Vervolg : schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet. Beeldhouwer.
Vervolg - Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Beeldhouwer
Nadat hij de lagere school in Leest doorlopen had ging Rik Lauwens naar de Technische Scholen Mechelen op de Melaan en in 1952 behaalde hij daar zijn diploma van ‘beeldhouwer’ (sculpteur). De praktijk werd hem bijgebracht door zijn oom Rik De Bruyn, een kei in het vak. Zelf ontwikkelde hij zich tot een waar kunstenaar. In zijn living kan men nog enkele van zijn vele werken bewonderen : pareltjes van vakmanschap en creativiteit.
Rik restaureerde de sculpturen aan het orgel van Hombeek. Een restaurateur vroeg daarvoor in een offerte 750.000 frank, Rik deed het gratis. Zo kreeg hij stilaan faam in dat wereldje en hij restaureerde nadien o.a. ook de orgels van de Lanscommanderij in Alden Biesen en die van de kerken van Baardegem, Kampenhout Elst en Sint-Jozef Arbeider in Dendermonde Keur. Dat laatste, een modern pijporgel, kwam er in 1986 onder impuls van pastoor Paul De Baere. De eikenhouten kast draagt de spreuk 'Soli Deo Gratia' (J.S. Bach). Het halfverheven beeldhouwwerk van de vier deurtjes waarachter de pijpen van het borstwerk zichtbaar zijn, werd ontworpen door Leo De Beul en door Rik op voortreffelijke wijze uitgevoerd. Het nieuwe orgel werd op zondag 5 juni 1988 ingezegend door Vicaris-Generaal Georges De Lange en op 23 oktober 1988 ingespeeld door Peter Pieters, organist van de Mechelse Sint-Romboutskathedraal. De vervanger van pastoor De Baere was toen de restaurateur uit Leest vergeten uit te nodigen, een euvel dat door eerstgenoemde gelukkig tijdig werd rechtgezet.
Jarenlang was Mechelen de meubelstad bij uitstek. Reeds in de tijd van Keizer Karel was de stad gekend voor zijn houtsnijwerk. Het vakmanschap van de Mechelse beeldsnijders, van generatie op generatie in de ateliers doorgegeven, resulteerde in de typische zwaar gesculpteerde Mechelse meubelen, eeuwenlang een internationaal begrip. Na de Tweede Wereldoorlog ging het stilaan bergaf met het Mechels meubel. Modern design en serieproductie waren maar enkele van de vele oorzaken en Rik moest in 1970 op zoek naar ander werk. Dat vond hij bij een dochteronderneming van de Société Générale : Union Minère (het latere Umicore). Hij kreeg er een betrekking in de hoofdzetel te Brussel (Broekstraat) waar hij tewerkgesteld werd als ‘nettoyeur’. Drie jaar later werd hij, onder zachte dwang, verplicht in de keuken tewerkgesteld ook al had hij daar totaal geen ervaring mee. Het begin van een nieuwe carriére. Rik werd kok in de grootkeuken van het bedrijf waar dagelijks zo’n vijfhonderd monden moesten gevoed worden. Het was hard en verantwoordelijk werk maar hij deed het met liefde en inzet tot zijn oppensioenstelling in 1990. De Kon. Fanfare St.-Cecilia en Josephine zouden er hun voordeel mee doen : Rik kookte op haast alle evenementen van deze vereniging en met zijn echtgenote zou hij later een succesvol kookteam vormen.
Vervolgt.
Foto’s : -Rik was een naarstige leerling aan T.S.M. -Zijn diploma van beeldhouwer. -Enkele pareltjes van zijn imponerend vakmanschap. -De kerk van Sint-Jozef Arbeider in Dendermonde Keur. -Het orgel dat aldaar door Rik Lauwens werd gerestaureerd.
vervolg - Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Vervolg - Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Meester Huysmans schetste in 1983 een portret van Rik en diens oma Ida Peeters.
In zijn rubriek “Leestenaars treden zo uit de oude doos” in “De Band” was een opstel uit 1948 van de toen 13-jarige Rik over zijn grootmoeder, voor meester Huysmans in 1983 een aanleiding om zijn vroegere leerling in het daglicht te plaatsen. Het opstel en het lyrisch verslag van de meester verschenen dat jaar in de nummers van mei en juni, evenals een boeiende levensschets van Ida Peeters, de grootmoeder waarvan sprake.
Grootmoeders portret
"Grootmoeder is oud. Zij is ruim 65 jaar. Haar haren zijn witgrijs, haar wezentrekken liggen diep; zij heeft vele rimpels op het voorhoofd en de kaken, en diepe groeven in de hals. Zij heeft al haar tanden verloren en daarmee is de mond wel wat ingevallen. Grootmoeder ziet niet goed meer, daarom draagt zij een bril, die langs de bovenkant dient om ver te zien en langs de onderkant om dichtbij te zien. Zij hoort nog tamelijk wel. Als ze in haar leunstoel zit leest ze de krant of stopt kousen of breit. Grootmoeder is de goedheid zelf : zij ziet de kinderen zo gaarne ! Van tijd tot tijd gaat ze er mee wandelen of speelt ze zelfs mee. Soms vertelt ze wonderschone dingen. Als de kinderen alleen niet braaf zijn, geeft grootmoeder ze wijze raad. Heel de familie houdt zeer veel van haar. Met grootmoeders verjaardag komen ze allen haar geschenkjes brengen. Ik dank God voor onze grootmoeder en bid dat ze nog lang gelukkig zou mogen leven.”
