1924 – 3 oktober : Pro Justitia aan gemeentehuis van Leest
In een vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg van Mechelen van 3 oktober 1924 werd Ivo De Schoenmaeker (°Heffen 25/12/1898) veroordeeld tot 600 fr boete of een gevangenisstraf van 2 maand wegens melkvervalsing. Het vonnis diende ook een maand aangeplakt te worden op verschillende locaties, o.a. ook aan het gemeentehuis van Leest. (GvM, 3/12/1924)
Op 21 november datzelfde jaar werd Emilia Antonia Van Remoortere uit O.L.Vrouw Waver door dezelfde rechtbank veroordeeld tot dezelfde straf wegens botervervalsing. Ook dit vonnis diende een maand uitgehangen te worden aan het gemeentehuis van Leest. (GvM, 8/12/1924)
1924 - Zaterdag 13 december : Moorddadig gevecht te Leest
“Zaterdag avond zaten verscheidene verbruikers in de herberg van De Decker op de Tisseltsche baan, zich te vermaken bij ’t vogelpikspel. Onder de bezoekers bevond zich zekere Alfons Blaedt, werkman, 38 jaar, te Leest wonende, een oorlogsinvalied en ook de gebroeders Edmond en Antoon Leemans. Er ontstond ruzie die in vechten ontaarde en het duurde niet lang of de twee gebroeders vielen tegelijk op Blaedt, dien zij zelfs met een velo op het hoofd sloegen. Dan lieten zij den jongen gaan, doch volgden hem op den voet tot hij aan zijne woning kwam welke hij binnen trad. De twee baldadigaards beproefden zelfs de deur in te stampen en toen Blaedt terug buiten durfde te komen, sloegen zij hem zoo nijdig met een ledig pintglas op het hoofd, dat de ongelukkige nederzeeg en in zeer bedenkelijke, toestand werd opgenomen. Het parket is op de hoogte van de zaak gesteld.” (GvM, 16/12/1924)
1925 – Wetgevende Kiezingen Kamer van Volksvertegenwoordigers
“Candidaten der Grondwettelijke Katholieke Kiesvereeniging van het Arrondissement Mechelen”. Op de tweede plaats van de “Bijgevogede candidaten” stond Victor DE LAET uit Leest, “vertegenwoordigende de landbouwers”. (GvM, 14/3/1925)
1925 – Leden van de Eucharistische Kruistocht en hun verplichtingen
In “De Band van september 1957 publiceerde Jan De Decker een lijst uit 1925 in oud schrift met de namen en handtekeningen van onderstaande jongens en meisjes, leden van de E.K. :
Groep A (tot 14 jaar) :
Jaak De Laet, Emiel Coeckelbergh, Huysmans Constant, Huysmans Julius, Selleslagh Jozef, Van Steenwinckel Mod., Verschueren Cyriel, Piessens Leopold, Teughels Louis, De Smedt Albert, Ceuppens Karel, Leemans Marcel, Rheinhard Herman, Robijna Albert, Boonen Julius, Daelemans Frans, Solie Jozef, Verbruggen Frans, Absillis Karel, Van der Elst Leonie, Van Praet Angela, Rheinhard Paulina, Teughels Julia, Emmeregs Cecilia, Rheinhard Helena, Lamberts Pelagia, De Maeyer Josephina, Spruyt Louise, De Hondt Paulina, Robijns Maria, Van den Heuvel Emerentia, Briat Anna, De Hondt Emmerencia, Van der Elst Roza, Rheinhard Elisabeth, De Prins Victorine, Sijmons Josephina, Lamberts Leontine, Apers Ida, Boonen Victoria, Rottiers Sophia, Van den Heuvel Virginie, De Win Juliana, De Bondt Melanie, Van Roey Mathilde, D’Hoogh Stephanie, Fieren Josephina, Goovaerts Alida.
Groep B (ouder dan 14) :
Robijns Paulina, Maria Rheinard, Emma Dumon, Geerts Louisa, De Laet Pelagie, De Prins Maria, Van Praet Melanie, De Wit Melania, Verbeeck Leontine, Fierens Leonie, Van den Brande Stephania, Scheers Bertha, Somers Louise, Rheinhard Gerarda, Rheinhard Jozefina, Rheinhard Anna, Verbeeck Celine, Van Roey Florence, Brugghemans Clementine, Pepermans Rosalie, Van Praet Angela.
