Romenu is een blog over gedichten, literatuur en kunst Maar Romenu is ook een professionele freelance vertaler Du-Ne en Ne-Du http://www.roumen-vertalingen.nl/
Georg Trakl werd op 3 februari 1887 in het conducteurshuis aan de Waagplatz 2 in Salzburg geboren. Zijn vader, Tobias Trakl, was een handelaar in ijzerwaren en zijn moeder, die ook psychische problemen had, was Maria Catharina Trakl, (meisjesnaam Halik). Voorts had hij nog drie broers en drie zussen. Margarethe (doorgaans Grethe genoemd) stond hem het naast, zelfs zodanig dat sommigen een incestueuze verhouding vermoeden. Zijn jeugd bracht hij door in Salzburg. Vervolgens bezocht hij van 1897 tot 1905 het humanistische gymnasium. Om toch een academische opleiding te kunnen volgen, werkte hij tot 1908 in de praktijk bij een apotheker. Sommigen vermoedden dat hij dit vooral deed om zichzelf opiaten te kunnen verschaffen. Bij het uitbreken van WO I werd Trakl als medicus naar het front in Galicië (heden ten dage in Oekraïne en Polen) gestuurd. Zijn gemoedsschommelingen leidden tot geregelde uitbraken van depressie, die verergerd werden door de afschuw die hij voelde voor de verzorging van de ernstig verwonde soldaten. De spanning en druk dreven hem ertoe een suïcidepoging te ondernemen, welke zijn kameraden nochtans verhinderden. Hij werd in een militair ziekenhuis opgenomen in Kraków, alwaar hij onder strikt toezicht geplaatst werd.Trakl verzonk daar in nog zwaardere depressies en schreef Ficker om advies. Ficker overtuigde hem ervan dat hij contact moest opnemen met Wittgenstein, die inderdaad op weg ging na Trakls bericht te hebben ontvangen. Op 4 november 1914, drie dagen voordat Wittgenstein aan zou komen, overleed hij echter aan een overdosis cocaïne
Paul Celan
Paul Celan werd onder de naam Paul Antschel op 23 november 1920 geboren in Czernowitz, toentertijd de hoofdstad van de Roemeense Boekovina, nu behorend bij de Oekraïne. Paul Celans ouders waren Duitssprekende joden die hun zoon joods opvoedden en hem naar Duitse christelijke scholen stuurden. In 1942 werden Celans ouders door de Duitse bezetter naar een werkkamp gedeporteerd en daar vermoord. Hijzelf wist aanvankelijk onder te duiken, maar moest vanaf juli 1942 in een werkkamp dwangarbeid verrichten. Celan overleefde de oorlog. Via Boekarest en Wenen vestigde Celan zich in 1948 in Parijs. Daar was hij werkzaam als dichter, vertaler en doceerde hij aan de prestigieuze Ecole Normale Supérieure. Vermoedelijk op 20 april 1970 beëindigde hij zijn leven zelf door in de Seine te springen.
Gerard Reve
Gerard Reve over: Medearbeiders ”God is in de mensen, de dieren, de planten en alle dingen - in de schepping, die verlost moet worden of waaruit God verlost moet worden, door onze arbeid, aangezien wij medearbeiders van God zijn.” Openbaring ”Tja, waar berust elk godsbegrip op, elke vorm van religie? Op een openbaring, dat wil zeggen op een psychische ervaring van zulk een dwingende en onverbiddelijke kracht, dat de betrokkene het gevoel heeft, niet dat hij een gedachte of een visioen heeft, maar dat een gedachte gedachte of visioen hem bezit en overweldigt.”
Simon Vestdijk
Simon Vestdijk (Harlingen, 17 oktober 1898 – Utrecht, 23 maart 1971) was een Nederlands romancier, dichter, essayist en vertaler. Zijn jeugd te Harlingen en Leeuwarden beschreef hij later in de Anton Wachter-cyclus. Van jongs af aan logeerde hij regelmatig bij zijn grootouders in Amsterdam, waar hij zich in 1917 aan de Universiteit van Amsterdam inschrijft als student in de medicijnen. Tijdens zijn studie die van 1917 tot 1927 duurde, leerde hij Jan Slauerhoff kennen.Tot 1932 is hij als arts in praktijken door heel Nederland werkzaam. In 1932 volgt zijn officiële schrijversdebuut met de uitgave van de bundel Verzen in De Vrije Bladen. Doorslaggevend voor Vestdijks uiteindelijke keuze voor de literatuur is zijn ontmoeting in 1932 met Eddy Du Perron en Menno ter Braak. Deze ontmoeting had tot resultaat dat hij redactielid werd van het tijdschrift Forum Kort daarop, in 1933, wordt zijn eerste novelle, De oubliette, uitgegeven. In hetzelfde jaar schrijft hij Kind tussen vier vrouwen, dat, eerst geweigerd door de uitgever, later de basis zal vormen voor de eerste drie delen van de Anton Wachter-romans. In 1951 ontvangt Vestdijk de P.C. Hooftprijs voor zijn in 1947 verschenen roman De vuuraanbidders. In 1957 wordt hij voor het eerst door het PEN-centrum voor Nederland voorgedragen voor de Nobelprijs voor de Literatuur, die hij echter nooit zal krijgen. Op 20 maart 1971 wordt hem de Prijs der Nederlandse Letteren toegekend, maar voor hij deze kan ontvangen overlijdt hij op 23 maart te Utrecht op 72-jarige leeftijd. Vestdijk was auteur van ca. 200 boeken. Vanwege deze enorme productie noemde de dichter Adriaan Roland Holst hem 'de man die sneller schrijft dan God kan lezen'. Andere belangrijke boeken van Simon Vestdijk zijn: "Kind van stad en land" (1936), "Meneer Visser's hellevaart" (1936), "Ierse nachten" (1946), "De toekomst de religie" (1947), "Pastorale 1943" (1948), "De koperen tuin" (1950), "Ivoren wachters" (1951), "Essays in duodecimo" (1952) en "Het genadeschot" (1964).