Commentaar van Meester Huysmans
De schrijver Hendrik LAUWENS : -Tijdens het schooljaar 1947-’48 leerling in het 8ste leerjaar. -Geboren te Leest op 31 december 1934. -Oudste zoon van Lauwens Jan (°Blaasveld 19/4/1903, +Mechelen 28/1/1991) en De Bruyn Mathilde (°Bornem 26/12/1907,+Leest 29/5/1977), Dorpstraat 22. (gezin met 8 kinderen). -Gehuwd met Polfliet Josephine. -Wonende Kouter 82. -Beroep : tot 1970 beeldhouwer in Mechelse meubelzaak, werkt thans in personeelskeuken van Brussels S.G. -grootbedrijf. -Kinderen : Willy, Hugo en Maryse. -Studies na 4de graad : 2 jaar Oefenschool Mechelen, daarna 3 jaar vakonderwijs, houtbewerking A3. Jarenlange praktische finesse-scholing ten huize van zijn oom Rik De Bruyn (houtsnijkunst). -Hobby’s : 1. Wijnmaken : experimenteren met zelfproductie wijn. (van pruim, appel, rabarber en kriek). Van deze laatste kan ik getuigen, dat hij prima, haast superieur is : wijn als een veulen in een zonnige lentewei, fris en fruitig als verse vruchten. 2. Muziekliefhebber : a) koorleider van het gemengd kerkzangkoor. b) trombonist in de fanfare. 3. Ornamentsnijder (hout). Als men zijn living betreedt verrassen, ja imponeren, zelfs overdonderen, u de zelfbewerkte meubelen in schoonheid, getuigend van karakter en vakmanschap, die heel charmant aandoen. Ik sta in bewondering voor die weelde van aangebrachte versiering en bloemmotieven, creaties met zuiltjes, pilasters en frontons, gestrikte guirlandes, palmetten, rozetten en lauwerkransen, zelfs decoraties uit de erfenis der Romeinen. De buffetkast, inzonderheid de salontafel, zouden zo bijgeplaatst kunnen worden in één der rijke zalen van het Palacio Real te Madrid. Een tafel van ettelijke tienduizenden schattingswaarde. Erg nieuwsgierig vraag ik naar zijn werkplaats… Hier betreed ik aandachtig zijn ‘heiligdom’, laat me toe het zijn ‘atelier’ te noemen. Op de werkbank liggen allerlei soorten beitels, de hamer en de passer, netjes gereid : de bolletjessteker, de halfrondbeitel, de kantbeitel, vele tientallen soorten, meestal op elkaar gelijkend, toch kleintjes verschillend in steekvorm, snijbreedte, dikte, ronding en uitholling… Verder bemerk ik pas aangezette werkstukken, verder halfafgewerkte, boven aan de wanden, links en rechts stapels getekende ontwerpen, siermotieven en figuren; onderaan, voor en achter houten blokken, machinaal tot ruwe vorm reeds aangezet, gereedschap om te bekappen en aan te snijden, en waarin men nu reeds de nog verborgen schoonheid kan vermoeden… Wat verderop, en bovenop ligt er een muziekpartituur. Dit wijst erop, onderwijl hij het harde verduldige hout bekapt, strelend besteekt, voorzichtig besnijdt, hij ter afwisseling, als verpozing, al eens een moeilijke reeks notengroepen voor zijn trombone overkijkt, of een alleluja-passus voor koor instudeert… Proficiat. Ge moet het maar kunnen en ge moet maar willen. Groot geduld, moed en volharding, creatief denken en bezig zijn. Tenslotte liefde voor handwerk en het schone. Waar een opstel uit de oude doos me naartoe heeft geleid ! Treedt er nog eens een verborgen talent uit die doos ? Het zou me zeer verheugen. Zo ver zijn we echter nog niet.
Wie is de geportretteerde grootmoeder ? Dit is Ida PEETERS, echtgenote van Leopold DE BRUYN, destijds wonende Juniorslaan, aan de spooroverweg te Leest. Beiden waren afkomstig uit Bornem. Hun gezin telde 5 kinderen : Jeanne, Mathilde, Hendrik (“Rik”), Giljom en Frans. Ida Peeters werd geboren te Bornem in 1882 : een tijd van honger en armoede voor de volksmens in Vlaanderen. Heel vroeg stierf haar moeder, zodat ze haar niet heeft gekend. Eens 9 jaar geworden, was haar schooltijd reeds gedaan –wat toendertijd niets uitzonderlijk was,- en trok ze dagelijks te voet naar Weert, om er wijmen manden te vlechten. Kinderarbeid, 10 tot 12 uur per dag tegen een hongerloon, was heel gewoon. Haar man was van gegoede boerenafkomst, maar er was slechts plaats voor 1 zoonopvolger op de hoeve, zodat Leopold bij de spoorweg Mechelen-Terneuzen uitweg zocht en in dienst kwam. Eens Ida voor zich gekozen en gewonnen, kreeg hij de keuze : mogelijkheid een huisje van de IJzeren Weg te bewonen, ofwel in Temse ofwel in Leest. Aangezien er in Temse geen centiare grond bij dit huis was, en in Leest wel een lapje grond, en ’t BOERENBLOED in hem dwingend sprak, kozen ze voor Leest. We noteren hier het jaar 1908. Leopold werkte bij de spoorweg Mechelen-Terneuzen. Ida had de taak van bareelwacht en toezicht op de stopplaats Leest. De barelen toedraaien en terug openen. Een taak met verantwoordelijkheid naast haar gezinsbezigheden. De oorlogsjaren 14-18 brachten hierin een onderbreking, want vader moest voor soldaat optrekken. Ze ging met haar kinderen terug te Bornem wonen. In 1919 komen ze in Leest opnieuw hun zelfde werk vervullen en heeft moeder Ida ook al hulp van de kinderen voor de bareelwacht. Vooral bij mistig en erg slecht weer viel er op te passen. Goed uitkijken, vooral richting Blaasveld, waar bij nadering van de trein in de verte, aan de draai, een rood seinlicht waarschuwend branden ging. In 1922 werd de halte Leest afgeschaft. Tot in 1933 ongeveer. Toen werd de stopplaats Leest weer ingevoerd. Met een nieuwigheid erbij : er moesten dan ook coupons uitgeschreven worden, en aangezien Ida luttele lees- en schrijftechnieken bezat, schrikte dit werk haar af. Neen, dit nam ze er niet bij. Dit werd voor haar het einde van de bareelwacht en hun verblijf in “’t Routekot”, als ik het op zijn Leests cru mag zeggen (Noot : zo weten de lezers meteen waarom men haar oudste zoon, de populaire dirigent van de K. Fanfare, “Rik van ’t Kot” noemde). Het gezin Robbens volgde hen op. Vele jaren lang heeft Ida met haar man en kinderen aan de spoorweg gewoond. Van in ’t begin waren ze goed onder de omwonenden ingeburgerd en de Leestse Heidelucht deed hen deugd. Wie van de geburen weet er nog wat van de plezante avonden, telkens als haar man met de gratis-coupons van de Spoorweg zo dikwijls naar Terneuzen bommelde om er krabben te gaan vangen met stukjes paardenvlees aan een stok, en telkens met rijke buit terugkeerde en Ida de groengrijze kruipedingen tot smakelijke lekkertjes kookte ?...en dan smullen maar, geburen allen samen… Maar ’t gebeurde ook dat ze de dood nabij was van de schrik. Zo die keer, toen de trein reeds kortbij naderde en ze zag, dat midden op de spoorweg, het kindje Florent PISCADOR, pas een lopertje rustig neergehurkt met keien zat te spelen…Ze begon luidkeels te huilen, te rennen, te gillen, de armen in de hoogte…Vader Isidoor Piscador had de alarmkreten gehoord, kwam, zag, sprong dwars door de haag en redde, nipt geplukt, zijn kind… -Florent Piscador woont nu te Heffen. En die andere keer, toen de trein een paar minuten te vroeg misschien, of Ida wel wat laat ? (wie zal het zeggen ?) buiten sprong om de bareel dicht te draaien. Ze was zo uitermate verrast van wat ze zag…Toon STOOP schommelde met zijn hondenkar vol melkstopen, pal op de overweg…Hij was op weg naar ’t Heike voor zijn Brusselse melktoer…en de trein zo dichtbij, mensen !!! Zo nabij, dat het haast een wonder was, dat hij ’t achterste hoekje van ’t karreke er juist niet afreed…Och Gottekestoch, Ida was er ziek van…
Ida, als grootmoeder door haar kleinzoon Hendrik Lauwens op 13-jarige ouderdom, karig, maar kleurig en kinderlijk-kunstig beschreven, is overleden in mei 1963 op 81-jarige ouderdom. Ook voor haar was het leven een sneltrein. Op haar gedachtenisprentje lezen we : ‘De dood heeft ons, niet haar, verrast. Een leven, gelouterd door talrijke beproevingen, geleid door liefde en stille vreugde…zo waren de jaren, die God aan onze dierbare schonk. Dat hare ziel in vrede ruste.’ Moge deze gedachtenis en bovenstaand beeld ons bijblijven.