Zij plaatsten hun handtekening onder volgende verplichtingen :
Groep A :
1.Ten minste op zondag en donderdag van elke week godsvruchtig communiceren.
2.Ten minste driemaal in de week de H. Mis bij te wonen.
3.’s Zondags naar het Lof te gaan.
4.De dagelijkse opdracht te doen van den dag.
5.De gelegenheden van zonde te vluchten.
6.De maandelijkse vergadering bij te wonen.
Groep B :
1.De wekelijkse H. Communie, bij voorkeur ’s zondags.
2.De dagelijkse opdracht van de dag.
3. Op zondat het Lof bij te wonen.
4.De maandelijkse vergadering bij te wonen.
5.De gelegenheden van zonde te ontvluchten :
a)dansgelegenheden en twijfelachtige cinema’s. b) onzedige kleding : het bovenkleed moet opgaan tot aan de hals ; het bovenkleed moet –voor meisjes tot 10 jaar de knieën bedekken en voorzien zijn van mouwen tot aan de elleboog; voor meisjes boven de 10 jaar, tot goed beneden de knieën hangen, wijd genoeg zijn en voorzien zijn van lange mouwen uit niet-doorschijnende stof ; halve kousen worden enkel toegelaten voor meisjes tot 10 jaar ; boven de 10 jaar moeten de meisjes lange niet-doorschijnende kousen dragen. De jongens zullen gekleed gaan in een aan den hals gesloten kostuum, kousen dragen en de bovenbenen tot aan de knieën bedekt houden.
1925 – Eerste uitgave van de DIALECT-ATLAS van Klein-Brabant
Dat jaar verscheen het eerste deel van een ‘Reeks Nederlandse Dialectatlassen’ of RND. Een serie van zestien atlassen over dialecten binnen het Nederlands taalgebied dat zich uitstrekte over Nederland, het noordelijk deel van België, een klein deel in het noordwesten van Frankrijk en Bentheim in Duitsland.
Dit eerste deel was samengesteld door Dr. Edgard Blancquart en bevatte vertalingen en 149 fonetische kaarten voor de Vlaamse regio Klein-Brabant, die wordt gevormd door de stedendriehoek Antwerpen, Brussel en Gent. De fonetisch transcripties werden gebaseerd op registraties vanaf 1921 van vertalingen van de betreffende 139 zinnen in dialecten van 59 plaatsen in deze regio. (Wikipedia)
In de tweede uitgave van de Sikkel uit 1950 (‘Dialect-Atlas van Klein-Brabant’) vonden we ook een bijdrage over Leest :
“De naam van deze gemeente in haar eigen dialect is : li:est. De inwoners heten : li:esteneirs. Een bijnaam is hun onbekend. Het aantal inwoners op 31-12-1920 was : 1.673. Taaltoestand. De voornaamste wijken zijn : tarp – li-sta – de kla-na – de gry-ta – de bi.st – de winkalstraat – de geuzan’uk – de ko-tar - (Noot : mijn toetsenbord kan niet alle tekens weergeven). De Leestenaars van de wijk De Bist spreken wat meer op zijn Kapelles ; die van de Alemstraat enigszins op zijn Tisselts ; al de anderen spreken gewoon Leests ; van Frans of zuiver Nederlands geen sprake. Te Leest zijn geen fabrieken : bijna iedereen houdt zich met landbouw bezig : 60 à 70 werklieden gaan dagelijks naar Mechelen : ongeveer een dozijn naar de fabrieken van Willebroek.
Zegslieden :
1.Selleslagh Victor, 27 jaar, geboren te Leest en aldaar onderwijzer ; V. van L. en M. van Kapelle-op-den-Bos : heeft altijd te L. verbleven, hoewel tijdelijk woonachtig aan den buitenrand van Hombeek ; spreekt buiten de klas het dialect van Leest-dorp.
2. Mevr. Selleslagh Ivo ; 36 jaar, geb. te L ; altijd te L. verbleven ; V. en M. van L. ; verbleef sedert korten tijd aan den buitenrand van Hombeek, maar spreekt steeds het dialect van Leest-dorp.”
