Volgens Modest Van Steenwinkel bestond de “Kompagnie van Scherpenheuvel” uit een groepje mensen dat jaarlijks, in naam van gans de parochie, te voet op bedevaart ging. Ze hadden geen ledenlijsten en wie een paar maal meeging werd vanzelf als lid beschouwd. De meeste Leestenaren gingen al eens mee en sommigen hielden het jaren vol. Elk jaar werd een omhaling gehouden om de algemene onkosten van de bedevaart te dekken. De rest van het geld werd besteed aan enkele missen voor de overledenen en de zieken van de parochie. Ook werd er jaarlijks een grote mooie kaars geofferd “die hield dan gans het jaar wacht : als stille getuige van onze liefde, bij het beeld der Lieve Vrouwe want O.L.Vrouw van Scherpenheuvel draagt de kenspreuk : ik bemin die mij bemint !”
De kompagnie was ook vertegenwoordigd in de Leestse processies, daarvoor werd in 1953 nog een prachtig houten Mariabeeldje aangekocht, 30 cm hoog en met de hand uitgesneden. Het droeg een brocaat zijden kleed en mantel, een massief zilveren kroontje en scepter, en een gouden ketting en kruisje, dat laatste was een gift van één van de leden. Louis De Hondt vervaardigde er een speciale draagbaar voor. Traditiegetrouw werd de bedevaart gehouden acht dagen voor Sinksen. Men vertrok om 4 uur ’s morgens aan de St-Annakapel. De meeste bedevaarders hadden in de parochiekerk dan al een mis bijgewoond. Een eerste maal werd halt gehouden te Bonheiden (aan de Sint Annakapel aldaar) waar de eigenlijke processie gevormd werd en vanwaar ook regelmatig de rozenkrans gebeden werd. Onderweg werd gebeden voor de zieken en de overledenen van de parochie, ook voor de geestelijkheid, voor de soldaten, voor de jeugd en voor allen die om een gebed hadden gevraagd. Aan elke kapel die ze tegenkwamen werd even een halte gemaakt. Rond acht uur bereikte men Keerbergen alwaar koffie werd gedronken. Volgde een kort oponthoud te Tremelo, te Betekom en te Aarschot waar rond 12 uur gemiddagmaald werd. Dan Rillaar en eindelijk op die lange heuvelachtige baan zien ze de toren van Scherpenheuvel waar ze rond 16 uur toekomen. Daar werden de pelgrims processiegewijs opgehaald door de geestelijkheid van de basiliek. Godsdienstige oefeningen volgden : lof, beeweg in de kerk, rozenkransweg, kruisweg en als dat alles achter de rug was konden de vermoeide bedevaarders zich rond 18 uur gaan verfrissen in hun logement. Jarenlang waren “In de Lindeboom” en “In ’t Wit Huis” de vaste logementsplaatsen, soms kwam daar “De Sleutel” nog bij.
Na een deugddoende nachtrust stonden de bedevaarders op, woonden rond 4 uur een mis bij aan een zij-altaar van de basiliek en de lange terugtocht kon worden aangevat. Terwijl er bij de heenreis voortdurend de rozenkrans werd gebeden, werd er nu als eens meer gezongen onderweg. Ontbijt te Aarschot, middagmaal te Keerbergen, met meestal een bord soep (heel vaak van asperges) of een glas bier naar keuze, op kosten van de kompagnie. Te Bonheiden werd de kompagnie traditiegetrouw bijna altijd met een regenbui bedacht. Ondertussen waren reeds heel wat familieleden van de bedevaarders en dikwijls ook de Chiro de kompagnie tegemoet gekomen. Rond 17 uur kwam gewoonlijk de Sint Annakapel in zicht alwaar de bedevaarders werden opgewacht door pastoor en onderpastoor met een woord van dank en proficiat aan al de tochtgenoten. In de parochiekerk werd de zegen gegeven met het H. Sacrament en tot slot een danklied aan Maria gezongen.
