|
Op een mooie zomerse zondag, heel lang geleden, mocht ik als klein meisje aan de hand van mijn vader mee naar het kiesbureau. We gingen over een aarden weg, erg hobbelig, want asfalt lag er toen nergens op landelijke weggetjes.
We gingen een groot en hoog gebouw binnen waar veel volk was. Er heerste een gezellige drukte. Iedereen droeg zijn zondagse kleren en groette elkaar beleefd.
Ik zag geen andere kindjes om mee te spelen. Meteen voelde ik, dit is een grote-mensen-dag. Een hoogdag voor christenen en socialisten, elkaars aartsvijanden, maakte pa me wijs. En de socialisten waren de slechteriken.
Omdat er toen nog geen vreemdelingenstemrecht uitgevonden was, waren er ook geen exotische exemplaren aanwezig. Dat zou ik direct waargenomen hebben want pa zei me altijd: "Niets zeggen tegen vreemde mannen, en zeker niet meegaan."
Na zijn stem uitgebracht te hebben, duurde het heel lang alvorens we terug thuiskwamen, ik kreeg honger, doch pa klampte iedereen op straat aan om hen te overtuigen om voor CVP te stemmen.
Neen, het was echt geen leuke dag voor mij. Ik heb niet kunnen spelen, me niet kunnen amuseren, het was een drukke dag voor pa en alle anderen, maar niet voor mij.
Pa was gefascineerd door het woord 'christelijk'. Hij trachtte mij diezelfde fascinatie bij te brengen, maar dat is hem nooit gelukt. Hij dweepte met kerk en pastoors, kon goed opschieten met de nonnen op school en hij vroeg hen zelfs advies over mijn opvoeding. Ouderlijke onmacht!
Onze buurman was een socialist, ging nooit naar de kerk, vijand van pa natuurlijk, ze hadden vaak ruzie. Op een keer, ik zie het nog voor me, lagen ze in de tuin in een ligstoel, eerst wat monotoon keuvelen, dan lichte stemverheffingen, om tenslotte roepend en tierend naar binnen te gaan. De hele buurt stond gniffelend mee te luisteren. Ik schaamde me.
En nu zit de CD&V in een impasse...
|