Ida Peeters was te Bornem geboren op 14 december 1882 en ze overleed in het ‘Gesticht van de H. Familie’ te O.L.Vrouw Waver op 12 mei 1963.
Vervolgt.
Foto’s : -Meester Huysmans wijdde zijn rubriek aan Rik en zijn grootmoeder. -Rik De Bruyn, de oom waarvan Rik jarenlang praktijklessen kreeg. -Grootmoeder Ida Peeters. -Het gezin Lauwens-Polfliet met grootmoeder Ida Peeters. Boven van l. naar r. : Louis Vivijs (politiek gevangene Nacht und Nebel), zijn echtgenote Julia Lauwens, Josephine Polfliet, haar man Rik Lauwens, Jozef De Decker (echtgenoot van Paula Lauwens), Frans De Decker (zoontje van Jozef en Paula), Paula Lauwens, Willem Lauwens, Antoon Lauwens, Jeanne Lauwens, Moeder Mathilde De Bruyn en vader Jan Lauwens. Onder : Maria Lauwens, Ursula Peeters (zus van Ida, ook “Tizzela” of “Tanneke” genoemd en echtgenote van Jan De Schoenmaeker), Jan (“Zjang”) De Schoenmaeker, grootmoeder Ida Peeters en Leo Lauwens. -Gedachtenisprentje van Ida Peeters.
vervolg - Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Vervolg - Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Hendrik “Rik” LAUWENS
Rik werd geboren te Leest op 31 december 1934. In de gemeenteschool van Leest doorliep hij de 8 studiejaren. De eerste twee bij meester Meyers, het 3de en 4de bij meester Selleslagh, het 5de en 6de bij meester De Leers en het 7de en 8ste bij meester Huysmans. Zoals elke ex-leerling van meester De Leers zit hij niet verlegen om een anekdote. Zo moesten zijn scholieren ooit het gedicht “Mijn hond heet Fik” voordragen. Toevallig de naam van één van de leerlingen. Toen een leerling vooraan in de klas luidop de zin “Fik kom hier” citeerde voelde de echte Fik zich aangesproken, sprong op uit zijn bank en haastte zich naar het bord. Meester De Leers verduidelijkte dat het om de hond ging waarop Fik opnieuw plaatsnam op zijn bank maar toen er opnieuw “Fik kom hier” werd gedeclameerd stond hij weer aan het bord tot grote consternatie van de klas… Meester De Leers was misschien wat naïef maar een bekwaam onderwijzer en aan meester Huysmans bewaart Rik de beste herinneringen.
Van de Tweede Wereldoorlog herinnert hij zich nog dat de Duitsers verboden om muziek te maken en vooral de enorme formaties geallieerde vliegtuigen die het luchtruim verduisterden. Ooit, hij zal de datum nooit vergeten, 19 april 1944, was hij met enkele jongens konijnenvoer gaan plukken in de Bleukens toen er weer zo’n formatie voorbijvloog. De vliegtuigen gooiden schijnbaar snippers uit en de jongens dachten dat het, zoals zo vaak, om antiradarsneeuw ging en zij holden er naartoe. Die dwarrelende dingen zagen er van op afstand uit als zilverpapiersnippers. Dat was een techniek van de geallieerden waarbij grote hoeveelheden foliereepjes uitgeworpen werden. De reepjes weerkaatsen een deel van de radarbundel, waardoor het radarsysteem een doel ziet. Doordat de wolk foliereepjes vrij groot was en de reepjes dicht op elkaar dwarrelden, ontstond er een compleet ‘gordijn’ van doelen waar een radar moeilijk doorheen kon kijken en waarachter de vliegtuigen zich konden verschuilen of uit de voeten maken. De jongens hadden zich echter misrekend, het bleek om echte bommen te gaan. Eens ze de grond raakten spatten ze open en zetten ze de omgeving in vuur en vlam. Gelukkig had pachter Beullens van het Hof ten Broecke het gevaar tijdig opgemerkt en hij maande de jongens aan om weg te vluchten. Zij konden zich veilig terugtrekken tot bij de massa volk die op de kerkhofmuur alles van in de verte gadesloeg. Eén van die fosforbommen kwam terecht op de schuur van pachter Jan Lauwers in de Larestraat en stak die helemaal in de fik. Het grootste deel van de bommen raakte Mechelen en de stad stond in brand. Op 24 april zou Mechelen rouwen om de 120 doden en de vele gewonden. Hun lijkkisten stonden opgesteld op de binnenkoer van het St.-Romboutscollege en werden vandaar naar de kathedraal gebracht voor de uitvaartdienst. Op 1 mei zou Mechelen het weer zwaar te verduren krijgen. Leest en Hombeek ontsnapten op het nippertje. Het doelwit was duidelijk het spoorwegknooppunt van Mechelen en de spoorwegwerkplaatsen van het zogenoemde Arsenaal, dienstig voor de oorlogsindustrie. De verwoesting in de stad was enorm. Op 15 mei 1944 liet kardinaal Van Roey een herderlijke protestbrief aflezen in alle kerken waarin hij de geallieerden verzocht in naam van België have en goed van de burgers te ontzien “daar anders de beschaafde wereld zich eens met afschuw rekenschap zal geven van de ontzettende behandeling, die een onschuldig en loyaal land heeft moeten verduren.” Bombardementen van grote omvang bleven van dan af achterwege. Rik weet nog dat de Duitsers in 1944 op de vele open weiden langs de Zenne twee meter hoge boomstammen en balken in de grond hadden gestopt om te beletten dat vliegtuigen of zweefvliegtuigen er zouden landen. Ze werden omwikkeld en verbonden met prikkeldraad. De bezetters waren bang voor een invasie. Onvergetelijk was zijn eerste kennismaking met de Engelsen. Het was een gewone schooldag en plots zagen ze een colonne legervoertuigen van het Engels leger voor de jongensschool halt houden. De bevrijders eisten de hele schoolinfrastructuur op en alle jongens mochten naar huis. Onder het afdak werd een veldkeuken geïnstalleerd die doorliep tot in een grote tent op de koer en de drie eerste klassen werden omgetoverd tot eetzaal. Slapen zouden de soldaten in zaal St.-Cecilia in de Dorpstraat. De kinderen moesten geruime tijd niet naar school en sommigen, waaronder Rik, verbroederden met de Engelse soldaten die ook hun eten deelden met de Leestse jeugd. Rik was ook van de partij toen ze een partijtje voetbal gingen spelen met de Engelsen op het plein van Heffen. Schone liedjes duren niet lang, er moest een oplossing gevonden worden voor de schoolverlaters. De jongens werden uiteindelijk ondergebracht in de meisjesschool waar ze een halve dag les kregen in de namiddag en de meisjes in de voormiddag.