1925 – 30 mei : Jan Theodoor HUYBRECHTS benoemd tot veldwachter
Voor de vervanging van Isidoor Constant Van Hoof werden er te Leest van de elf twee kandidaten veldwachters weerhouden : Jan Theodoor Huybrechts en Antoon Eduard Van den Brande. Eerstgenoemde zou het pleit winnen. De burgemeester gaf op 19 maart volgende inlichtingen over de toekomstige veldwachter aan de Procureur des Konings : “Dezen jongeling, geboren van werkliedenfamilie, trad in dienst bij landbouwer Spruyt waar hij werkzaam bleef tot zijn inlijving bij het leger. Na zijn dienstvolbrenging trad hij terug in dienst bij Spruyt tot het uitbreken van den oorlog, wanneer hij het leger vervoegde. Na den wapenstilstand keerde hij weder bij Spruyt. Hij is een zeer oppassend dienstknecht, werkzaam, geen dronkaard en kan als voorbeeld aan velen dienen. Hij is kalm van karakter, en zijn gedrag en zedelijkheid zijn zeer goed.”
Eduard Van den Brande, de tweede kandidaat, zou op 12 mei naar Kongo vertrekken om daar zijn geluk te beproeven.
Jan Theodoor Huybrechts was boerenknecht bij de familie Spruyt in de Winkelstraat, hij was wees en woonde bij de familie in. Later huwde hij de dochter van zijn baas en pleegvader, Serafien, die hem zelf ten huwelijk vroeg. Theodoor had zelf een aangenomen dochter (Maria Nuytkens), evenals hijzelf een wees. “Hij was te goed om iemand op te schrijven”, zouden de mensen later over hem zeggen. Op 30 mei zou Jan Theodoor Huybrechts benoemd worden mits een jaarwedde van 4.500 fr. (GR-18/6/1925) In 1954 werd hij opgevolgd door Victor Van Hoof.
“Haast regelmatig kwam de toenmalige veldwachter (Noot : Jan Theodoor Huybrechts) bij ons over de drempel. Wanneer hij binnenkwam langs de poort van het werkhuis betekende dat, dat het voor een officiële boodschap was. Het duurde enkele ogenblikken eer ons vader (Noot : Theodoor “Dore” Teughels van de herberg ‘De Rooselaer’ en de schrijnwerkerij) de machines had stilgelegd. Met een : “wat is er nu weer, garde ?” trok hij op de wachtende man in uniform af. Daarop nam de man van de wet een vel papier uit zijn zwartlederen brieventas en overhandigde dit aan ons vader. “Die snotneus ook al, ’t is nog haast een kind”, hoorde ik hem nog zeggen, maar aan zijn manier van doen kon ik opmaken dat mijn plotselinge vrees wel ongegrond was geweest. Samen trokken ze langs een andere deur bij ons de herberg in. “Schol sjampetter” zei ons vader tot de man die daar stond te duimen onder de revers van zijn jas, terwijl de overige vingers er bovenop tokkelden. Om te kunnen drinken nam de garde de eeuwig tussen de zware lippen hangende opgerookte sigaar, uit de mond en klopte ze af tegen de zool van zijn schoen. “Schol”, zei hij ook en dronk gretig van het schuimend nat. In één teug was het glas halfleeg. “Hier,” ging ons vader verder, “neem nog een sigaar”, terwijl hij de nog haast volle kist aanbood. “Dat moest ge toch niet doen, Dore,” zei de vent, terwijl hij echter gretig de hand in het houten bakje stak. Met de andere hand knoopte hij ondertussen de klep van zijn borstzaak los om daarin de zo kreukbare tabakstok op te bergen. Een kleine schudding met het kistje gaf hem te verstaan er nog één te nemen. “Dat moest ge toch allemaal niet doen, man, dat is toch veel te veel,” mompelde hij binnensmonds, terwijl hij de hand uitstak om een tweede te nemen. “Weet ge garde,” zei de baas, toen hij weer de kraan opendraaide om de pinten nog eens te vullen, “’t is dat ik U liever niet langs de poort zie komen. Het betekent nooit wat goeds, als ge langs daar komt. Met zulke bende jonge mannen en een auto kunt ge u aan van alles verwachten.” Een tijdje nadien viel de voordeur van de herberg dicht. Toen ons vader mij even later op een speciale manier dat papier overreikte, begreep ik dat beide mannen niet vruchteloos zo lang in het staminee gezeten hadden…” Frans Teughels ontving die dag via de garde zijn inschrijving op de militielijsten en de uitnodiging om naar de keuring te gaan. (“Naar de keuring”, De Band van augustus 1983)
Foto’s : -Ivo De Schoenmaeker. -Uit de “Dialact-Atlas van Klein-Brabant. -Veldwachter Jan Theodoor Huybrechts.