Zo’n bedevaart was vroeger jaren een heel avontuur. Zo moest er in Keerbergen, bij gebrek aan een weg, een uur lang door het mulle zand gemarcheerd worden en bij warm weer kon men zich alleen beschutten door zoveel mogelijk de schaduw op te zoeken van plaatselijke dennenbomen, want de huizen waren zeer schaars. Het is ook gebeurd dat iemand met stukgelopen voeten op stokken moest meegesjouwd worden, niet te vergeten dat elke bedevaarder ook zijn eigen ransel op de rug moest meedragen. Na de eerste wereldoorlog werden de bedevaarders gevolgd door paard en kar. Dit gespan voerde dan al de bagage mee. “Fons van Stienes” was het die de eerste jaren voor het vervoer instond, uit dankbaarheid omdat hij tijdens de Duitse bezetting zijn paard mocht behouden. Na Fons werd Frans Piessens (“den Blokmaker”) bereid gevonden. Wegens het immer stijgende aantal bedevaarders volstond een gewone kar niet meer voor de talrijke pakken. De familie Van der Hasselt (Ferdinand en Frans) stelde zich graag met een “landbouwcamion” ter beschikking. Meestal werd die voortgetrokken door de paarden van Victor Verschueren en Sus Van den Brande. Later begeleidde “Louis van Jonker” (Louis De Hondt) de bedevaarders met zijn “automobiel”.
Vervolgt.
Foto’s : -De Broederschap van Onze Lieve Vrouw van Scherpenheuvel Leest. -De Kompagnie was ook vertegenwoordigd in de processies. Hier herkennen we Albrecht en Isabella achter hun vlag in de Molenstraat. -Het houten Mariabeeld uit 1953. -De Sint-Annakapel te Leest, de traditionele vertrekplaats. -De St-Annakapel te Bonheiden waar een eerste maal halt gehouden werd.
1843 – Bedevaart Scherpenheuvel Vanaf 1843 staat in de boeken te Scherpenheuvel voor de eerste maal een bedevaart van Leest vermeld. (J.D.D. – DB – 1954) In “De Band” van juli 1959 schreef Jan De Decker dat men “beweerde” dat de “Kompagnie van Scherpenheuvel” te Leest zou bestaan sinds 1743. Hij heeft daar nooit een bewijs van teruggevonden en wij tot dusver ook niet. In een brief van 11/5/1786 noemde pastoor De Heuck zichzelf de zorgdrager van het “een en eenighste Broederschap” in Leest, daarmee doelend op een ander, dat van “het Broederschap van het Allerheiligste”. Een bewijs van het bestaan van de Broederschap in de 19de eeuw vonden we op het doodsprentje van Judocus Van San (°Leest 30/9/1824, +Mechelen 17/1/1872) alwaar er sprake is van de organisatie van een derde lijkdienst op dinsdag 30 januari 1872 “wegens het Broederschap van O.L.V van Scherpenheuvel in de kerk der H. Joannes Baptist”. Er bestaan heel wat druksels van de Kompagnie van Scherpenheuvel die al sinds 1945 over een paarse vlag beschikte (zie foto hierna) die ze elke jaar meedroeg in de processies. Intrigerend genoeg staan op die vlag de klassieke afbeelding van de aartshertogen Albrecht en Isabella geknield bij de boom met het beeld en twee jaartallen : 1775 en 1945. Zou de Kompagnie of Broederschap dateren uit 1775 ?
