Veel vogels hebben hun ogen opzij geplaatst in plaats van naar voren. Daardoor hebben ze goed zicht naar opzij en naar achteren, maar de kijkhoek naar voren is maar heel klein. Het netvlies van veel vogels heeft bovendien de grootste scherptediepte en kleuronderscheidend vermogen in zijwaartse richting, niet voorwaarts. Die manier van kijken is oorzaak van veel vogelbotsingen.

Hun voorwaartse zicht gebruiken vogels met name voor handelingen met hun snavel, zoals eten, nest bouwen en jongen verzorgen. Bij het vliegen speelt het nauwelijks een rol, zegt de Britse ornitholoog Graham Martin van de University of Birmingham.

In plaats daarvan kijken vogels naar de grond; ze houden vaak hun kop schuin zodat ze met één oog de grond in de gaten kunnen houden. Dat maakt het risico op botsingen natuurlijk alleen maar groter, schrijft Martin in het vogelblad Ibis.

Daarnaast, denkt Martin, verwachten vogels ook geen obstakels in het luchtruim. Ze worden verrast door staketsels als zendmasten en windturbines, die pas relatief recent in hun evolutionaire verleden opdoken. Windmolens zijn wel beschreven als 'gehaktmolens' vanwege de vele vogelslachtoffers die zij maken, maar vogels vliegen soms ook tegen de pylonen of rotorbladen van stilstaande molens aan.

Het probleem van botsingen is groot, zegt Martin: zo groot dat zij zelfs het voortbestaan van zeldzame vogelsoorten kunnen bedreigen. Zo blijkt in een jarenlang onderzoek dat jaarlijks maar liefst een kwart van de jonge ooievaars en zes procent van de volwassen ooievaars overlijdt na een botsing met hoogspanningskabels, door de klap of door elektrocutie wanneer hun grote vleugels twee draden raken. In zuidelijk Afrika vliegen behalve ooievaars ook koritrappen, kraanvogels en Ludwigs trappen vaak tegen hoogspanningsdraden. Voor die laatste soort kan dat op termijn fataal zijn, zoveel dodelijke vliegongelukken zijn er jaarlijks.

Maatregelen die eerder zijn getroffen om het aantal vogelslachtoffers te beperken, hebben nooit het gewenste effect gehad. Dat komt, zegt Martin, omdat die er allemaal op gericht waren de objecten opvallender te maken zodat de vogel ze beter zou zien. Het ging bijvoorbeeld om reflecterende ballen, vlaggetjes en spiralen aan hoogspanningsdraden of kleurvlakken op de rotorbladen van windmolens. Maar als de vogels niet voor zich kijken, is het nogal wiedes dat deze maatregelen maar beperkt resultaten opleverden.

Volgens Martin moet de oplossing daarom niet gezocht worden in het opvallend maken van de objecten zelf, maar moeten de vogels vooraf gewaarschuwd of afgeleid worden. Hoe dat moet, zal verschillen per soort. Martin denkt bijvoorbeeld aan het plaatsen van lokvogels in de buurt van windmolens, waardoor de vogels geneigd zullen zijn te landen in plaats van blind door te vliegen.

bron;standaard.be 
Sander Voormolen,
© NRC Handelsblad