Vervolgt.
Foto’s : -De vier Leestse meesters van Rik Lauwens : Meyers, De Leers, Selleslagh en Huysmans. -Mei 1944 : geallieerde vliegtuigen overvliegen Leest. -Pachter Jef Beullens van het Hof ten Broecke met zoon Torre tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hun paard was door de bezetter opgeeist. Rechts achteraan de kerkhofmuur.
vervolg Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Vervolg Schijnwerpers op Rik en Josephine Lauwens-Polfliet.
Enkele voorouders in rechtstreekse lijn van de stam
van Rik LAUWENS-Josephine POLFLIET
Jacobus LAUWENS(°Leest 13/2/1791, +Leest 7/9/1859) gehuwd met : Catharina Anna VERTOMMEN(ook Vertongen) (°Leest 1/10/1790, +Leest 13/9/1859) Jacobus was een zoon van Johannes Baptist Lauwens en van Maria Anna Blommaerts Hij was landbouwer en handwerker. Catharina was een dochter van Petrus Johannes Vertommen en van Anna Huysmans. Zij was dagloonster. Jacobus en Catharina huwden op 24 september 1811 te Leest. Getuigen waren haar stiefvader Cornelius Eeckelaers, veldwachter Guilielmus Brion, hovenier Matthias Van Asch en gemeentesecretaris Johannes Baptist Fremie. Zij overleed 6 dagen na haar echtgenoot. Het echtpaar kreeg 11 kinderen.
Franciscus LAUWENS(°Leest 8/10/1830, +Leest 23/9/1906) gehuwd met : Anna Paulina VAN DEN HEUVEL(°Leest 6/11/1832) Hij was het 10de kind van voorgaand echtpaar. Franciscus huwde met Anna Paulina te Leest op 20 juli 1857. Getuigen waren Guilielmus Nees, Johan Bapt. Huysmans en Adrianus De Wit. Franciscus en Anna Paulina waren dagloners. Het echtpaar kreeg negen kinderen.
Johannes Baptist LAUWENS(°Leest 3/12/1874, +Leest 31/10/1945) gehuwd met : Catharina Paulina ABSILLIS(°Leest 7/12/1875, +Leest 27/12/1963) Johannes Bapt. was de tweelingbroer van Alphonsius (°Leest 3/12/1874, +Blaasveld 17/2/1949) en zij waren de jongsten uit het nest van voorgaand echtpaar. Het echtpaar huwde op 8 november 1900. Zij kregen 10 kinderen.
Jan Baptist LAUWENS(°Blaasveld 19/4/1903, +28/1/1991) gehuwd met : Mathilde (“Mathilleke”)DE BRUYN(°Bornem 26/12/1907, +Leest 29/5/1977) Jan Baptist was de tweede oudste van tien. Mathilde “Mathilleke” was een zus van Rik De Bruyn (“Rik van ’t Kot”).
Het gezin van Jan en Mathilleke LAUWENS
Het echtpaar woonde eerst in het Pensenstraatje (Dorp 12) en verhuisde op 17 juli 1936 luttele meters verder naast de herberg “De Rooselaer” waar thans het gebouw van KBC neergepoot is. Een paar weken later (2 augustus) werd daar zoon Antoon geboren. Op 14 april 1948 verhuisden Jan en Mathilleke naar de grotere herenwoning in de Kouter (huisnummer 5 later gewijzigd in nummer 6). Het echtpaar kreeg negen kinderen : -Johanna “Ida” (°Leest 29/3/1928, +Leest 25/8/1928). Dit kindje werd amper 5 maanden. -Julia (°1929), gehuwd met Louis Vivijs uit Tisselt (Lid van de verzetsbeweging ‘de Zwarte Hand’ en politiek gevangene Nacht und Nebel, broer van Staf, de auteur van “Onder Duitsen Knoet”). -Paula (°Leest 8/10/1931, +Duffel 27/10/1970), gehuwd met Jef De Decker (°Leest 11/1/1931, +Leest 25/2/1998). -Jeanne (°Leest 21/5/1933, +Bonheiden 15/1/2009), gehuwd met Jozef Ceulemans (Bonheiden). -Hendrik (“Rik”)(°Leest 31/12/1934), gehuwd met Josephine Polfliet (°Kapelle o/d Bos 15/3/1931) : drie kinderen Willy (°Mechelen 3/7/1958), Hugo (°Mechelen 31/3/1962) en Maryse (°Mechelen 15/7/1966). -Antoine (°1936), gehuwd met Agnes Piessens (Leest). -Willem (°1938), gehuwd met Anny De Prins (Tisselt). -Leo (°1944), gehuwd met Roza Doorlaeghe (Leest). -Maria (°1946), gehuwd met Willy De Roover (Hofstade).
Uit het gedachtenisprentje van Jan Lauwens :
“Gewone mensen wondere mensen !
Zij hebben geen naam, die genoemd wordt in kranten en journaals. Zij zijn oneindig Verdraagzaam.
Zij hebben genoeg verstand, om wat dagelijks over hun hoofd wordt uitgeschut te verwerken.
Mensen waardoor een stroom van liefde in stilte over de wereld gaat. Zo leefde ons vader voor zijn kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen.
Bedankt vader voor alles.”
Uit het gedachtenisprentje van Mathilde De Bruyn :
“Moeder is uit ons midden gegaan, een toonbeeld van goedheid voor iedereen. Een plaats is nu leeg, het hoekje waar kinderen en ook kleinkinderen zich thuis konden voelen, een plaats waar de familie het dichtst bij elkaar was. Het is onbegrijpelijk dat ze van ons is heengegaan. Wij hebben dank kunnen zeggen voor al het goede dat we van haar mochten ondervinden. Haar beeld staat nog scherp in onze herinnering, maar de wonde in ons hart is nog lang niet geheeld. Het leven gaat verder, zonder haar, maar je kunt toch niet nalaten af en toe een traan weg te pinken om dat verlies. Dan word je stil van binnen en je vraagt je af of het leven niet gans anders zou zijn als zij nog in ons midden was. Heb dank, Heer, voor haar leven, waarvan zovelen getuigen waren. Laat haar leven in het licht des aanschijns, waar ook wij eens met haar zullen verenigd zijn in Uw eeuwige liefde.”