Het bedevaartsoord SCHERPENHEUVEL
De geschiedenis van het bedevaartsoord Scherpenheuvel gaat terug tot de middeleeuwen. De Zichemse kapelaan Lodewijk van Velthem beschreef in zijn “Spieghel Historiael” in het jaar 1304 een wonderbaarlijke, in kruisvorm gegroeide eik, die zich op een heuveltop bevond in onbewoond gebied tussen Zichem en Diest en talrijke bedevaarders aantrok. Er werd een mariabeeld aan opgehangen en volgens de legende wou een herder in 1514 het gevallen beeld oprapen en mee naar huis nemen. Toen hij het in handen had, bleef hij als versteend staan en kon geen voet meer verzetten. De herder bleef maar weg en zijn bezorgde baas ging hem zoeken. Wanneer die de ongelukkige herder vond met het beeldje in zijn handen, hing hij dat terug in de eik. Vanaf dat moment kon de herder terug bewegen. Met de troebelen ten tijde van de Reformatie verdween dat beeldje op een onbekende manier rond het jaar 1580. Inwoners van Zichem merkten dat de bedevaarders bleven komen, ook al kon er geen beeld vereerd worden en om die reden hingen ze in 1587 een nieuw beeldje aan de eik, het huidige beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Scherpenheuvel. Vanaf het einde van de 16de begin 17de eeuw werd Scherpenheuvel uitgebouwd tot een prestigieus en tot over de landsgrenzen bekend heiligdom. De ontwikkeling van Scherpenheuvel stond helemaal in het teken van de strijd tussen katholieken en protestanten. Voor de katholieken was het heiligdom een teken van hoop en overwinning, het bewijs van het katholieke gelijk. Voor de prostestanten was Scherpenheuvel het bewijs van de katholieke dwaling. Beide partijen vochten deze strijd uit via vlugschriften en pamfletten. Als aalmoezeniers in het Spaanse leger begonnen de Zuid-Nederlandse Jezuïeten zich sterk in te zetten voor de ontwikkeling van de bedevaartplaats. Met hun soldatenbedevaarten naar Scherpenheuvel zorgden zij voor een grote bekendheid en bevorderden zij op hun manier de devotie tot O.L.Vrouw. Tijdens de vasten van 1604 liet een Zichemse pastoor een bescheiden houten kapelltje bouwen bij de eik. Het genadebeeld werd van de eik gehaald en in het kapelletje geplaatst. Toen, in opdracht van de Mechelse aartsbisschop Hovius, de Antwerpse bisschop Miraeus een onderzoek voerde naar de wonderen die in Scherpenheuvel plaatsvonden, gaf deze laatste de opdracht om de eeuwenoude eik te kappen. De boom werd in drie stukken verdeeld en versneden in meer dan honderd mariabeeldjes die door de aartshertogen in heel Europa verspreid werden. Deze beeldjes droegen snel de devotie tot O.L.Vrouw van Scherpenheuvel uit, en worden tot op vandaag op verschillende plaatsen nog steeds vereerd. Ondanks herhaalde aanvallen van protestantse bendes bleef de toeloop in Scherpenheuvel groeien. Verschillende wonderen maakten dat deze plaats steeds verder bekend raakte. Wanneer de Spaanse troepen in 1603 in ’s Hertogenbosch konden standhouden tegen de troepen van de protestantse Maurits van Nassau, werd de overwinning toegeschreven aan O.L.Vrouw van Scherpenheuvel. De aartshertogen Albrecht en Isabella gingen als dank op bedevaart naar Scherpenheuvel en lieten er kostbare geschenken achter. Bovendien hadden zij opdracht gegeven om er een grotere stenen kapel te bouwen en dachten ze er aan om van Scherpenheuvel een nationaal heiligdom te maken. Na de val van Oostende in 1604 beslisten de aartshertogen om van Scherpenheuvel een zelfstandige stad te maken en er een grote kerk te bouwen en in 1607 begon architect Wenzel Cobergher met de voorbereidingen van de bouw van een nieuwe kerk waarvan de eerste steen in 1609 door de aartshertogen zelf gelegd werd. De kerk werd gebouwd in de typische contrareformatorische bouwstijl, de barok en zo werd Scherpenheuvel het katholieke antwoord op het protestantisme. In 1624 werd de congregatie van de Oratorianen van Philippus Neri opgericht. De Oratorianen moesten instaan voor het opvangen van de bedevaarders. Speciaal voor hen werd achter de nieuwe kerk een klooster gebouwd. Nadat er bijna twintig jaar aan gewerkt was, kon aartsbisschop Jacobus Boonen in 1627 de nieuwe koepelkerk inwijden (de kerk kreeg pas in 1922 officieel de titel van basiliek). Na de inwijding van de kerk kwam aartshertogin Isabella naar voren met de handen vol goud en juwelen die ze neergooide op de altaartrappen om te beduiden dat aardse goederen niet de hoogste waarden zijn in het leven. De mensen rondom haar volgden haar voorbeeld en deze gewoonte is jarenlang in gebruik gebleven. Ondertussen was ook de nieuwe stad verder uitgebouwd als een (symbolisch) bolwerk met stadsmuren en -grachten. Het geheel van stad en kerk werd gebouwd in de vorm van een zevenhoek en overal werden symbolen en emblematische boodschappen verwerkt die de overwinning van het katholicisme uitbeelden. De faam van Scherpenheuvel groeide gestaag en in de loop van de 17de eeuw bleven de bedevaarders uit binnen- en buitenland toestromen, waaronder talrijke vorstelijke en kerkelijke gezagsdragers. Het opzet van de aartshertogen en van de aartsbisschop was geslaagd. Van een onbewoonde plaats waar een mariabeeldje vereerd werd, groeide Scherpenheuvel uit tot een stad en een internationaal gekend en gerenommeerd heiligdom van Onze-Lieve-Vrouw. Tot op vandaag is Scherpenheuvel het drukst bezochte bedevaartsoord van België.