1924 – 26 januari – Belgisch Staatsblad : Erekruis der gedeporteerden
“Bij Koninklijk Besluit wordt het Erekruis der gedeporteerden toegekend aan hiernavermelde personen welke tijdens den oorlog 1914-18, wegens werkweigering in massa naar vijandelijk grondgebied werden weggevoerd of werden opgeëischt door den bezetter en ertoe gedwongen om buiten hunne haardsteden te gaan werken :PROVINCIE ANTWERPEN – Leest - Spruyt W., Van der Taelen P.” (GvA, 26/1)
1924 – 1 februari : Overlijden burgemeester Jaak BERNAERTS
Van beroep was hij landbouwer, alhoewel hij zichzelf ook wel betittelde als “eigenaar”. Jaak Bernaerts was gehuwd met Maria Virginie Wouters, een dochter van Carolus Wouters en weduwe van Frans Voet. Tot in 1894 woonden ze op het Hof ter Haelen, daarna bouwde burgemeester Bernaerts zich een huis aan de Sint-Jozefkapel.
“Sinds enkele dagen deed in onze gemeente de droeve mare de ronde dat onze geachte burgemeester Jaak Bernaerts ernstig ziek was. En alhoewel we best wisten dat de onpasselijkheid van zeer ernstigen aard was, was nochtans vrijdag voormiddag iedereen ten zeerste getroffen, toen alsdan de laatste HH. Sacramenten aan hem gebracht werden. Des avonds ten 9.30 ure heeft hij het tijdelijke met het eeuwige verwisseld. Dit afsterven was zeker niet voorzien. Op 14 januari ll. toen de teraardebestelling van onzen gemeente-ontvanger plaats had, heeft heer burgemeester Bernaerts nog de lijkrede uitgesproken. De heer Bernaerts was sinds 1886 burgemeester onzer gemeente en in 1911 is dan ook zijn 25-jarig burgemeesterschap met luister door gansch de gemeente gevierd en gefeest. Ook was hij sinds jaren provinciaal raadslid, voorzitter van de landbouwcommuce van Willebroek, voorzitter de Katholieke Vereeniging der beide kantons, Noord- en Zuid-Mechelen, enz. Gansch ten dienste staande zijner medeburgers, heeft hij vooral aan de Leestenaars, doch ook wel aan al de dorpelingen der omliggende gemeenten, zeer belangrijke diensten bewezen. Ook bij de hoogere overheden, zoo van het Provinciaal Bestuur, als andere, stond hij zeer in aanzien, en was er bekend als een bezadigd en verstandig man; ook werd er steeds zijn raad en ondervinding met veel liefde aangenomen en ingewonnen. De plechtige lijkdienst en de begrafenis zullen woensdag in onze parochiale kerk plaats hebben.” (GvA, 4/2)
Begrafenis
“De dag van woensdag was voor onze gemeente een ware, algemeene rouwdag. Van in de vroegte zag men alom de rouwvlaggen half top hangen en bleef de dorpskom stil en verlaten. Alle werk was blijkbaar stilgelegd, en deuren en vensters bleven gesloten. Rond 10.30 ure, kwam er beweging, doordat onze bevolking en tal van vreemdelingen en bewoners der naburige dorpen, langs steen- en veldwegen, aanstapten op weg naar het sterfhuis van heer Bernaerts, die 38 jaar het hoofd onzer gemeente is geweest. Weldra is daar eene dichte, stilzwijgende menigte samengeschaard, die nog immer talrijker wordt. Af en toe brengen auto’s nog steeds overheidspersonen aan. Enkele minuten voor elf ure, verschijnt er ook de geestelijkheid om het stoffelijk overblijfsel van onzen burgemeester af te halen en ter kerke te vergezellen. Bij het buitenbrengen der lijkkist, blazen de klaroenen der oud-soldaten, de veldmarsch en zet zich een zeer talrijke rouwstoet in beweging. Vooraan stappen de schoolkinderen, dan volgen De Landbouwgilde, de Oud-Soldaten, de fanfaren ‘Ste Cecilia’ en ‘Arbeid Adelt’, welke beurtelings rouwmarschen spelen. Het lijk wordt gedragen door de veldwachter van het district. De hoeken des baarskleeds worden gehouden door de heeren schepen Van Baelen, namens het Landbouwcomissie van Willebroeck; Ludovic Lefebvre, burgemeester van Blaesveldt; A. Nobels en A. de Cock de Rameyon, leden der Bestendige Deputatie. Zeer veel volk stapt achter de familie, aan wier hoofd wij ontwaren den Z.E.Heer Bernaerts, rustend pastoor, en broeder van den overledene. Tusschen de menigte, de heeren Karel Lefebvre, senator ; Van Isacker en De keersmaeker, volksvertegenwoordigers ; Dessain, burgemeester van Mechelen, verschillende provinciale raadsleden, leden van het hooger landbouwbestuur, enz. Bij de aankomst aan de parochiekerk, rond 11.30 ure, liep deze op enkele minuten zoo kroppens vol, dat men er zich niet kon draaien noch keeren. Hebben in het sterfhuis en bij de laatste rustplaats der overledenen dezen lof en goedheid in treffende lijkredenen uitgesproken : de heer Anatole de Cock de Rameyon , namens de Bestendige Deputatie en den Provincialen Raad van Antwerpen ; heer Van Baelen van Blaasveldt, namens het Landbouwcommice van Willebroek, verder namens het gemeentebestuur, de fanfare ‘Arbeid Adelt’ enz.