Vervolgt.
Foto’s : -Het Pensenstraatje. Het laatste huisje rechts werd een tijdlang bewoond door de familie Lauwens-De Bruyn. -Vader en moeder Lauwens met hun kroost. Van links naar rechts : Willem, Rik, Julia, vader Jan, Leo, moeder Mathilde, Maria, Paula, Jeanne en Antoine. -Jan Lauwens op rijpere leeftijd naar een schets van Georges Herregods.
Via hun zoon Hugo, een vriend die me al vaak geholpen heeft met weetjes over Leest, kwam ik in contact met zijn ouders Rik en Josephine Lauwens-Polfliet. Telgen uit twee oude en respectabele Leestse families. Er werd een afspraak gemaakt en op 14 november 2014 mocht ik voor het eerst langskomen. Ze ontvingen me zeer gastvrij in hun gezellige woonst aan de Kouter en Rik en Josephine hadden zoveel te vertellen over hun rijk gevuld leven dat het niet bij die ene afspraak zou blijven. Vooral Rik is een praatvaar. Aanvankelijk schoorvoetend maar eens op gang transformeerde de diesel in een sneltrein, daarbij geholpen door zijn eega die af en toe wat toevoegde en verduidelijkte. Beide tachtigers beschikken nog over een feilloos geheugen en ik kreeg van hun beider families zoveel informatie te verwerken dat ik die geïmplementeerd heb in aparte items, aangevuld met toelichtingen van familieleden zoals Alida, Antoon, Patrick en Hugo Lauwens, stamboomspecialiste Lieve Huysmans en de Kronieken van Leest.
Familie Lauwens
Het mammoetwerk van Patrick Lauwens
Patrick Lauwens uit Berlaar bouwde een indrukwekkende website op van zijn familie en aanverwanten : www.laurentii.be
De genealogie van de naamdragers “van Laurentius” begon met een zoektocht naar de families Lauwens in het vroegere hertogdom Brabant, in België en in Nederland. Livien Lauwens uit Kapelle-op-den-Bos bracht zijn stamboom in kaart tot Peeter Lauwers, een voorouder die in 1655 te Leest huwde met Johanna Persoons. Lauwens en Lauwers bleken algauw varianten van dezelfde familienaam. Tot die bevinding was ook Lucien Lauwers uit Scherpenheuvel gekomen. Lucien had er toen al meer dan twintig jaar archiefonderzoek op zitten. Er bleken ook andere varianten in de familiegeschiedenis voor te komen: Lauwereyns, Laureys, Lauwaert(s), Lauwen, Lawen(s), Laurens,... Daarom koos Patrick voor de verzamelnaam "Laurentii" voor zijn project, de Latijnse benaming voor alle naamvarianten. Om deze informatie te kunnen delen, kreeg deze website vorm. De informatie gaat terug tot 1410. Op deze website kan men de Hombeeks-Leestse tak in het hertogdom Brabant terugvinden tot bij een nazaat van Deense Vikings, kruisvaarder Odin Lauwereyns, die werd vermeld in 1247 in Brugge in het graafschap Vlaanderen. Nakomelingen weken uit naar het hertogdom Brabant tijdens de daaropvolgende eeuwen.
De Hombeekse stamlijn gaat terug tot Geert Lauwers, rentmeester voor de hertogen van Brabant te Kapelle-op-den-Bos, geboren in 1440. Vanaf de 16de eeuw zijn de gegevens van deze familie volledig gedocumenteerd en van dan af is er sprake van de Hombeeks-Leestse tak. Aan de hand van verschillende bronnen reconstrueerde Patrick de gezinnen en de resultaten werden stelselmatig verwerkt per gemeente, per landstreek, per land of per parochie. De vele teruggevonden verhalen werden chronologisch gerangschikt en er werd ook aandacht besteed aan de geneografie : origine volgens DNA.
Vervolgt.
Foto’s : -Leest. -Rik en Josephine Lauwens-Polfliet. -Hugo Lauwens. -Rik en Josephine met rechts op de achtergrond de wapenschilden van de families Lauwens (onderaan) en Polfliet (bovenaan). -Patrick Lauwens.
Vervolg en slot van “Terugblik op mijn kindertijd in Leest”.
De meeste jongens en meisjes van mijn generatie hebben nooit oorlog, honger, koude, noch werkloosheid gekend en onze materiële situatie is als maar verbeterd. Ons leven verschilde in veel opzichten van dat van de hedendaagse jeugd. Als kind zaten we in een auto zonder gordel en zonder airbags. Aids bestond nog niet en ADHD moest nog benoemd worden. Konden wij nog ongestoord op de straat spelen omdat het veiliger was en in een tijd waarin iedereen iedereen kende en de mensen elkaar hielpen waar mogelijk, dan krijgen de kinderen van nu veel meer kansen en vrijheid. Kleding en speelgoed in overvloed, op vakantie gaan is vaak een ‘happy problem’, waar gaan we dit jaar naartoe ? Ze hebben de keuze uit verschillende sportclubs en jeugdverenigingen, hebben minder religieuze verplichtingen, minder taboes. Lijfstraffen en kinderarbeid zijn afgeschaft en alles is veel gemoedelijker en menselijker geëvolueerd. De jeugd is ook mondiger geworden, sneller volwassen en heeft overal meer inspraak. Daartegenover staat dat zowel kerk als school aan gezag hebben ingeboet. Dat de politiek niet meer wordt vertrouwd en het gezin zijn rol niet meer speelt. Ook jeugdverenigingen weten vaak niet meer op welke koord te dansen. Het teveel aan mogelijkheden leidt bij de kinderen soms tot keuzestress. Dat begint al bij de overvolle kleerkast van de kleuters : ‘Wat wil je aan vandaag ?’ En welke sportclub moeten ze uitkiezen. Gaan ze naar het judo, turnen, volleybal of dans ? Valt dit te combineren met de muziekles ? En dan is er nog playstation, nintendo, de computer, internet, iphone… En de 101 verschillende zenders op televisie…
Ook de rol van de ouders is veranderd. Vroeger gebeurde opvoeden meer instinctief en waren er weinig moeders die buitenshuis werkten. Ouders van nu worden overladen met informatie over opvoedingsmethodes die zichzelf vaak tegenspreken en iedereen heeft zijn mening over de beste aanpak. Dat was vroeger veel simpeler.
Ook de leefomgeving is fel gewijzigd. Sinds 1950 is de bevolking in ons land met 35% aangegroeid. In 1948 telde Leest 1864 inwoners, in 2003 waren er dat 2815, een aangroei van 51%. Laten we ook de groeiende multiculturaliteit niet uit het oog verliezen, 60 jaar geleden waren er amper moslims in ons land en was er van een terreurgroep zoals IS totaal geen sprake. Mijn leeftijdgenoten en ik werden in onze jeugd niet geconfronteerd met stressvolle gebeurtenissen die ons gevoel van veiligheid verbrijzelden. In onze contreien was het wachten tot het begin van de jaren ’70 op de “Vampier van Muizen” en begin jaren ’80 op de “Bende van Nijvel” en de “CCC” (Cellules Communistes Combattantes).