K.P. Kavafis K.P. Kavafis werd als kind van Griekse ouders, afkomstig uit Konstantinopel, geboren in 1863 in Alexandrië (tot vandaag een Griekse enclave) waar hij ook het grootste deel van zijn leven woonde en werkte. Twee jaar na de dood van zijn vader verhuist het gezin in 1872 naar Engeland om na een verblijf van vijf jaar naar Alexandrië terug te keren. Vanwege ongeregeldheden in Egypte vlucht het gezin in 1882 naar Konstantinopel, om na drie jaar opnieuw naar Alexandrië terug te gaan. In de jaren die volgen maakt Kavafis reizen naar Parijs, Londen en in 1901 zijn eerste reis naar Griekenland, in latere jaren gevolgd door nog enkele bezoeken. Op de dag van zijn zeventigste verjaardag, in 1933 sterft Kavafis in Alexandrië. De roem kwam voor Kavafis pas na zijn dood, dus postuum. Deels is dat toe te schrijven aan zijn eigen handelswijze. Hij was uiterst terughoudend met de publicatie van zijn gedichten, liet af en toe een enkel gedicht afdrukken in een literair tijdschrift, gaf in eigen beheer enkele bundels met een stuk of twintig gedichten uit en het merendeel van zijn poëzie schonk hij op losse bladen aan zijn beste vrienden.
Thomas Mann
Thomas Mann, de jongere broer van Heinrich Mann, werd geboren op 6 juni 1875 in Lübeck. Hij was de tweede zoon van de graankoopman Thomas Johann Heinrich Mann welke later één van de senatoren van Lübreck werd. Zijn moeder Julia (geboren da Silva-Bruhns) was Duits-Braziliaans van Portugees Kreoolse afkomst. In 1894 debuteerde Thomas Mann met de novelle "Gefallen". Toen Thomas Mann met 21 jaar eindelijk volwassen was en hem dus geld van zijn vaders erfenis toestond - hij kreeg ongeveer 160 tot 180 goldmark per jaar - besloot hij dat hij genoeg had van al die scholen en instituties en werd onafhankelijk schrijver. Kenmerkend voor zijn stijl zijn de ironie, de fenomenale taalbeheersing en de minutieuze detailschildering. Manns reputatie in Duitsland was sterk wisselend. Met zijn eerste roman, Buddenbrooks (1901), had hij een enorm succes, maar door zijn sceptische houding tegenover Duitsland na de Eerste Wereldoorlog veranderde dit volledig. Stelde hij zich tot aan de jaren twintig apolitiek op (Betrachtungen eines Unpolitischen, 1918), meer en meer raakte hij bij het Politiek gebeuren betrokken. Zijn afkeer van het nationaal socialisme groeide, zijn waarschuwingen werden veelvuldiger en heftiger. In 1944 accepteerde hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tussen 1943 en 1947 schreef Mann Doktor Faustus (zie Faust), de roman van de 'Duitse ziel' in de gecamoufleerd geschilderde omstandigheden van de 20ste eeuw. In 1947 bezocht hij voor het eerst sinds de Oorlog Europa, twee jaar later pas Duitsland. In 1952 vertrok hij naar Zwitserland. Op 12 augustus 1955 stierf hij in Zürich. Twintig jaar na zijn dood, in aug. 1975, is zijn literaire nalatenschap geopend: dagboekaantekeningen van 15 maart 1933 tot 29 juli 1955, alsmede notities uit de jaren 1918 tot en met 1921.Belangrijke werken zijn: Der Zauberberg, Der Tod in Venedig, Dokter Faustus , Joseph und seine Brüder en Die Bekenntnisse des Hochstaplers Felix Krull.