De Waterput
Vandaag nog steeds een veelbezochte toeristische attractie is de Waterput van Scherpenheuvel. De waterput, opgetrokken in rode baksteen, dateert van 1682 en was oorspronkelijk 62 meter diep. In het begin van de 19de eeuw was het metselwerk grotendeels ingestort en drong een herstelling zich op. Die was in 1819 afgerond en men moest niet meer naar Zichem om water te halen. Tot 1910 betaalde de bevolking voor het water dat al trappend in een wiel van 3 m diameter werd opgehaald. Voor water, dat men niet zelf putte, moest uiteraard meer betaald worden.
Het waterputgebouw is opgenomen in het beschermd landschap van de Onze-Lieve-Vrouwbasiliek en omgeving maar tegenwoordig wordt er geen water meer bovengehaald.
Vervolgt met “De Kompagnie van Scherpenheuvel” uit Leest.
Foto’s :
-De basiliek. -De oratoriaan Philippus Neri. -Het beeld uit 1587. -In 2011 kreeg het Mariabeeld van paus Benedictus XVI een Gouden Roos. Dat is één van de belangrijkste onderscheidingen binnen de katholieke kerk, die slechts uitzonderlijk wordt toegekend. Het is de eerste maal dat een Belgisch bedevaartsoord er een kreeg. -De waterput.
1819 – Cornelius MEULDERMANS werd veldwachter te Leest Hij was te Leest geboren op 2 februari 1778 en overleed er op 27 april 1839. Cornelius was een zoon van Guillielmus Muyldermans en Lucia Alewaters. Hij huwde te Heffen op 21/7/1817 met isabella Vranckx (Francqs). (‘Veldwachters te Leest’ Eddy Apers)
Een kepie, een kenteken, een uniform. Iedereen op de buiten kende de “garde” en de “garde” kende iedereen. Sommigen menen dat de kolfdragers uit de 16e eeuw de voorlopers waren van de sjampetters. De structuur van de landelijke politie werd vastgelegd in de wetgeving van einde 18e eeuw. Het decreet van 14 december 1789, met betrekking tot het oprichten van gemeenten, voorzag in artikel 50 dat één van de bevoegdheden van het gemeentegezag er moest in bestaan “de inwoners het voordeel verschaffen van een politie, met het oog op de netheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op straat, openbare plaatsen en in de openbare gebouwen.” Het ambt van veldwachter dateert van 1791 : “om de eigendommen te beschermen en de oogsten te bewaken, zouden veldwachters moeten aangesteld worden in de gemeenten die onder de rechtsmacht van de vrederechter en onder het toezicht van de gemeente-officieren staan.” Die maatregel was echter facultatief. Het decreet van 20 messidor 1803 legde aan de gemeenten de verplichting op veldwachters aan te stellen. Een besluit van 25 fructidor 1809 raadde de gemeenten aan de veldwachters te kiezen uit oudgedienden of oud-soldaten. Die richtlijnen volstonden echter niet om een perfecte organisatie van het veldwachterskorps te verzekeren. Daarom vaardigden ook de provinciale autoriteiten een aantal richtlijnen uit zoals het vaststellen van weg- en jachtovertredingen, het opzoeken van gevluchte militairen, enz. Later werd de veldwachter benoemd door de provinciegouverneur uit een lijst van twee kandidaten voorgedragen door de gemeenteraad (de burgemeester mocht een derde kandidaat aan de lijst toevoegen). De gouverneur mocht echter vrij een kandidaat benoemen en was op geen enkele manier gebonden aan de rangorde van de voordracht. Alhoewel de veldwachter door de gouverneur werd benoemd, was hij een gemeenschappelijk agent en maakte hij deel uit van het gemeentepersoneel, er werd alleen door beoogd hem zoveel mogelijk onafhankelijk te maken van het plaatselijk gezag. Alhoewel hoofdzakelijk benoemd om te waken over het behoud van eigendommen, oogsten en vruchten te velde, kreeg zijn ambt een drievoudige bevoegdheid : officier van de gerechtelijke politie maar met beperkte bevoegdheid, agent van de openbare macht en agent van de administratieve of gemeentelijke politie.
