Ik was elf toen ik de laatste keer een kruisweg heb bijgewoond. Ik herinner me dat het erg lang duurde en dat je de hele tijd moest blijven staan, ongetwijfeld om een beetje inlevingsvermogen op te wekken met wat Christus had ondergaan. Op de tiende statie staat hoe Christus van zijn kledij wordt beroofd, als hij op de plaats van terechtstelling is aangekomen. De scène symboliseert dat de redder van de mensheid door diezelfde mensheid van alle waardigheid wordt gestroopt. Mensen die in het openbaar worden uitgekleed, zijn als honden die worden aangekleed: de vernedering is bijna tastbaar.
Het is voor de schrijver Elias Canetti een reden om het katholicisme bij de klaagreligies onder te brengen. De collectieve herdenking van de vernederingen van een volk, of van zijn leiders, zien we ook in onze tijd nog vaak terug, en leidt makkelijk tot collectieve wraakgevoelens en andere negativiteit. Om die reden leek het me zinvol om na te gaan of er nog een andere betekenis is te vinden in de scène van de kledingroof.
In het Nieuwe Testament staat niet dat de kleren worden afgenomen, maar dat de soldaten erom dobbelen. Dat is een verwijzing naar Psalm 22, waarin deze voorspelling staat: “Ze verdelen mijn kleren en werpen het lot om mijn gewaad.” Toen van de bestaande bedevaart naar Jeruzalem een thuisbioscoopversie gemaakt werd voor de Europese kerken, verschoof de aandacht van het dobbelen naar het afnemen van de kledij. Oorspronkelijk werd het verdelen zelf van de kledij niet als een vernedering gezien, want bij executies waren de bezittingen van de veroordeelde standaard een verloning voor de soldaten. Het dobbelen, daarentegen, verwijst naar het weggooien van de principes waarvoor Christus opkwam: morele richtlijnen worden vervangen door het lot. Wie een beetje naar Christus geluisterd had, zou zijn kleren eerlijk verdelen, of aan een arme geven, maar er zeker niet om dobbelen.
Dat inzicht kan ook nu nog iedereen helpen. Als je al het goede dat je overkomt, alleen nog ziet als louter toeval, wordt het minder zinvol om ernaar te streven en kun je er niemand voor bedanken. Ook als een ander iets goeds voor jou doet, verbleekt dat ineens tot een toevallig samengaan van ieders eigenbelang. Je kunt niet ontkennen dat toeval bestaat, maar als je alleen toeval kunt zien, dan mis je een zintuig voor gevoelens van hoop, dankbaarheid, plicht, geloof, en nog een heel circus aan deugden.
Maar ook de versie met de focus op de vernedering van het uitkleden kun je nog als een positieve metafoor zien. Daarin wordt ook het moment herdacht waarop Jezus, zoals beloofd, gelijk wordt aan “de minste van zijn broeders”. Het zet hem op gelijke voet met een hulpeloze baby, een willoze zwakzinnige, of een oudje dat gewassen moeten worden. Voor een gelovige is het een teken van zijn goedheid voor de armen, maar ook voor de ongelovige zit hier een stukje levenswijsheid. In Filosofische kruimels ziet Søren Kierkegaard in die gelijkwording met de verschoppeling een les over hoe wij, nietige mensen, moeten omgaan met dingen die we als absolute waarheid ervaren.
Stel dat er een soort algemene waarheid zou bestaan, dan zou die niet als kennis tot ons kunnen komen. We zouden kennis van het absolute niet begrijpen en pakweg een ervaring van eeuwigheid niet eens overleven. De enige manier waarop een algemene waarheid ons kan bereiken, is de ervaring dat ze zich ‘wil laten kennen’. En dat kan alleen doordat ze zich laat verfrommelen tot we kunnen voelen dat ze om ons geeft. Om oprechte liefde te kunnen tonen aan een nietige mens, volstaat het niet dat God zich als nietig mens zou voordoen, hij moest alles doorstaan dat de laagste der dienaren moet lijden. Zo is het ook met de waarheid. Wie beweert een of andere algemene waarheid te kennen, vergeet dat hij alleen de verfrommelde versie kan zien, en miskent dat hij er alleen toegang toe heeft omdat die waarheid zelf alle mensen liefheeft. Dat is een dwingende les in bescheidenheid voor al wie graag de waarheid verkondigt