Rainer Maria Rilke
Rilke werd op 4 december 1875 geboren in Praag. Hij had al naam gemaakt als dichter met zijn bundels Das Stundenbuch en Das Buch der Bilder, toen hij de literaire wereld versteld deed staan en wereldfaam verwierf met de publicatie van zijn twee delen Neue Gedichte in 1907 en 1908. Hij verzamelde daarin het beste werk uit een van zijn vruchtbaarste periodes, die hij grotendeels doorbracht in Parijs. Rilke was daar diep onder de indruk gekomen van Rodin, bij wie hij een tijdlang in dienst was als particulier secretaris. Rodin, zei hij later, had hem leren kijken. Dit kijken kwam neer op intense concentratie, om het mysterie te kunnen zien ‘achter de schijnbare werkelijkheid'. Latere en rijpere werken als Duineser Elegien (1912-1923) en het ronduit schitterende Die Sonette an Orfeus (1924) illustreren Rilkes metafysische visie op het onzegbare, dat haar verwoording vindt in een hermetische muzikale taal. Op 29 december 1926 overlijdt Rilke in het sanatorium in Val-Mont aan de gevolgen van leukemie. Enkele dagen later wordt hij, overeenkomstig zijn wens, begraven op het kerkhof van Raron.
* * * * * * * * * * * * * * * *
Romenu
Over literatuur, gedichten, kunst en cultuur
01-06-2025
Wiel Kusters, Connie Wanek, Ralf Thenior
De Nederlandse dichter, schrijver en letterkundige Wiel Kusterswerd geboren in Spekholzerheide op 1 juni 1947. Zie ook alle tags voor Wiel Kustersop dit blog.
Hohner
In een la van de keukenkast lagen de sigaretten van mijn vader een boekje over eerste hulp bij ongelukken (een man is uit voorzorg op een plank gaan staan en trekt met een wandelstok de elektrische draad van het lichaam van de geëlektrocuteerde ander) een alarmpistool – veel dat mij is ontschoten en een mondharmonica van het merk Hohner – The Echo Harp.
Op het doosje een berglandschap een houten huis rook uit de schoorsteen en op de voorgrond een man die een pad bewandelt naar ons toe.
Mijn broer bespeelde The Echo Harp La Paloma of schoot met het pistool wanneer hij niet tekende, schaakte, las of al het andere waar hij goed in was.
Nooit kwam ik tot muziek op zijn Hohner nooit tot iets anders dan een sireneachtig in en uit van adem
wel proef ik het hout ruik daarvan de wat zoete geur wanneer het vochtig wordt van mijn speeksel voel hoe mijn mond dorstig wordt en droog.
Het is geen muziek waarmee mijn broer nu uit het gebergte van zijn dood nader treedt
het is een ademen een ademen alleen in in in
en een janken zoals vroeger nooit door hem geuit.
Broer
Zolang je Kaspar Hauser was bleef je ongeboren en wat ik later van je las lag als adem op mijn ruit bevroren.
Ik wist niet hoe jij jezelf verstond. Ik adem op jouw woord en zie hoe dit zich smelten laat maar ook hoe je ontdooiend spreken jou verstoort.
Vis een visser, met vis in zijn schuit
Ik zwem door mazen, maar er is geen net, kan alle kanten op, ook achteruit. Mijn soort is in dit water uitgezet, maar vissers hebben het voor ons verbruid door niet te talen naar de oude wet dat zelfs het water zijn beperking kent voor wie er uit de maalstroom wordt gered omdat hij snel voorbij zijn kieuwen zwemt.
Ik ben een vis, ik ben een hele school tot in mijn graten toe, die niemand eet. Vermenigvuldigd door die ene angst: dat ik ontkomen zal bij elke vangst, dat ik de enige ben die men vergeet, die als ondood door zijn woorden doolt.
Before you knew you owned it it was gone, stolen, and you were a fool. How you never felt it is the wonder, heavy and thick, lodged deep in your hair like a burr. You still see the smile of the magician as he turned the coin in his long fingers, which had so disturbed your ear with their caress. You watched him lift it into the light, bright as frost, and slip it into his maze of pockets. You felt vainly behind your ear but there was no second coin, nothing to tempt him back. No one cared to know why he did it, only how.
BROOM
A blossom on its long stem the broom is a hag of a tulip. It is a woman who tics back her hair with wire, who wears burlap, who eats clay.
For its fidelity the broom has been granted the ability to carry the witch to the clouds. Who was the first to slip it between her legs and vanish?
Kijk niet naar de huid dat is bijzaak kijk naar de hersens als je kunt natuurlijk wil je stokoud worden ouwe bok met het oog op die zeventienjarige meisjes maar dat vriend is belachelijk kijk nou eens naar Penelope haar rimpels verdiepen haar lachje weven het doek
She had not held her secret long enough To covet it but wished it shared as though Telling would tame the terrifying moment When she, most calm in her own afternoon, Felt the intrepid angel, heard His beating wings, his voice across her prayer.