In 1840 telde ons land 3.257 veldwachters, in 1970 2.254. Na de samenvoeging van de gemeenten en het verder verdwijnen van het landelijk karakter in de dorpen daalde het aantal veldwachters gevoelig. (Driemaandelijks tijdschrift Gemeentekrediet van België, nr.105 – juli 1973. GVA-13/4/1978, 29/11/1982, 25/3/1990)
Op 1 april 1987 ging de laatste veldwachter van Leest met pensioen. Victor Van Hoof had er toen 35 jaar dienst opzitten.
1823 – 15 augustus : Philippus Jacobus VAN PUT(TE) ook VAN DE PUT pastoor benoemd. Philippus Jacobus Van Put(te) (Van de Put) volgde pastoor Vertongen op. Hij was te Kontich geboren op 17 juni 1775 onder het Oostenrijks bewind en werd priester gewijd te Mechelen onder de Fransen (20/12/1806). Een klein half jaar later werd hij onderpastoor in O.L.Vrouw o/d Dijle te Mechelen en dan in Putte (15/10/1808). Vanuit Boortmeerbeek waar hij pastoor was (sinds 15/8/1813), werd hij in Leest tot pastoor benoemd op 15 augustus 1823 onder het Nederlands bestuur. Zijn oude moeder kwam bij haar zoon wonen en stierf er als weduwe in 1826. Jacob Van Put doopte in Leest 406 kinderen van 15 augustus 1823 tot 26 september 1833. Hij huwde er 87 koppels van 8/1/1824 tot 12/8/1833 en schreef 225 begrafenissen in van 27 oktober 1823 tot 20 september 1833. Per jaar consacreerde hij (tussen 1829 en 1833) wisselend 3000 tot (in 1833) 3600 communies. Op één of twee personen na voldeed ieder er aan de paasplicht. Pastoor Van Put had geen onderpastoor. Hij bleef pastoor te Leest tot 1833 waarna hij werd opgevolgd door pastoor Gabriel Hermans. Philippus Jacobus Van Put overleed te Mechelen op 17 juli 1847. (MC-19/11/1882 en “De Sint-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans)
1826 – Martinus Josephus MOORTGAT werd de nieuwe koster van Leest Martinus werd te Steenhuffel geboren op 1 november 1807 en hij huwde te Leest op 23 augustus 1828 met Joanna Coeckelbergh. Op dat huwelijk was zijn voorganger Jan Frans Van Varenbergh getuige. Joanna Coeckelbergh was de dochter van de landbouwer Karel en van Anna Catharina Verbruggen. Het echtpaar kreeg 9 kinderen van wie er meer dan een jong stierf : -Gillis Louis, geboren 29 augustus 1829 werd schoolmeester te Leest en overleed toen hij 25 jaar was, op 3 maart 1854. -Pauline, geboren 6 december 1833. -Karel, geboren 5 januari 1835. -Gaspar August, geboren 30 maart 1837, stierf datzelfde jaar op 21 juni. -Clotilde, geboren 17 april 1838, stierf op 7 juni 1862. -Jan Baptist, geboren 19 augustus 1840. -Francisca Victoria, geboren 10 december 1842. -Euphemia Maria, geboren 15 oktober 1845. -Amelie, geboren 30 november 1848. Tien jaar (van 1826 tot 1836) was hij gratis orgelist geweest in de Leestse kerk. Dan, op 22 oktober 1836 en ter attentie van aartsbisschop Engelbertus Sterckx, schreef de kerkfabriek voor hem een ‘Getuygenis van goed gedrag en aanbeveling’ voor de ‘plaets van coster van Leest’. Dit omdat hij ‘nu reeds tien jaeren de plaets van coster gratis met den grootsten lof