De heer Bernaerts, geboren te Leest den 5 oktober 1849 was aldaar overleden den 1 februari ll. na een leven vol arbeid en toewijding aan het algemeen welzijn zijner dorpsgenoten en medeburgers, steeds was hij bereid diensten te bewijzen hetzij als burgemeester, hetzij als provinciaal raadslid, hetzij als voorzitter van het Landbouwcommice van Willebroek. De betreurde overledene was Ridder der Leopoldorde, vereerd met de Burgerlijke medalie van 1e klas en drager der herinneringsmedalie van Leopold II en des verdienste der landbouwvereniging.” (GvA, 7/2)
In de gemeenteraadszitting van 23 februari bracht Eerste Schepen Theophiel Verschueren hulde aan de nagedachtenis van de overledene en “deed mededeeling dat de familie van wijlen Mr Bernaerts, ingevolge zijnen uitgedrukte wil, aan het gemeentebestuur overhandigde, ten voordele der gemeente, eenen Rentetitel der Belgische schuld van 1.000 franks nominale waarde, 3% 2e Reeks, nr.426026, met den coupon vervallende 1 mei 1924, zonder last voor de gemeente. Hij stelde voor des Raads dankbetuiging aan de familie te betuigen.”
In zijn testament liet Jaak Bernaerts ook 2.000 fr na voor de kerk van Leest “op last voor de kerk te doen celebreren 2 eeuwigdurende gezongen jaargetijden.”
1924 – 30 april : Jozef Maria Frans CLEEREN werd onderpastoor te Leest
Jozef Cleeren was te Hoeleden geboren op 23 mei 1888 en priester gewijd te Mechelen op 31/5/1914. In die stad werd hij op 8 mei 1914 leraar aan het Sint-Romboutscollege. Als onderpastoor te Leuven (Sint-Michielsparochie, 20/11/1914) kwam hij daar om zijn onverzettelijke Vlaamse overtuiging, in scherp conflict met Kardinaal Mercier.
In 1917 werd hij overgeplaats naar Dworp (taalgrens) waar hij “De Groote Vlaamsche Bond” stichtte. Na de grote, woelige Sporenviering te Halle werd hij overgeplaatst naar Kalmthout (30/6/1921) en op 30 april 1924 naar Leest. Hij doopte er 403 kinderen van 21/5/1924 tot 25/3/1936 en trouwde er 5 koppels van 13/8/1927 tot 11/8/1934. Mee onder zijn impuls ontstond, in 1925, de plaatselijke Davidsfondsafdeling.
Ooit kwam hij in aanvaring met hoofdonderwijzer J.B. De Leers die hij ooit sloeg in het bijzijn van de schoolkinderen. Heeft dit gebeuren meegespeeld in zijn verwijdering uit Leest ? Na Leest kwam hij in Boom terecht als pastoor van de nieuwe Sint-Catharinaparochie waar hij op 5 april 1936 benoemd werd. Op de huldiging van zijn aanstelling sprak o.a. ook pastoor Beuckelaers. Hij betreurde “het heengaan uit Leest van zijn goede onderpastoor en (wees) op het vruchtbare apostolaat van E.H. Cleeren.”
Op 1 juni 1953 ging hij op rust. Als erepastoor woonde hij eerst in zijn ouderlijk huis te Hoeleden maar overleed later in he priesterrusthuis “Emmaus” te Korbeek-Lo op 11 februari 1974. Hij werd wel begraven te Hoeleden (14/2/74).