This was the thing she needed to impart, The uncalm moment, the strange interruption, The angel bringing pain disguised as joy, But mixed with this was something she could share And not abandon, simply how A child sprang in her like the first of seeds.
And in the stillness of that other day The afternoon exposed its emptiness Shadows drift from light, the long road turning In a dry sequence of the sun. And she No apprehensive figure seemed, Only a moving silence though the land.
And all her journeying was a caressing Within her mind of secrets to be spoken. The simple fact of birth soon overshadowed The shadow of the angel. When she came Close to her cousin’s house she kept Only the message of her happiness.
And those two women in their quick embrace Gazed at each other with looks undisturbed By men or miracles. It was the child who laid his shadow on their afternoon By stirring suddenly, by bringing Back the broad echoes of those beating wings.
Elizabeth Jennings (18 juli 1926 – 26 oktober 2001) De St Botolph’s kerk in Boston, Lincolnshire, de geboorteplaats van Elizabeth Jennings
Heeft iemand ooit gemeend, dat het gelukkig was geboren te zijn? Ik haast mij hem of haar te zeggen, dat ’t even gelukkig is te sterven, en ik weet dat.
Ik ga den dood door met den stervende en het leven door met het zoo-even ontbonden kind, en wat gij daar van mij ziet tusschen laarzen en hoed is niet mijn geheele Ikheid. Mijn leven is het leven der menigvuldigheid en in die menigvuldigheid zijn daar niet twee eveneens en allen zijn goed, De aarde goed, de sterren goed en alles wat daarop of omheen leeft goed.
Ik ben geen aarde, ook geen satelliet van een aarde, Ik ben de maat en gezel van menschen die allen even onsterflijk en vademloos zijn als ik-zelf ben, (Zij weten niet hoe onsterflijk, maar ik weet ’t).
Iedere mensch leeft voor zichzelf en voor wat zijn leven is, ik leef voor mij en weet wat mijn is, mannelijk en vrouwelijk, Zij zijn mijn die knapen geweest zijn en vrouwen begeeren, Hij is mijn de man, de fiere, die het steken voelt der geringschatting, Zij is mijn de verloofde, en de oude maagd is mijn, zij zijn mijn de moeders en de moeders van moeders, Mijn zijn de lippen die glimlachen en de oogen die tranen storten, Mijn zijn de kinderen en die kinderen gewinnen.
Naakt! Voor mij hebt gij geen schuld, door mij wondt gij niet uitgeworpen, door mij niet geminacht, Ik zie U door kleed en hemd in de ziel, Ik omgeef U, ik laat niet af voor ik U gewonnen heb, ik ben onvermoeid, gij kunt mij niet afschudden.
Vertaald door Maurits Wagenvoort
Walt Whitman (31 mei 1819 – 26 maart 1893) Portret door Herbert Gilchrist, 1887
“I’m so engrossed in these thoughts that I forget to take note of the landscape around me. But instinct suddenly tells me that I have gotten home...or where home should be. I stop, put down the box, and look around me. The hedge of ashy leaves that we planted looks the same, but beyond it our homestead is a rubble of burnt dry mud, splinters of wood, and grass. My mother’s hut and my brother’s house on stilts have been razed to the ground. My home, from where I set out for Alliance only three months ago, is no more. Our pear tree is still standing, but like the ashy hedge, it’s a silent witness. Casting my eyes beyond, I suddenly realize the whole village of homesteads has disappeared. The paths that had crisscrossed the landscape, linking the scattered dwellings into a community, now lead from one mound of rubble to another, tombs of what has been. There is not a soul in sight. Even the birds flying above or chirping in the hedges emphasize the emptiness. Bewildered, I sit on my box under the pear tree, as if hoping it will share with me what it knows. The tree, at least, has defied the desolation, and I pick a few ripe pears to eat in baffled silence. How could a whole village, its people, history, everything, vanish, just like that? The sight of two rats chasing each other amid the rubble shakes me out of my reverie. I think of going toward the only houses still standing, the Kahahus’, despite their ghostly aura, for an answer. Once again I stagger along with the box. At the hedge, I see a man and recognize Mwangi, part of a group of workers who have always rendered loyal services to the Kahahu family. As children, we called him Mwangi wa Kahahu, although he was not blood related. He always had gossip about the goings-on in the big house on the hill. Now he and I are the only humans in a desolate landscape.
You mean you don’t know that all the people have been moved to near the home guard post? Oh, but of course you have come home on school break. Go up, and you will see for yourself, he says, gesturing vaguely in the direction of the ridge. His delivery is matter-of-fact. I stare at him, waiting for more, but he walks away. Normally he would have taken the time to tell tales of the Kahahu family, his favorite subject, but today he does not have the words. Slowly I work my way up the ridge, past more piles of rubble, charred funeral pyres of a rural community. From the top of the ridge, now bereft of all memories, I put the box down and look at the valley below. A completely new vista of grass-thatched roofs lies before me.”