Maar uit alle objectieve data blijkt dat de Vlaming nooit rijker en gezonder is geweest dan tegenwoordig. Kinderen die thans geboren worden zullen gemiddeld langer leven dan elke generatie voor hen.
"De jeugd van tegenwoordig houdt alleen maar van luxe, heeft slechte manieren en veracht de autoriteit. Ze heeft geen respect voor oudere mensen…” Dit zou een uitspraak van een generatiegenoot van mij kunnen zijn, maar het is er één van Socrates, van pakweg 2400 jaar geleden. Als dat iets leert, is het wel dat er eigenlijk helemaal niks verandert. Jeugd zal altijd jeugd blijven en zo keken en kijken vorige generaties naar jongere…
Alles heeft zijn voor- en nadelen, zo ook de periode waarin iemand opgegroeid is. Als je het mij vraagt opgroeien vroeger of nu, ik zou niet kunnen kiezen…
Marcel Van Hoof.
Het Dorp
Thuis heb ik nog een ansichtkaart Waarop een kerk, een kar met paard Een slagerij, een juffrouw op de fiets Het zegt u hoogstwaarschijnlijk niets Maar het is waar ik geboren ben Dit dorp, ik weet nog hoe het was De boerenkinderen in de klas Een kar die ratelt op de keien Het raadhuis met een pomp ervoor Een zandweg tussen koren door Het vee, de boerderijen
En langs het tuinpad van m’n vader Zag ik de hoge bomen staan Ik was een kind en wist niet beter Dan dat ’t nooit voorbij zou gaan
Wat leefden ze eenvoudig toen In simp’le huizen tussen groen Met boerenbloemen en een heg Maar blijkbaar leefden ze verkeerd Het dorp is gemoderniseerd En nou zijn ze op de goede weg Want ziet, hoe rijk het leven is Ze zien de televisiekwis En wonen in betonnen dozen Met flink veel glas, dan kun je zien Hoe of het bankstel staat bij Mien En d’r dressoir met plastic rozen
De dorpsjeugd klit wat bij elkaar In minirok en beatle-haar En joelt wat mee met beat-muziek Ik weet wel het is hun goeie recht De nieuwe tijd, net wat u zegt Maar het maakt me wat melancholiek Ik heb hun vader nog gekend Ze kochten zoethout voor een cent Ik zag hun moeders touwtjespringen Dat dorp van toen, het is voorbij Dit is al wat er bleef voor mij Een ansicht en herinneringen
Toen ik langs het tuinpad van mijn vader De hoge bomen nog zag staan Ik was een kind, hoe kon ik weten Dat dat voorgoed voorbij zou gaan.
Wim Sonneveld
Foto’s : -Op weg naar de volwassenheid. Deze foto sierde mijn eerste paspoort. -De auteur in een meer recente tijd. -Een ansicht met herinneringen...
Hierna worden Rik en Josephine LAUWENS-POLFLIET, samen met hun families, in de schijnwerpers gezet, telgen van twee prominente Leestse geslachten. Daarna volgen nog honderden paginas met aanvullingen…
Op zondagnamiddagen kwam heel de familie bij elkaar bij grootmoeder Tien in de Blaasveldstraat. Terwijl de mannen kaartten of luisterden naar de voetbaluitslagen op de radio met hun pronostiek van Prior bij de hand, speelden de vrouwen met de ‘lotjes’ of zaten met hun voeten rond de Leuvense stoof gezellig te keuvelen. ‘Bon’ had een heel arsenaal oude liedjes die ze met graagte zong. Vooral het ‘vlooienlied’ zal me altijd bijblijven :
“Vrienden ik zal u gaan verklaren, ’t is voorwaar ne viezen toer, Hoe dat ik zijn gevaren, hoe die vlooien geven snoer. En ze willen toch niet verhuizen, daar zitten er wel duizend in ons bed. Ze bijten nog erger dan de luizen en springen in mijne nek.
Rik tak, rik tak, rik tak, ik lig niet op mijn gemak en ze geven maar knap op knap En ze waren nog zo gezond van te bijten aan mijn kont.
De eersten die mij kwamen te plagen, dat waren gasten uit de Kongo, Ze waren zwart gelijk ne moren, elke vlo woog ne kilo. Hunnen bek was fijn geslepen ging er door gelijk een snoer, Vrienden ge moogt het zeker weten, het is voorwaar een paardentoer.
Rik tak,…
Dan kwam er een oude weegaal, hij was voorzeker wel honderd jaar. Hij had ne gang lijk een oude peter ’t was ne Gentse moordenaar. Hij deed zijn ronde langs mijn ooren en hij danste daar ne wals, Dan begon hij straf te boren en te bijten in mijne hals.
Rik, tak…”
Deze tekst, en nog vele andere, heeft ze ooit voor me neergeschreven. Die liedjes bracht ze ook op de samenkomsten van de Leestse gepensioneerden. Soms liet ze haar hondjes kunstjes uitvoeren. Die konden op bevel gaan zitten en opstaan, een pootje geven en ook dansen en daar was ze fier op. Elke samenkomst werd besloten met een gemeenschappelijke maaltijd : ‘balletjes met pruimen’, uiteraard op grootmoederswijze…
Soms mocht ik bij mijn andere grootouders logeren in Blaasveld, in de woning die we thans betrekken. Dat was daar een drukke bedoening met de winkel en de bakkerij. Met mijn neven Jan en Eddy gingen we zwemmen in het openluchtbad van Willebroek op de Dr. Persoonslaan, later afgebroken en omgevormd tot postkantoor dat daar intussen ook al verdwenen is. Ik kon toen nog niet zwemmen maar dook wel al van de driemeter plank met een fietsband. Terug thuis werden we opgewacht door ‘Moemoe’ met een halve meter boterhammetjes, dik besmeerd met ‘goei boter’ en perenstroop. Die berg ‘bokes’ smolt als sneeuw voor de zon. Moemoe was een verwenner en vaak maakte zij voor ons ‘koekskes met boter’, dan liet ze petit beurs smelten in warme melk en daar een flinke klad van weer die ‘goei boter’ er overheen…
Op zaterdagavond gingen we naar de boerderij van Fikske Van de Vondel in de Bezelaarstraat waar je op primitieve houten banken voor vijf frank kon genieten van den Dikke en den Dunne en andere Charly Chaplins. Willebroek bezat in die tijd drie bioscopen : de Palace en de Rio in de Nieuwstraat en de Cinex in de A. Van Landeghemstraat, waar thans het Volkshuis is gevestigd. Met tante Janet en haar vriendin Philomene trokken we er te voet naartoe. Per vertoning werden er, naast het nieuws van Belgavox, twee films afgespeeld : een zogenaamde B-film en een hoofdfilm.