Op zijn doodsprentje lezen we : “Buitengewoon fijnzinnig, was hij bekommend voor de anderen. Trouw aan zijn priesterideaal heeft hij zonder verpozen gewerkt aan de verheffing van zijn volk. Man uit een stuk trok hij bewust en onverschrokken rechtdoor naar het vooropgestelde doel.”
En in een krantenartkeltje naar aanleiding van zijn sterven : “Zijn rechtvaardigheidsgevoel dreef hem tot de verdediging van zijn achtergestelde, verarmde en destijds ook nog onderontwikkelde volk.
E.H. Cleeren was een koppige doorzetter die met hart en geest aan de Vlaamse strijd meedeed, steeds vol dienende eenvoud.” (“De Sint-Niklaasparochie in Leest”, W. Hellemans en “DB”, nr. 8 van 1956)
In 1956 schreef hij De Band vanuit Hoeleden : “...Bij mijn aankomst te Leest werden mij op de pastorij twee kamers toegewezen langs de hofkant. ’s Morgens, na een eerste rustige nacht, opende ik het venster van mijn slaapkamer wijd, maar smeet het met een zeer snelle onbewuste beweging weer toe, omdat mijn reukorgaan door een heel verdachte geur (?) werd geprikkeld, die voortkwam niet van de hoffelijke bloemen, maar veeleer van de liefelijke Zenne, waarvan de wateren door Brussel worden bezoedeld ! Meestal ging of fietste ondergetekende over Kouter, Bist, Geuzenhoek, Tisseltbaan en andere modder- en steenwegen, om terug te keren tot zijn paradijselijk lustoord langs Alem-, Blaasveld-, Koe-, Scheer-, Molenstraat en andere boulevaars. (...)
Vele herinneringen aan Leest zijn mij bijgebleven. Onder andere en eerst en vooral dat de mensen van Leest zulke brave, diepgelovige christenen zijn. Zelden heb ik zulke innige en geestdriftige samenwerking gekend tussen geestelijkheid en parochianen. Nergens ben ik zulke gewillige, vreugdige, opgeruimde, blijde mensen tegengekomen als te Leest. De Leestenaren hielden van een goede kermis, van een vettig teerfeest, van een pot (of meer) schuimend bier en van Onze Lieve Heer. Slechts alle zes jaren kwam er een kink in de kabel : in de tijd van de gemeenteverkiezingen ; dan was het geraadzaam niet te veel in de huizen te komen, want dan zoudt ge zo met een broodmes de argwaan en de achterdocht van de gezichten gekrabt hebben ; dan hadt ge nog alleen vriendschap van de zuigelingen en de kleuters. Gelukkig duurde die periode niet lang en het leven van elke dag ging dan weer gewoon verder : de mensen gingen ’s zondags naar de kerk. De Zenne liep op en af en verpestte de lucht of er niets gebeurd was, de boerenauto’s reden ’s dinsdags over de brug en terug en stopten hier en daar voor een herberg, om de motor van de nodige benzine te voorzien, de jonge pattatten werden gestoken en geleverd, de asperges gebusseld, de bloemkolen gesneden of ’s avonds zat heel de familie ronde de grote tafel om de spruitjes te kuisen...”
Foto’s : -Burgemeester Jaak Bernaerts. -Onderpastoor Cleeren.
1924 – 10 januari : Overlijden van Noldus Teughels.
Noldus Teughels was herbergier, 35 jaar lang gemeenteontvanger en schrijnwerker. Arnold Leopold ‘Noldus’ Teughels was te Leest geboren op 7 februari 1853. Hij woonde in “de Roselaer” op het Dorpsplein. Het werkhuis van zijn schrijnwerkerij stond achter het huis en was gebouwd op de kerkhofmuur. Later (1927) verbond zoon Theodoor de zaal, die bij het woonhuis behoorde, met het werkhuis en maakte er één grote ruimte van, die als schrijnwerkerij én als feestzaal moest dienst doen. Die zaal diende trouwens voor alles, zelfs voor politieke meetings. Daags voor een teerfeest of toneel werd de scène boven de machines opgebouwd, de tafels gingen langs de kant (daar konden de kinderen op staan) en de feestzaal was beschikbaar. Om gemakkelijker te kunnen manoeuvreren met het hout dat door de zaagmachine moest, had men een gat in de kerkhofmuur gemaakt : de langste planken kwamen tot op het kerkhof. Het gat is nog te zien in de muur.