“Beter dan op het scherm te kijken, laat ik me gidsen door de Fransman op mijn boordcomputer die zo opgewekt klinkt dat een hellevaart een zegetocht lijkt. Via slingerende wegen over beboste heuvels, door wijngaarden en dorpen met vakwerkhuizen waarvan ik de namen ken van de drijvende etiketten in mijn moeders ondergelopen wijnkelder, is hij het die me door de Elzas richting Zwitserland leidt. Een enorme omweg, maar toch laaf ik me aan iedere bocht die ik neem, het is als diep ademhalen. Voor het eerst ben ik alleen op weg naar de plek waarvan ik nog steeds niet kan geloven dat die werkelijk bestaat. Terwijl de zon ondergaat, veranderen de heuvels en bomen en huizen in schaduwbeelden. Ik zie de koffiekan, de theepot, de suikerpot in zwart basalt, met op de deksels de weeping widows. Het Wedgwood-rouwservies, alle familiepijn zat erin. Als kind verstopte ik het als we op vakantie gingen. Het idee dat het gestolen zou worden vond ik onverdraaglijk. Voorzichtig wikkelde ik het in krantenpapier en zette het in een doos op de kruipzolder. ‘De kans dat je het breekt is groter dan dat iemand het pikt,’ zei mijn moeder laconiek. Haar kon het niet schelen, zij was nergens aan gehecht, zelfs niet aan het leven. Toen ik in de jaren negentig in Brussel woonde, bewaarde ik het servies in een doos in de kelder onder mijn kunstgalerie. Een van de werkmannen moet het hebben meegenomen. En ook de doos met de Märklin-trein, de locomotief, de wagonnetjes. Mijn aantekeningen, drie dozen vol waarin ook de envelop met foto’s en brieven van Bernhard, zijn in de loop der jaren in die vochtige kelder vermolmd, toen ik verhuisde heb ik het als compost op een kruiwagen geschept. Vruchtbaar was het. Het navigatiescherm schakelt over op de donkere nachtstand. Er valt geen stad, geen rivier, geen berg op te herkennen. Een militair zou ermee verdwalen, maar voor mij is het een perfect instrument. Ik laveer tussen zwart en wit, binnen en buiten, alles en niets. De eerste nacht logeer ik in het oude familiehotel aan het Meer van Zug waar ik als kind met mijn moeder ben geweest. Het restaurant is al dicht en vanaf mijn balkon zie ik alleen de nacht met hier en daar een lichtje. Mijn druiven en noten zijn op, ik kan van de honger niet slapen. Ik zie mijn moeder weer staan bij het raam, ze tilt de vitrage opzij en kijkt naar het terras beneden. Bernhard kan ieder moment daar zijn. Ze bestelt iets te drinken, het is haar zoveelste glas. Ze vertelt dat de hoge berg in de verte naar Pilatus is vernoemd.”
Die zomer in Culpepper was er alleen maar wit te eten: bloemkool, bot, witte saus, wit ijs. Ik sloop rond met een oudere man die me niet vertelde dat hij getrouwd was. Ik was de baby, dronk rum-cola terwijl de mannen wiet rookten die ze van de campers hadden gestolen. Ik sloop met mijn geliefde naar met gif begroeide velden en kampeerbusjes. Ik sliep nooit. Om de twee weken keerde ik terug naar de stad, zwart en stoffig, met een vuilniszak vol vuile kleren.
Op mijn negentiende was het mijn eerste zomer weg van huis. Zijn baard rook muf. Zijn ogen waren zwart. “De dames zijn dol op mijn haar,” zei hij, en ik glimlachte als een dwaas. Hij wist alles over marihuana, hoe droog het moest zijn om te branden, hoe je het moest pletten, eraan moest ruiken, de zaadjes eruit moest halen. Hij zei dat hij dat allemaal in Vietnam had geleerd. Hij bracht zijn zoon mee op bezoek na een van zijn vrije dagen. Ik had me nooit een moeder voorgesteld. “Mag ik een kus stelen?” zei hij, de eerste innige nacht in het veld.
Ik vroeg en vroeg naar Vietnam, hoe elk litteken aanvoelde, hoe de strijd was, hoe de jungle rook. Hij luisterde veel naar Marvin Gaye, was alles wat hij zei, en greep tussen mijn benen. Ik zou voor de ochtend naar mijn bedje kruipen. Ik zou dat witte eten eten. Dit was voordat ik begreep dat niets in één klap kapot kon gaan. Een plotselinge harde storm stak die nacht op; hij schoot de bus in. “De regen klonk precies zo,” zei hij, “daar op de daken.”