‘Vava’, mijn grootvader langs moederskant, heb ik vaak vergezeld op zijn bakkersronde. Hij reed met een Renault Dauphine die achteraan vol brood gestouwd was. Zij ronde startte in Blaasveld en liep over Heffen, Heindonk, Willebroek en Tisselt.
De ‘Mees’, zoals hij genoemd werd, was een aimabel man, attent, behulpzaam en een enorme werker. Hij was te Leest geboren in de Kleine Heide als zoon van een landbouwer die op zijn beurt een zoon was van een boswachter uit Steenhuffel die in dienst was van een graaf uit Londerzeel.
Vervolgt…
Foto’s : -De katholieke gepensioneerden van Leest in de jaren ’50. Links onderaan grootmoeder Florentien ‘Tien’ De Schoenmaecker. -“Bon” met haar hondjes. Links haar dochter Jeanne. Onderaan kleindochter Josée Tourné. -Mijn grootouders langs moederskant : Jan Baptist Mees en Sofie De Schoenmaeker. -Fikske Van de Vondel was gebeten door de filmmicrobe.
Een barbecue zoals we die nu kennen bestond nog niet. Met een kuil en daar wat bakstenen omheen kwamen we dicht in de buurt. Op het menu vooral haring. Eensgezind werd door de buurt ‘crème-glace’ en ook bloedpensen gemaakt. Iedereen droeg zijn of haar steentje bij en het artisanaal eindproduct was authentiek en buitengewoon lekker. Het toestel om ‘crème-glace’ te maken leek op een houten emmer met binnenin een metalen wand. In de emmer zat een koker met daarrond ijs. In de koker werd een mengsel van verschillende ingrediënten gedaan en deze koker werd met behulp van een hendel rondgedraaid tot de crème ‘ijskreem’ werd.
Toentertijd werden de varkens nog op de boerderij geslacht. Maandenlang was aan het mesten van de krulstaart de nodige zorg besteed en even lang was er reikhalzend uitgezien naar het ogenblik waarop hij zwaar genoeg werd bevonden om gekeeld te worden. Alles van het varken werd gebruikt. Met de ogen kon je knikkeren, de darmen werden gebruikt om worst van te maken, de hammen gedroogd en in de kelder opgehangen. Het vet dat vrij kwam tijdens het bakken van spek, werd bewaard om ander vlees te braden of om op de boterham te smeren, een pure cholesterolbom maar lekker en voedzaam. Voor de kinderen was het belangrijk om de varkensblaas te bemachtigen. Daarmee kon men voetballen, gaan zwemmen en ook rommelpotten fabriceren.
Als kind was ik altijd geboeid door het ritueel van koffie maken door mijn grootmoeder. Ze gebruikte daarvoor een oude vierkanten houten koffiemolen, zette die tussen haar knieën en draaien maar. De aroma’s die toen bovenkwamen, hemels…
Groenten werden gesteriliseerd en van aardbeien, pruimen en kersen werd confituur gemaakt. De potten werden afgedekt met een laagje parafine. Ook taarten werden meestal zelf gebakken en kroketten zelf gemaakt : puree met verse boter en eieren, dan door het ‘kroketmachien’, op maat snijden, vervolgens door het eiwit en de ‘chapelure’ en klaar was kees.
1955 was een turbulent jaar op politiek vlak. Niet enkel voor België, ook voor de gemeente Leest en ditmaal waren het niet de Sussen tegen de Blekken, maar katholieken eensgezind tegen socialisten en liberalen. Het jaar voordien had de socialistische minister Collard de hele onderwijspolitiek herzien en de tweede ‘Schoolstrijd’ was een feit. Leo Collard probeerde dat jaar de toename van de subsidies aan het vrije middelbaar-, technisch- en normaalonderwijs uit de vorige homogeen-katholieke regeerperiode terug te draaien, en bovendien de wedden rechtstreeks aan de leraren uit te betalen, hetgeen tot een hevige reactie van het vrij onderwijs in België leidde. Collard liet een groot aantal rijksscholen bouwen. De leerkrachten werden door hem verplicht in het bezit te zijn van een diploma zodat talrijke niet gediplomeerde priesters niet meer in aanmerking kwamen om les te geven. Het protest aan kerkelijke zijde tegen de wet-Collard was zeer hevig en er kwam zowel in het parlement als op de straat een hevige oppositie op gang. Gevolggevend aan de oproep van het ‘Comité voor Vrijheid en Democratie’ richtten de verschillende katholieke Leestse organisaties op 1 maart 1955 een eigen comité op. Die protestbeweging maakte er onmiddellijk werk van en op 20 maart trok er een proteststoet door het dorp met meer dan 250 deelnemers waaronder de leden van de twee fanfares, de Chiro, de Kwb… Er werd geronseld om deel te nemen aan de mars op Brussel en de betoging te Antwerpen. Op 24 maart moesten alle ouders hun kinderen thuishouden van school en nadat de toenmalige CVP-voorzitter Theo Lefévre een oproep had gedaan aan de katholieke ouders om hun spaargeld bij de ASLK weg te halen maande het Leestse comité de ouders aan om niet langer aan schoolsparen te doen. Wij, als kinderen, begrepen er niet veel van. De slogan ‘Collard buiten !’ is me altijd bijgebleven evenals de verbranding van een ‘Collardpop’ in het dorp na de terugkomst van een betoging. De voorzitter van het comité, Jan De Prins, werd verwelkomd als een held. Hij was door de ordediensten opgepakt en in de amigo gegooid. Andere helden waren Fons De Smet, Julien Piessens en Felix Polfliet die kennis hadden gemaakt met ‘de sabel en de matrak’ en Frans Van Neck die een hoef van een Rijkswachtpaard op zijn voet had gekregen… Ik herinner me nog de wapperende zwarte vlag uit de galmgaten van de kerk, de vele plakbrieven en de slogans die op de openbare weg gekalkt waren…
In 1955 werd in Leest een ‘Korps voor Burgerlijke Bescherming’ (Ook ‘Passieve Luchtbescherming’ genoemd, de latere ‘Civiele Bescherming) opgericht. Aan de basis van de oprichting in België lag het bombardement van de burger bevolking in het Spaanse Guernica, in ’37 nog door Picasso vereeuwigd. Ik zie die mannen nog, onder leiding van hun overste Frans Neutiens, het gemeentehuis beklimmen met touwen. Alle kinderen van het Dorp keken met open mond toe.
Datzelfde jaar was er ook veel commotie in het dorp toen de secretaris beschoten werd, gelukkig zonder erg. Er volgde een reconstructie die heel wat volk lokte.