Trien Beullens volgde haar man op als gemeenteontvanger : “ingezien de lange jaren trouwen dienst van wijlen heer Teughels, besloot de Raad van de wedde aan zijne weduwe te bepalen op de som door wijlen haren man als dusdanig genoten, hetzij a rato van fr. 3.400 s’jaars.”(GA-12/1/1924)
In de nacht van 2 op 3 januari 1909 had de familie Teughels met een inbraak te maken. Gazet van Mechelen daarover : “…het was kwart over 2 ure als zij (noot : de dieven) bij Arnold Teughels aanlandden. Hier waren ze volop aan hun werk binnen het huis, als vrouw Teughels, door een gerucht gewekt werd en dadelijk een luchtgat opende in den planken vloer der slaapkamer, dat uitgaf in de herberg en waardoor zij alles kon zien wat er beneden plaatsgreep. Zij zag drij personen met licht weg en weer lopen en fluisterend tot elkander spreken. De vrouw wist genoeg. Opeens riep zij door het luchtgat naar beneden : “Hé, schiet maar ! Schiet maar !” Juist alsof zij dit tegen haren man riep. Eén der bandieten blies in haast het licht uit, en heel de ploeg verdween langs het venster. Ze hadden in haast hunnen buit vergeten..”
De plechtige lijkdienst, gevolgd van de begrafenis, vond plaats in de parochiale kerk van Leest op maandag 14 januari om 09u30.
Gazet van Antwerpen (19/1) daarover : “Maandag l.l. had alhier in de parochiale kerk de plechtige lijkdienst plaats van den heer A.L. Teughels, gemeente-ontvanger, ambt dat de overledene reeds vijf en dertig jaar trouw waarnam. Eene grote menigte woonde den plechtigen lijkdienst en de begrafenis bij. Bij de laatste rustplaats van den heer Teughels, sprak de heer burgemeester en provinciaal raadslid J. Bernaerts, de volgende rede uit : Geachte omstaanders. Een droeve plechtigheid roept ons hier te samen op den akker van den dood. Waarom die rouw ! Waarom die weedom tusschen allen die mij hier omringen ? Omdat scheiden smarten baart en wij hier vergadert staan ter plechtige ter aardebestelling van eenen geachten en diepbetreurden vriend aan wien wij innigen dank en erkentelijkheid schuldig zijn en komen betuigen. Arnold Teughels is te Leest in 1853 geboren van brave en werkzame ouders van wier hij van jongsaf de deugden heeft nagevolgd en door leerzaamheid, oppanssendheid en werkzaamheid zich heeft weten op de hoogte te brengen van zijn beroep. En wie zal ooit kunnen waarderen hoeveel huisgezinnen hij met wijzen raad en daad heeft bevoordeligd in hunne ondernemingen. Arnoldus Teughels werd op 28 februari door den gemeenteraad als gemeente-ontvanger aangesteld, ambt welke hij tot hiertoe met veel gezorgdheid en nauwgezetheid vervulde tot voldoening zijner overheden, ook werd hem om zijnen iever door Z. Majesteit de Koning de welverdiende burgerlijke medalie van 1e klas toegekend. Vrome Christen, vreedzaam burger en goede huisvader, heeft hij altijd het zijne bijgedragen om zijn talrijk huisgezin eene goede opvoeding te bezorgen.”
“Met zorgen heeft hij zijne dagen doorgebracht en was een vader waardig om in de gedachtenis der braven te leven. Recht in zijnen handel, eenvoudig in zijnen wandel, de deugd toegenegen, leidde hij op aarde een echt christelijk leven : enkel het kwijten van zijne plichten en het welzijn van zijn huisgezin voor oogen hebbende.” (Uit zijn gedachtenisprentje)
Arnold Leopold ‘Noldus’ Teughels was een zoon van Jan Baptist en van Monica Van Hoof. Hij was gehuwd met Joanna Catharina “Trien” Beullens (°Leest, 20/6/1855, +Mechelen, 24 augustus 1929). Zij brachten negen kinderen groot :
-Marie (Rosalie), geboren op 1 februari 1885, huwde in 1924 met Dolf Geerts (Mechelen).
-Toor (Victoria), geboren op 19 maart 1887, huwde in 1911 met Jan Frans De Mol (Mechelen).
-Fien (Rudolfina) bleef ongehuwd, ze was geboren op 18 september 1888. Het huis over de Zennebrug links werd door haar nog gezet.
-Door (Theodoor), geboren op 7 september 1890, trouwde in 1912 met Emma Blommaerts uit Katelijne-Waver.