Met begeleiding Kathleen Ferrier gehoord: in de afgebroken volkstuinhuisjes zong zij van dood en opstanding. Rijp lag op het gras naast de Kruislaan en bij de proefboerderij klonk het orkest met Mahler. Licht rillend richtten wij het stuur naar het kanaal, waar uitspanningen gesloten waren, schepen op het droge, de weg doodliep op de spoorlijn, alle ellende van een winterzondag op de fiets. Goddank bleef de begeleiding een vertrouwde dissonant, waren de opritten naar de dijk te steil en reden wij gedrieën en luisterden. Er was geen mens. Het was geen weer om op te staan, laat staan om te gaan liggen.
Tocht langs de rivier
Wij fietsten langs de Amstel naar het zuiden. Niet lang geleden had ik hier geluk. Wat moest ik doen als ik het weer had? Terugdenken?
Maar er was geen muziek, die de herinneringen ordent; dit zuiden was niet warm; geen zware transportfiets meer, ‘De Poëtische Vervoering’ geheten, en ik rechtop daarop de wereld overziend.
Gelukkig dacht ik nu, krom boven mijn tien versnellingen, aan mijn gezondheid, aan mijn jongensdroom van een zittend bestaan en alles bezweren, de dikke kerk van Nes, geëmailleerde reclameborden.
De banden gleden stil over de weg. Onder de dampen van Uithoorn wist ik dat dit mijn toekomst was, een training voor een langer leven vol geheugen, geen inspiratie meer tot meer.
Onder vrienden
Gepraat aan tafel over hoe je je gedraagt als je bedreigd wordt. Je cursus leidde tot dit onderwerp; wij knikten, want onder vrienden komt ieder woord terecht.
Met mes en vork bevrijdden wij de sfeer van amicaliteit. Zo scherpten wij aan saus en kruiden het eigen vlees. Het woord was op, gebaren bleven over, en sentiment kwam dreigend boven tafel.
Ad Zuiderent (’s-Gravendeel, 28 mei 1944) Portret door Frans van Steenhoven, 1984
On nights when the moon seems impenetrable— a locked porthole to space; when the householder bars his windows and doors, and his dog lies until dawn, one jeweled eye open; when the maiden sleeps with her rosy knees sealed tightly together, on such nights the safecracker sets to work. Axe . . . Chisel . . . Nitroglycerin . . . Within the vault lie forty thousand tons of gold; the heaped up spoils of Ali Baba’s cave; the secrets of the molecule. He sands his fingertips to feel the subtle vibrations of wheel lining up, just so, with wheel. His toolmarks are his fingerprints. And now a crack appears on the side of the egg, a single fault line, and within: the golden yolk just waiting. A kind of wind . . . a door flies open . . . a glitter of forsythia forced out of the branch. With smoothest fingertips you touch the locked cage of my ribs . . . just so. My knees fall open. And Cleopatra smiles, whose own Egyptians first invented the lock.
The Quarrel
If there were a monument to silence, it would not be the tree whose leaves murmur continuously among themselves;
nor would it be the pond whose seeming stillness is shattered by the quicksilver surfacing of fish.
If there were a monument to silence, it would be you standing so upright, so unforgiving, your mute back deflecting every word I say.
A RAINY COUNTRY
Je suis comme le roi d’un pays pluvieux Baudelaire
The headlines and feature stories alike leak blood all over the breakfast table, the wounding of the world mingling with smells of bacon and bread.
Small pains are merely anterooms for larger, and every shadow has a brother, just waiting. Even grace is sullied by ancient angers. I must remember it has always been like this:
those Trojan women, learning their fates; the simple sharpness of the guillotine. A filigree of cruelty adorns every culture. I’ve thumbed through the pages of my life,
longing for childhood whose failures were merely personal, for all the stations of love I passed through. Shadows and the shadow of shadows.
I am like the queen of a rainy country, powerless and grown old. Another morning with its quaint obligations: newspaper, bacon grease, rattle of dishes and bones.
Insomnia
Ik herinner me nog dat mijn lichaam een vriend was,
toen de slaap als een brave hond kwam wanneer ik die riep.
De deur naar de toekomst stond nog niet op het punt dicht te gaan,
en op mijn rug liggen tussen koude lakens
voelde niet als een repetitie.
Nu duikt het licht dat er nog is op – een vlek in het oosten,
There are things in trousers called men, almost too well-mannered, passing as gentlemen – human skunks hatched from rattlesnakes’ eggs.
You meet them in fashionable hotels where families stay, playing croquet and the gallant, sought after for charades; their impersonations are famous.
Avoid these men who avoid real men and manly sports, who prefer to go bathing with boys and plan a pretty five-mile walk.
Their germs are everywhere, in schools, on hotel towels and drinking cups, left on linen and the tasting-spoon; their breath is the fog of blindness.
Keep your eye on that jug, that candlestick, and when he moves, hit him to leave him scarred: scar the skunk and coward for life.
5.
With mother ill at Christmas there was no Swiss crib or consolation for her withdrawn presence.