bediend heeft’. Daarop werd hij tot koster-orgelist benoemd voor 4 jaar op 24/8/1936. Tussen 1825 en 1862 was hij op zijn beurt tientallen keren huwelijksgetuige. Tot 1876 werd zijn benoeming negen keer verlengd. Maar enkele jaren later, in 1879 tijdens de schoolstrijd, werd hij door pastoor J.F. Vandercruysen ontslagen na meer dan een halve eeuw Leestse kerkdienst ! Dit omdat hij bleef lesgeven in de gemeenteschool. Wellicht uit ontgoocheling verliet hij Leest en overleed elders. Joanna Coeckelbergh overleed te Leest op 13 april 1876. (‘DB’,november 1985. ‘De Sint-Niklaasparochie in Leest’, W. Hellemans)
1827 – Dominicus Josephus DE KEERSMAECKER werd eerste assessor. Letterlijk betekent een assessor : bijzitter. Het was de benaming van verschillende functies in het openbaar bestuur. Vóór 1795 werd de plaatsvervanger van de Drost van Drenthe als voorzitter van de Etstoel assessor genoemd. In de periode 1814-1851 was de assessor vergelijkbaar met de huidige wethouder in een gemeentebestuur. Hij was te Oppuurs geboren op 14/2/1764 als zoon van Josephus Florentinus De Keersmaecker en Anna Catharina Van Grootven en huwde te Leest op 14/2/1792 met Maria Theresia Fierens (°Leest 5/12/1766, +Leest 4/2/1833). Dominicus Josephus De Keersmaecker overleed te Leest op 24/12/1840.
1835 – 20 mei : Huwelijk maalder Franciscus Van Breedam met zijn Leestse nicht Coleta Van Breedam. “…Franciscus Van Breedam (Noot : maalder van de Molen van Blaasveld) de nieuwe maalder, huwde te Leest op 20 mei 1835, Coleta Van Breedam, geboren te Leest op 27 april 1806, dochter van Petrus Frans en van Anna Van Doorselaer. Zij waren dus gebroeders kinderen. Franciscus, voormeld, op bezoek bij zijnen oom Petrus Frans Van Breedam, maalder, op Steine Molen te Leest, vroeg men hem wanneer hij ging trouwen. ‘Dit kind daar in de wieg, Coleta, mijne eigene nicht, zal mijne echtgenote worden’, was zijn antwoord en inderdaad hij huwde er mede in 1835. Trouwen gelijk de maalder is nu nog in den volksmond gekend en verteld te Blaesvelt. De echtelieden Van Breedam-Van Breedam hadden volgende kinderen, allen te Blaesvelt ter wereld gekomen : A.-Anna Antonia, °3/3/1836, +Mechelen 14/9/1917. Huwde Carolus Andreas Josephus Boonaerts, dokter te Thisselt (°Tisselt 12/6/1827, +Blaasveld 4/8/1899). Anna Antonia, door typhus aangetast en stervende nabij, werd met ware toewijding bijgestaan door dokter Boonaerts. Na de genezing zijner dochter kwam haar vader dokter Boonaerts voldoen en hem zijnen dank uitdrukken erbij voegend, niet te weten hoe zijne erkentenis te betuigen. Geef mij uwe dochter, het is mijn vurigsten wensch, antwoordde de geneesheer en korte maanden daarna werd het huwelijk voltrokken.
B.-Joannes Domenicus, °23/9/1837, +Blaasveld 10/6/1919. Bleef ongehuwd.
C.-Ludovicus, °28/11/1839, +Mechelen 8/9/1910. Huwde op 5/4/1875 Maria T.H. Proost.
D.-Anna Rosalia, °28/2/1841, +Blaasveld 10/2/1860. Bleef ongehuwd.
E.-Maria Van Breedam, °6/8/1843, overleed te Blaasveld, bleef ongehuwd.