-Clotilde, geboren op 30 juni 1892, huwde met Jozef Frans Joris (Mechelen).
-Louis (Cornelis Jozef), geboren op 4 maart 1894, trouwde in 1921 met Elvire De Rooster (Warande).
-Rik (Henri), geboren op 5 april 1896, trouwde in 1922 met Annemarie Degang uit Mechelen.
-Frans, geboren op 27 mei 1898, trouwde in 1920 met Hortense Schits.
-Virge (Virginie), geboren op 22 april 1902, trouwde in 1924 met Antoon Wouters.
Meer over deze familie in deze Kronieken : 26/10/1990 onder De Rooselaer.
Bijgevoegd : -Achteraan van l. naar r. Joanna Catharina “Trien” Beullens, haar man Arnold “Noldus” Teughels, oudste dochter Marie Teughels en vierde dochter Clothilde. Zittend : Theodoor, Frans, Henri en Louis Teughels, zonen van Noldus. De foto dateert van kort na de Eerste Wereldoorlog. -Eén van de oudste foto’s van het Dorpsplein (rond 1895) met links de eeuwenoude herberg “De Rooselaar”van Noldus Teughels zoals die er uitzag voor de verbouwing van 1907. -Bewijs van terugbetaling aan Trien Beullens van de borgtocht die haar man had betaald als gemeenteontvanger. -Doodsprentje van Arnold “Noldus” Teughels.
1924 – Theofiel VERSCHUEREN werd burgemeester te Leest.
Met de gemeeenteraadsverkiezingen van 1921 (24 april) gebeurde er iets onverwachts. De Sussen, de partij van de burgemeester (Jaak Bernaerts) verloren hun meerderheid en alleen Jaak Bernaerts, Jan Baptist Verbergt, Jaak Joseph Selleslagh en J.C. Van den Brande waren verkozen. De Blekken hadden vijf verkozen kandidaten : Theofiel Verschueren, Frans Beullens, Marcelinus Lemmens, Alfons Polspoel en Prosper Busschot. Het schepencollege bestond uit burgemeester Bernaerts, eerste schepen Theofiel Verschueren en tweede schepen Alfons Polspoel.
Er werd door de Blekken klacht ingediend bij het provinciebestuur tegen Jaak Bernaerts. Alle documenten die met dit dossier te maken hebben zijn spoorloos. Wanneer Jaak Bernaerts in 1924 overleed, werd Theofiel Verschueren de eerste burgemeester afkomstig van de Blekken en hij werd benoemd in het K.B. van 26 juni 1924.
Met de verkiezingen van 1927 zouden de Sussen terug -en dit voor twaalf jaar- aan de macht komen en toen werd Verschueren opgevolgd door Victor De Laet (tot in 1938). J. Apers en Ferdinand Van der Hasselt waren toen schepenen. Deze laatste werd de tweede ambtsperiode vervangen door Fr. Boonen.
Tijdens de periode van 1932 tot 1938 zetelde Theofiel Verschueren, samen met Alfons Polspoel, Prosper Busschot en Pieter De Prins voor de Blekken.
Van 1939 tot 1944 en van 1954 tot 1964 zou zijn zoon Emiel Verschueren ook de burgemeesterssjerp dragen.
Jacobus Theophilus Verschueren was de zoon van Joannes Franciscus (Jan) Verschueren en van Anna Catharina Steemans. Hij werd te Leest geboren op 26 maart 1853 en trouwde er op 4/3/1886 met Petronilla Victoria Selleslagh (°Leest 21/7/1853, +Leest 22/7/1907).
Theofiel was landbouwer en hij woonde in de Scheerstraat in een woning die later bewoond werd door zijn kleinzoon en naamgenoot Theofiel en Amelie Verbeeck. Theofiel Verschueren was medestichter van de fanfare “Sint-Cecilia” en bleef voorzitter tot aan zijn dood op 26 mei 1942.
Op 8 maart 1927 ontving hij van de Leestse Gemeenteraad volgende dankzegging : “Wij zeggen U, in naam van den Raad, dank, voor uwe bewezene en ononderbroken diensten, gedurende 38 jaren, als gemeenteraadslid, schepen en burgemeester van Leest.”
(Bronnen : GA, “LG”, “De Band”, Stan Gobien “Leest in Feest”)
Bijgevoegd : -Theofiel Verschueren. -Document van zijn benoeming. -Zijn handtekening. -Zijn bidprentje.