Not to make a noise I lay in state on the floor, a black speaker at each ear, to hear my Russian music:
with lilies on the suicide’s grave, with Lorelei and the cold river, with the girl’s toy drum burying her soldier, brother, lover,
each day I reduced the box of liqueur chocolates, crushing the little barrels between my molars, coughing
and warming at the stuff on my tongue: sweet, unpleasant, but addictive, an overdrawn bachelor’s gift not likely to be missed.
Mud
November was always mud. Crossing a ploughed field our feet grew footballs of clay; matted with leaves its crust dropped on bootroom floors. Its odour was sharp and cold as a rocket’s nitre, cold as gardeners’ hands daubing the hot tap.
Grandfather’s eastward view was mud, deepening and retentive. His fingers were never free of it, holding letters broken at their creases with folding, pressing into a shelled church for shelter, opening smoke-darkened wings of a Flemish triptych.
At Cairo it flooded the lift and he ordered duckboards to be laid across the Mess, and left at dusk to walk barefoot on the red carpets of a mosque.
In peacetime at his dig the sprigged Orpheus and running hare shone dully for one day before the villa’s hidden spring sapped the bank of earth and closed their eyes with mud.
Mud is piled on the tarpaulin at the grave’s edge, curls up round our polished black welts, and sends its chill rising through the soles of the feet like worms.
Waarom zijn je ogen als droge bruine bloempeulen, Nog steeds, gegrepen door de herinnering aan verloren bloemblaadjes? Ik voel dat ze, als ik ze aanraak, Zouden verbrokkelen tot vallend bruin stof, En jij zou daar staan met een zichtbare blindheid. Toch zou je niet terugdeinzen, want je leven Is al lang geleden uit je hoofd geleerd, En ogen zouden alleen maar wegsmelten tegen de hoge wanden. Bovendien, bij het maken van dozen, Bestrooid met ruwe vergeet-mij-nietjes, Ben je merkwaardig gezegend als je ogen dood zijn.
„Gestern stand in der Zeitung, dass ich gestorben war. Marion zeigte mir den Artikel mit der Todesnachricht beim Frühstück, als ich mich gerade daran machen wollte, mit einem präzisen Querschnitt ihr weiches Ei zu guillotinieren, wie ich es immer getan hatte: zuerst ihres, dann meines. Sie kochte die Eier. Ich köpfte sie. Das war unser Ritual. Eierköpfen erfüllte mich immer mit großer Lust. Jetzt schaute ich groß. Im ersten Augenblick war ich ein wenig erstaunt, denn ich hatte mir mein Leben lang vorgestellt, in der Abenddämmerung eines späten Dezembertags zu sterben, während es draußen in dichten Flocken schneit; ohne Kampf, ohne Schmerzen außer einem bisschen Abschiedsschmerz vielleicht, aber durch gepflegten Weltekel gelindert. Ich mochte zugeschneit werden. Meine Seele mochte zugeschneit werden. Meine Seele wollte sterben, indem sie eingeschneit würde mit warmen, warmen Flocken. Zwischen friedlichen Weihnachten und friedlichem Neujahr hatte ich friedlich sterben wollen, wie etliche Figuren in meinen Büchern gestorben waren – um das Wort Helden zu vermeiden: Was war schon ein Held! Marion und Ira würden bei mir sein, hatte ich mir vorgestellt, sie würden an meiner Bettkante hocken und mit feuchten Augen abwechselnd meine Hand halten. Schließlich würde ich den eingeschläferten Körper ablegen und meine Seele aus allen Gliedern zusammenfließen lassen, in den Augen lagern und zu einem funkelnden Diamanten gepresst auf dem Sofa hinterlassen. Erlöst. Vom Menschsein erlöst. Beethovens vierte Symphonie, Adagio – Allegro vivace, leise. Mein Engel Marion und ich hatten zeit unseres Zusammenlebens davon geträumt, gemeinsam zu sterben. Das war kokett, das wäre nur im Fall eines Unfalls, einer Katastrophe oder eines Doppelselbstmords möglich gewesen. Jetzt ging ich ihr voraus. Jetzt ließ ich sie allein, wenn auch mit allen meinen Geschichten auf der Welt zurück. Ihr blieb das Sichten und das Ordnen. Ich konnte Marions Gedanken lesen, wie Marion meine Gedanken lesen konnte, auch jetzt noch natürlich, wir verstanden uns blind, gewissermaßen tot, zwischen uns waren nicht mehr viele Worte nötig.“
I Vissen deinen mee met de zee. Ik, levend, bied nog het hoofd Aan de ongegronde vrees Ver, ver vandaan te zijn Van een lieflijke persoon.
II Gedachte na gedachte kan Een last zijn voor de ziel. Wie kent van alles het eind? Als ik stilsta, praat met een steen, Komt de dauw dichterbij.