F.-Livinus, °14/2/1845, +Blaasveld 16/4/1931. Bleef ongehuwd. Hij en zijn broeder Dominicus waren de laatste maalders geweest van Blaesvelt.” (‘De Molen van Blaasvelt’ GvM 19/9/1936)
1836 – In 1836 werd Carolus Wouters burgemeester. Hij zou dit 22 jaar blijven (tot 1858). Carolus Wouters werd op 25 april 1797 te Hombeek geboren als zoon van Louis Wouters (afkomstig uit Eppegem) en van Anne Marie Jacobs (uit Hombeek). Hij trouwde te Leest op 7/1/1824 met Anna Catharina Huysmans (°Tisselt 3/8/1790, +Leest 1/11/1869), die weduwe was gebleven van Jan Frans Steenmans (+1820). Ze woonde op het Hof ter Halen. Carolus verbleef op die hoeve tot aan zijn dood op 21 juni 1858. Zijn oudste dochter Marie Louise (zie foto onderaan) huwde een tweede maal met Mattheus Buelens die in 1865 burgemeester werd. Een andere dochter, Marie Virginie huwde met Frans Voet en die volgde zijn schoonvader op als pachter op het Hof ter Haelen. Na de dood van Frans Voet (1877) hertrouwde Marie Virginie met Jaak Bernaerts, die achteraf burgemeester werd te Leest. De gemeenteraad bestond uit de schepenen Jean B. Scheers en J.Fr. De Keersmaecker en de raadsleden M.J. Moortgat, Charles Coeckelbergh, Dominique Busschot, Guillaume Sellslagh, P.J. Verhoeven en Jean Baptiste Dierckx. In 1840 werd Englebert Verschueren als raadslid geïnstalleerd en hetzelfde overkwam Jacques Steenmans in 1843. Carolus Wouters overleed te Leest op 21 juni 1858 en werd als burgemeester opgevolgd door Louis Voet.
1839 – Adrianus De Wit werd de opvolger van veldwachter Meuldermans. Adrien De Wit was te Leest geboren Leest op 21 april 1807 als zoon van Jacobus (°6/10/1747, +23/8/1813) en van Maria Cnops (°Hombeek 1770). Gehuwd een eerste maal te Mechelen in de O.L.Vrouwkerk op 11 mei 1836 met Coleta Verbruggen (°Leest 5/5/1808, +1854), een tweede maal op 12/12/1855 met Maria Theresia Van der Poel (°1825). Hij had vier kinderen met zijn eerste vrouw Coleta Verbruggen : Clara Virginie (1831), Jan (1840), Hendrik (1843) en Desiré (1849). Adrianus De Wit overleed te Leest op 2 maart 1878. Zijn sabel, in het bezit van Kamiel De Wit, lag ooit tentoongesteld op een tweede paasdag in het parochiehuis.
Ten jare duizend acht honderd achtenzeventig den tweeden maart ten vier ure namiddag, verscheen voor ons Joannes Victor Scheers, schepen gedelegeerden Ambtenaar van den Burgerlijke Stand der gemeente Leest, Arrondissement Mechelen, provincie Antwerpen ten gemeentehuize alhier Joannes Baptista De Wit, landbouwer, oud zevenendertig jaren en Joannes Baptista Bauwens, veldwachter, oud drijenveertig jaren, de eerste zoon en de tweede vriend van den overledenen en beiden gehuisvest te Leest, dewelke ons hebben verklaard dat heden om elf ure voormiddag, ten zijnen woonhuise, Thisseltbaan, wijk A numero 113, is overleden Adrianus DE WIT, gepensioneerde veldwachter, gehuisvest te Leest, daar geboren den eenentwintigsten april achttienhonderdzeven, weduwnaar in eerste huwelijk van Coleta VERBRUGGEN, echtgenoot van Maria Theresia VAN DER POEL, huishoudster te Leest wonende, wettigen zoon van Jacobus De Wit en van Maria Cnops beiden alhier overleden.
Bijgevoegd : -Handtekeningen van respectievelijk veldwachter Cornelius Meuldermans, assessor Dominicus J. De Keersmaecker, burgemeester Carolus Wouters en veldwachter Adrianus De Wit. -Op de foto : Marie Louise Wouters, dochter van burgemeester Carolus Wouters en echtgenote van de latere burgemeester Mattheus Buelens.