Wanneer ik de ‘Kronieken van Leest’ uit die periode er op nalees dan valt het op hoeveel landlopers er toen in het dorp rondliepen. Ze werden door mijn vader, vaak op eigen verzoek, overgedragen aan de Rijksweldadigheidskolonie van Wortel waar ze de winter op een behaaglijke manier konden doorkomen.
Vervolgt…
Foto’s : -De socialistische minister van onderwijs Leo Collard lag aan de basis van de tweede schoolstrijd. -De toenmalige voorzitter van de CVP Théo Lefèvre die later eerste minister zou worden. -Julien Piessens en Felix “Fé” Polfliet hadden kennis gemaakt met de sabel en de matrak van de rijkswacht. -De “Guernica” van Picasso.
Ik had het geluk dat mijn ouders graag op reis gingen. Een auto bezitten in het begin van de vijftiger jaren was geen evidentie. Mijn vader was echter, voor hij garde werd, automecanicien in een Mechelse garage en toen er zich een opportuniteit voordeed hapte hij toe en kon zo een Renault C4 uit 1946 op de kop tikken.
Een trip naar de Belgische kust of de Ardennen was toen nog een heus avontuur maar dat autootje bracht ons, soms met onverwachte averij, naar in die tijd exotische bestemmingen als Luxemburg, Duitsland, Zwitserland en de Spaanse grens, dit na een bezoek aan Lourdes. Nederland werd verschillende keren per jaar aangedaan. Boter, kaas, koffie, jenever en sigaretten waren daar veel goedkoper en die producten werden van Breda naar Leest gesmokkeld…
In Terneuzen gingen we krabben vangen. Een stok, een touw en een reep paardenvlees, meer hadden we niet nodig om die beestjes van tussen de golfbrekers te vissen. Ook de Efteling in Kaatsheuvel werd verschillende keren bezocht. Intussen is dat park uitgegroeid tot een themapark van wereldformaat met vele spectaculaire attracties maar toen was er enkel het Sprookjesbos, de authentieke draaimolens en schommels op het Anton Pieckplein en ‘Holle Bolle Gijs’ wiens kreet ‘Papierrr Hierrr’ zeer snel overal weerklank zou vinden.
Met de school gingen we ook op reis. Die schoolreizen waren meestal educatief van opzet. In Dinant bezochten we met onze klas ooit de Citadel en het historisch- en wapenmuseum.
De samenhorigheid onder de mensen was in die tijd ook groter dan nu. Samen reizen met de buren gebeurde frequent. In 1955 bezochten verschillende families uit het Dorp samen de Bloemencorso van Zundert (NL) en in ’58 de Wereldtentoonstelling in Brussel. Op die Expo heb ik toen voor het eerst in mijn leven en in levende lijve een zwarte medemens gezien. Ik was tien. Later, toen mijn vader me meenam naar de thuiswedstrijden van Racing Mechelen, keek ik vol ontzag naar ‘Zwette Jef’ met zijn borstbollen tegen de hoest. De man kreeg geregeld spotternijen naar zijn hoofd die hij steeds met een guitige glimlach beantwoordde.
Ook de moeders van de Scheerstraat trokken er samen en met hun kroost op uit. Met de fiets naar het Rijksdomein Hofstade of naar de fameuze speeltuin ‘De Koekoek’ in Aartselaar. Een speeltuin waar we op een gesloten circuit ongestoord tegen elkaar konden racen met go-carts en waar we voor het eerst kennis maakten met de loop- of draaitonnen en de ‘Vliegende Hollander’.
Mijn vader heeft zich als ‘garde’ nooit moeten doodwerken maar gerust was hij nooit. Zelfs niet als hij een dagje verlof had genomen, er kon altijd iets gebeuren en hij was de enige politieman op het dorp. Om die reden bouwde hij zich, begin jaren ’60, een kleine chalet in Westende, op een gloednieuw aangelegde camping. Er stonden amper 16 huisjes op de grote wei van de familie Soetaert toen het zijne klaar was en dat werd chalet 17. Zijn vriend en collega uit Heffen, Staaf Mampaey, kreeg niet toevallig chalet 18 toegewezen. Later opteerden de uitbaters van camping Westende voor de opstelling van stacaravans en zouden de meeste chalets afgebroken worden. In het kielzog van de twee gardes volgden vele streekgenoten waaronder de Leestse families Verschuren, Apers, Huybrechts, Van der Auwera, Ceuppens-Tourné, De Keersmaecker-Colpin, De Borger en nog vele anderen zoals de familie van eeuweling Stanne Van den Broeck. Deze laatste werd daar in de jaren ‘80 op onvergetelijke wijze gevierd als ‘oudste kampeerder van België’. Men sprak toen niet ten onrechte van Klein-Leest als men het over camping Westende had. Vaak zochten de Leestenaars elkaar op voor gezamenlijke activiteiten. Zo was ‘teppeschieten’, ook ‘flotschieten’ of ‘solschieten’ toen het meest in trek, dit zowel bij de mannen, de vrouwen als de kinderen. In dat spel plaatste iedere deelnemer een geldstuk van 1 frank op een wijnkurk (de ‘tep’) en de bedoeling was om met de sol (een koperen ronde schijf) de ‘tep’ om te gooien en de munten zo dicht mogelijk bij zijn eigen sol te krijgen.
Vervolgt…
Foto’s : -Met dit autootje doorkruisten we een flink stuk van Europa. -Idem met moeder en op de wagen met neef Eddy Meiremans. -Op de top van de Tourmalet met van l. naar r. : mijn ouders, ikzelf, neef Eddy Van Hoof, zijn ouders Elodie Selleslagh en Louis Van Hoof en achteraan Melanie Selleslagh en Edmond Polspoel. -Met de buren naar Zundert. Bovenaan van l. naar r. : Paula Solie, Victor Van Hoof, Frans Geerts, Maria Mees, Louis Van Hoof, Elodie Selleslagh. Midden : de baby Rudi Van Hoof en Maria Busschot. Onder : Clara Van Beveren, Yvonne Van Hoof, Greta Geerts, Eddy Van Hoof, Marcel Van Hoof en Celine Van Beveren. -Bezoek aan Lourdes. Links mijn moeder met mijn zus en broer. -Met de buren naar de Expo van 1958 in Brussel. Van links naar rechts : mijn vader die raak schoot, Clara Van Beveren, Yvonne, Maria Busschot en Celine Van Beveren. Onderaan mijn broertje. -Camping Westende begin jaren ’60. Eén van de eerste ansichtkaarten van deze camping. Rechts voor zijn chalet staat de garde van Leest met enkele familieleden. Het chaletje links ervan hoorde toe aan zijn collega uit Heffen. De meeste vakantiehuisjes op de foto zijn thans verdwenen en vervangen door luxueuze stacaravans die elke vrije meter van het kampeerterrein hebben ingenomen. -‘Flot- of Solschieten’ was erg in trek. Op de foto waagt Vic Verschuren een poging naar de kurk. Enkele Leestenaars kijken toe.