III Ik overzing de wind En hoor mezelf, ik keer Terug tot het niets, alleen. Het eenzaamste dat ik ken Is mijn eigen geest die speelt.
IV Is zij bezit van het licht? Ik snuif de duisterende lucht En luister naar mijn eigen voeten. Een storm wakkert aan waar Wind en water elkaar ontmoeten.
Uit: De Jiddische politiebond (Vertaald door Christien Jonkheer en Gerda Baardman)
“Al negen maanden bivakkeert Landsman in hotel Zamenhof zonder dat een van zijn medegasten vermoord is. En nu heeft iemand de bewoner van kamer 208, een jehoede die zich Emanuel Lasker noemde, een kogel door het hoofd gejaagd. ‘Hij nam de telefoon niet meer op, deed de deur niet meer open,’ zegt Tenenboim de nachtportier als hij Landsman uit bed komt halen. Landsman woont op 505, met uitzicht op het neonbord van het hotel aan de overkant van Max Nordau Street. Dat is hotel Blackpool, een woord dat door Landsmens nachtmerries spookt ‘Ik heb mezelf toegang moeten verschaffen.’ De nachtportier is een voormalige Amerikaanse marinier die zijn eigen heroïneverslaving de baas is geworden in de jaren zestig, toen hij terugkwam van de puinhopen van de Cubaanse oorlog. Hij treedt de verslaafde bewoners van het Zamenhof met moederlijke zorg tegemoet. Hij leent ze geld en zorgt ervoor dat ze mm mrt gelaten worden als ze dat nodig hebben. ‘Heb je in de kamer ergens aan gezeten?’ vraagt Landsman. ‘Alleen aan het geld en de juwelen,’ zegt Tenenboim. Landsman trekt zijn broek en schoenen aan en hijst zijn bretels op. Daarna draaien hij en Tenenboim zich om naar de deurknik, waar een stropdas aan hangt, rood met grote bruine strepen, voorgestrikt om tijd te besparen. Landsman heeft nog acht uur voordat hij w aan de bak moet. Acht rattenuren, lurkend aan de fles, in zijn glazeneer kooi tussen de houtwol. Landsman zucht en pakt zijn das. Hij laat hem over zijn hoofd glijden en schuift de strop omhoog tegen zijn boord. Hij trekt zijn jasje aan, voelt of zijn portefeuille en politiepenning in zijn borstzak zitten, en geeft een klopje op de sjolem die hij in een holster onder zijn oksel draagt, een korte Smith & Wesson Model 39. ‘Ik maak je niet graag wakker, inspecteur,’ zegt Tenenboim. ‘Maar ik heb gemerkt dat je niet echt slaapt.’ ‘Ik slaap wel, hoor,’ zegt Landsman. Hij pakt het borrelglas waar hij op het ogenblik een relatie mee heeft, een souvenir van de Wereldtentoonstelling van 1977. ‘Ik doe het alleen in mijn ondergoed.’ Hij heft het glas en brengt een toast uit op de dertig jaar die er sinds de Wereldtentoonstelling in Sitka verstreken zijn. Een hoogtepunt van de Joodse beschaving in het noorden, zeggen ze, en wie is hij om dat te betwisten? Veertien was Meyer Landsman die zomer, en hij ontdekte net de verrukkingen van Joodse vrouwen, die in 1977 ook op hun hoogtepunt geweest moeten zijn. ‘Rechtop in een stoel.’ Hij drinkt het glas leeg. ‘Met een sjolem om’.
Michael Chabon (Washington, 24 mei 1963)
De Russisch-Amerikaanse dichter en schrijver Joseph Brodsky werd op 24 mei 1940 in Leningrad (het huidige St.Petersburg) geboren als Iosif Brodski. Zie ook alle tags voor Joseph Brodskyop dit blog.
Rotterdams dagboek
I De regen klettert. Woensdag. Schemering. ‘k Zie paraplu’s en opgezette kragen. Ze bombardeerden Rotterdam vier dagen, en toen was deze stad herinnering. Niet mensen, steden schuilen als het regent in een portiek. En in een bui beland bewaren straten, huizen hun verstand en roepen niet om zoete wraak, neerzijgend.
II Een hete julidag. Er lekt een wafel ijs op een buik. Een kinderstemmenkoor. Moderne flats, kantoor omarmt kantoor. Le Corbussier deelt dìt met de Luftwaffe, dat beide fanatiek hebben getracht het aanzien te veranderen van Europa. Wat rest na ’t razend spel van de cyclopen wordt op een tekentafel koel volbracht.
III De tijd heelt, maar hoe heilzaam ook die kracht, een beenstomp kan van middel doel niet scheiden, heeft van een panacee nog meer te lijden, en jeukt. Een jaar of dertig later. Nacht.
We drinken wijn en voeren dialogen in een gebouw dat naar de sterren reikt – op een niveau dat eerder werd bereikt door hen die hier destijds de lucht in vlogen.