moorslede nog uit heide en bos. Moorslede wordt ook wel het "Lievensdorp" genoemd naar Constant Lievens (°Moorslede 10/4/1856, Heverlee 7/11/1893) die in India actief was als missionaris. Naar hem verwijzen een standbeeld op de Marktplaats en het Lievensmuseum. In 1993 bezocht prinses Astrid zijn geboorteplaats ter herdenking van de honderdste verjaardag van zijn overlijden. Verschillende keren mocht de gemeente zich overigens verheugen op koninklijk bezoek. Zo bezocht Koning Albert I Moorslede onmiddellijk na het einde van de Eerste Wereldoorlog. Moorslede was ook de geboorteplaats van de auteur David de Simpel, architect Marc Dassauvage, kunstschilder Emiel Jacques en de wielrenners Cyrille Van Hauwaert en Patrick Lefevere. Deze laatste is beter bekend als manager van wielerploegen. In 1950 werd Briek Schotte wereldkampioen in Moorslede voor Middelkamp en Kübler. Een Moorsledenaar was ook de oprichter van “De Gazette van Detroit”, de Vlaams-Amerikaanse immigratiekrant in de Verenigde Staten. Die krant werd al dan niet toevallig opgericht enkele dagen na het begin van de Eerste Wereldoorlog.
EERSTE WERELDOORLOG
Op 2 augustus 1914 had de Duitse regering om toestemming verzocht voor de doortocht van haar troepen door België. Er volgde een weigering met als gevolg dat op 4 augustus Duitse eenheden de Belgische grens overschreden, waardoor de oorlogstoestand was ingetreden. De Belgische regering had alles zo goed mogelijk voorbereid en toen de Duitsers het land binnengedrongen waren, besloot men de hulp van de toen bevriende mogendheden Engeland, Frankrijk en Rusland in te roepen. De desbetreffende telegrammen werden tegen de avond van 4 augustus verzonden. De grote oorlog was ontketend…
Wanneer de oorlog drie weken bezig was, kwamen de eerste vluchtelingen toe in Moorslede en de omliggende dorpen. Ze kwamen uit Brussel, Mechelen, Leuven…en ze hadden vreselijke verhalen mee over de Duitsers. Kort nadien verschenen de eerste Duitse soldaten. Het waren Ulanen, verkenners te paard. Begin oktober trokken de eerste troepen van het Belgisch leger voorbij. Ze kwamen van Antwerpen en begaven zich richting IJzer. Enkele dagen later gevolgd door Britse cavalerie en Franse soldaten.
Op maandag 19 oktober 1914 viel het Duitse leger de regio Moorslede-Rumbeke–Roeselare–Staden binnen. De Duitsers werden er beschoten door een Compagnie Franse Dragonders die de aftocht van hun kameraden moesten dekken en ze gingen er van uit dat het burgers waren die de wapens hadden opgenomen. Deze schermutselingen resulteerden in een zeer gewelddadig optreden van de bezetters. Ze reageerden met plundering, brandstichting en executies. De Duitse troepen die in die dagen in de streek gelegerd waren, bestonden vnl. uit jonge oorlogsvrijwilligers zonder ervaring, vaak studenten, die de oorlog als één groot avontuur zagen. In paniek vluchtte een groot deel van de bevolking, ook bewoners van Moorslede. Die mensen lieten alles achter en vertrokken ijlings, de meesten richting Ieper-Poperinge–Frankrijk, anderen richting Limburg, zelfs nog verder richting Nederland. Deze dag staat in het geheugen gegrifd als ‘Schuwe Maandag’.
Vanaf dan is Moorslede bezet gebied en verschillende Duitse soldaten werden bij de burgers ingekwartierd. Einde 1914 begon de relatie tussen de Duitsers en de plaatselijke bevolking stilaan te verbeteren en groeide er soms een band tussen de inwoners en hun ingekwartierde soldaten. Af en toe ontstonden er zelfs romances met huwelijken en kinderen als gevolg. De bevolking paste zich steeds meer aan aan het leven in bezet gebied. Er kwamen winkeltjes met souveniers, tabak en voeding voor de soldaten. De Moorsleedse herberg de Blauwvoet begon zelfs een boekhandel voor leesgrage soldaten en in het huis van brouwer Denecker werd een repetitielokaal voor muzikanten ingericht, het zogenaamde ‘Musikhaus’. Veel aandacht was er ook voor het religieuze en regelmatig werden er missen georganiseerd voor de soldaten.
Tussen november 1914 en 22 april 1915 bleef alles rustig aan het front. Moorslede lag toen niet in de gevechtszone, die lag dichter bij Ieper. Later kwam Moorslede wel in de frontlinie te liggen en het dorp kreeg het hard te verduren. Verschillende keren zouden de Moorsledenaars op de vlucht slagen. Eerst naar dorpen en steden dichtbij, later ook naar Normandië in Frankrijk. Moorslede, Dadizele en Slypskapelle liepen door de beschietingen heel wat schade op, vooral de kerken waren een geliefkoosd doelwit.
Tijdens de derde slag bij Ieper, bekend als ‘de slag om Passendale’, begonnen op 31 juli 1917, lag Moorslede alweer in het schietbereik van de Engelse artillerie waardoor ook de laatste inwoners hun huizen ontvluchtten. Bij dit eindoffensief zou het dorp voor 100 % verwoest worden. Deze vluchtelingen werden voor een groot gedeelte opgevangen in de streek van Mechelen, naast deze stad ook o.a. in Heffen, Leest en Bonheiden. Ook in Mol, Ruisbroek, en Geel waren vluchtelingen terecht gekomen. Ze zouden er blijven tot na de oorlog.
Vervolgt.
Foto’s : -Paul Snoeck. -Moorslede, 21 maart 1915. Duitse soldaten, met pinhelm, zijn verzameld op het marktplein voor de ‘Feldgottesdienst’, de Heilige Mis in open lucht. -Moorslede voor en na WO I.