1818 – Pieter Jan de Meester werd burgemeester van Leest tot 1836. Daarna nam hij dat ambt waar te Hombeek van 1836 tot 1847. Pieter Jan (Petrus Joannes) de Meester was te Mechelen geboren op 4/11/1790 als zoon van Gaspar-Antoine de Meester, die advokaat was bij de Grote Raad van Mechelen en onder de Franse bezetting voorzitter van het noordelijk kanton van Mechelen, en van Jeanne Francoise Judoca du Trieu. De familie de Meester was o.a. eigenaar van het Hof ter Halen en van het Expoel kasteel te Hombeek. In 1824 huwde Pieter Jan de Meester met zijn nicht Catherine Geelhand de Merxem (°20/2/1798, +1866), die hem drie kinderen zou schenken : -Leopold (1825-1885), -Melanie (1826-1842) en -Althanase (°Antwerpen 1829-1884).
Leopold huwde met Anna De Coussemaecker en woonde eerst in Leest. Hij kocht daarna het kasteel van Ramsdonk waar hij bleef wonen. Leopold zou later burgemeester van Leest worden. Hij was een begaafd plantkundige die o.a. de aangelegde Franse tuin van het Expoel domein omtoverde tot een Engels park met onnoemlijk veel boomsoorten, golvende terreinen, vijvers en kronkelende weggetjes. Leopold zorgde ook voor de oprichting van de gemeenteschool in Ramsdonk.
Athanase de Meester huwde in 1855 te Antwerpen met Eudolie de Terwagne (1831-1873). Hij was senator en verbleef tijdens de zomermaanden met zijn vrouw en zes kinderen op Expoel. Tijdens de schoolstrijd zette hij zich in om de vrije school in de Bankstraat te Hombeek te lanceren, hij sponsorde de bouw en bracht de gezusters Lemesle van Antwerpen naar Hombeek als onderwijzeressen. Athanase was een verwoed jager en ook in het jachtseizoen was Expoel voor hem een gedroomde plaats. Rond de jaren 1880 hield hij op de domeinen in Leest en Hombeek regelmatig grote jachtpartijen. Daarbij werden dan zo’n 350 hazen en patrijzen buitgemaakt. Het kasteel was niet verwarmd. In de winter van 1873 deed hij er een longontsteking op en overleed.
Tijdens het burgemeesterschap van Pieter J. de Meester werd de gemeenteschool van Leest gebouwd. De gedenksteen werd bij de verbouwing van de school in 1937 naar het kasteel te Hombeek gebracht. Pieter Jan de Meester woonde te Hombeek en is er ook begraven. Achter het koor van de oude kerk van Hombeek liet hij een ruime familiekelder bouwen, op de plaats waar ook zijn ouders begraven lagen. Door uitbreiding van de parochiekerk in 1855 is deze kelder nu onder de linker dwarsbeuk komen te liggen, dus onder de kerkvloer.
Hij stierf schielijk in zijn koets, op een honderdtal meter van zijn kasteel, toen hij op 5 juni 1847 de werken ging inspecteren aan de baan Hombeek – Kapelle o/d Bos. (die weg werd op dat ogenblik rechtgetrokken) Op de plaats van zijn dood liet zijn echtgenote een kapel bouwen met de inscriptie : “Hier stierf 5 juni 1847 weled. H. Pieter de Meester, borgemeester van Hombeek. Bidt voor de ziele”. Het oude Mariabeeld in deze kapel werd in 1914 vernield. In 1918 werd de kapel gerestaureerd en het beeld vervangen door een Maria met kind Jezus.
Het wapenschild van de Meester : in sabel negen aaneengesloten bollen van goud. Als burgemeester van Leest werd hij in 1836 opgevolgd door Carolus Wouters. (Bronnen : “LG”, “DB” en ’t Ridderke nr. 3 van juli 2005)
Foto’s : -Kasteel Expoel. -Handtekening van Pieter Jan de Meester. -Wapenschild van de familie de Meester. -Het kapelletje dat de echtgenote van Pieter Jan voor haar man na zijn dood, op de plaats van zijn overlijden, liet bouwen.