NIEUW: Blog reclamevrij maken?
Inhoud blog
  • F. 22 BASILIEK (interieur)
  • F. 32. UITVALSWEG NAAR NINOVE
  • F.21 SERVAIS (ADRIEN - FRANCOIS)
  • F. 28 DE ZUIDOOSTELIJKE OMSLUITING
  • F.01 HISTORIEK
  • E. SAMENVATTING
  • D. VRAAGBAAK
  • C. VERANTWOORDING
  • B. DOELSTELLING
  • A. VOORSTELLING
    HALLE door de eeuwen heen
    HALLE (in beeld)
    09-07-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.

    39.1  IJZERWEGSTRAAT
             _________________

            Aan de rechterzijde van het oude stationsplein, voorbij de bareel, liep de doodlopende IJzerwegstraat. Tussen de spoorlijn en het kanaal Brussel - Charleroi bevond zich de houthandel van Leon Emile Malbecq (ill. 39.1.1) . Hij was de zoon (° 23 maart 1860) van Jean-Baptiste (cabaretier/herbergier) en Amelie Houbrechts, wonende op (de) Sint-Rochus(straat). Het Noorse hout werd via het goederenstation van Halle aangevoerd.

    In het begin van de straat, achter het hotel "A la Vue de la Station" (ill. 39.1.2), gehouden door N. Degrève - Degreef, stonden in 1907 enkele woningen. De gebouwen en de loodsen van de houthandel situeerden zich onmiddellijk achter de bestaande panden. Zowel aan de straatkant, als langs het tegen-jaagpad, was de uitbating bereikbaar.

    Op het einde van de straat bezat Leon Malbecq een groot bebost domein, achteraan begrensd door de afbuiging van de spoorlijn Halle - Edingen (ill. 39.1.6), waarin hij een prachtig kasteel (ill. 39.1.7) met verschillende gastenkamers liet bouwen. Ze verschaften overnachting aan prominente nationale en buitenlandse gasten o.m. aan deze van "Les Ateliers de Construction de Hal", in 1898 overgenomen van "Les Ateliers J.L. Lecocq".

    Iets verder in de straat stond een klein, in 't geel geschilderd huisje, dat toebehoorde aan de spoorwegmaatschappij.
    Dit was van 1923 tot 1933 de woonst van Jean-Baptiste Tordeurs, verantwoordelijke voor de wissels. Hij moest deze in 't begin trekken met de hand en in de winter stro eronder verbranden om ze ijsvrij te houden. Tevens stond hij het hele jaar door in voor het smeren ervan en diende hij de signalen (houten geverfde planken) op doorgang of verboden doorgang te plaatsen. Ook bij valavond moest de olielamp, carbuurlamp of andere verlichting aangestoken worden en eventueel bijgevuld. Bij mist of donker weer brandde ze dag en nacht.

    De spoorweg te Halle had toen slechts twee sporen, Brussel - Parijs, het linkse spoor en Parijs - Brussel, het rechtse.
    Op 17 april 1929 moest een goederentrein, die uit Brussel kwam, afslaan naar Edingen en dwarste dus noodzakelijkerwijze het spoor Parijs - Brussel (ill. 39.1.3). Ingevolge de mist had de machinist van de exprestrein uit Parijs het stopsein te laat opgemerkt en knalde met een snelheid van 80 km per uur, tegen de goederentrein (ill. 39.1.4). Elf doden en 55 gekwetsten werden in het huisje binnengebracht en in de keuken op lakens en dekens uitgespreid, om verder op draagberries, langs de houthandel en het tegen-jaagpad, naar het station van Halle gedragen te worden. De gekwetsten werden afgelegd op de stationsbanken, terwijl de doden in de hall van het goederenstation werden ondergebracht. Met een vrachtwagen werden ze naar de kliniek gevoerd.
    De IJzerwegstraat was versperd door de locomotief die er op zijn linkerzijde bijlag, zeer dicht bij de huizen (ill. 39.1.5).

    Op het einde van de straat bezat Leon Malbecq een groot bebost domein, achteraan begrensd door de afbuiging van de spoorlijn Halle - Edingen
    (ill. 39.1.6), waarin hij een prachtig kasteel (ill. 39.1.7) met verschillende gastenkamers liet bouwen. Ze verschaften overnachting aan prominente nationale en buitenlandse gasten o.m. aan deze van "Les Ateliers de Construction de Hal", in 1898 overgenomen van "Les Ateliers J.L.Lecocq".

    Aan de linkerkant van de ingang langs de IJzerwegstraat, stond een hoge conciërgewoning uitgerust met een vierkante bakstenen toren, met het puntdak gericht naar de ingang en dus ook naar het kanaal (ill. 39.1.8). De straat liep door in het domein en eindigde op een langwerpige lus ter hoogte van de zwaaikom in het kanaal.

    Het parkdomein (ill. 39.1.9) was volledig afgebakend met betonnen platen en palen waaraan ijzerdraad de toegang verhinderde. Het omvatte eveneens luxepaardenstallen, koetshuizen, serres, een grote koepelvormige volière en met achteraan in het park een tropische plantenserre. Omzeggens alles werd afgebroken en is verdwenen of ligt er in totaal vervallen toestand bij, zoals, o.m. nog het geraamte van de volière (ill. 39.1.10), die van op het jaagpad nog zichtbaar is (ill. 39.1.11).

    L. Malbecq verkocht zijn domein aan de gebroeders Emile-Jean en Jean-Joseph-Charles Boterberg. Uit de kiezerslijsten van 1907/1908 blijkt dat hun adres genotuleerd stond zonder straatnummer maar wel als "Château du Cocq".
    Deze benaming is mij nog steeds onduidelijk.

    Feit is, dat uit de lijst van de kiesgerechtigden van 1919 blijkt dat het huis nr. 1 toen bewoond was door Leon Malbecq (houthandelaar) en de laatste woning nr. 9 toebehoorde aan Boterberg Jean-Joseph-Charles ("propriétaire" / eigenaar).

    Na de tweede wereldoorlog (1952) werd de houthandel aan de zagerij OST verkocht. Deze werkte toen, achter in een smalle gang, naast het café van Jean Jacmin, aan de Suikerkaai. Vader Ost had vier kinderen en verschafte ze allemaal een opgekochte houtzagerij.

    Roger Ost, uit de Devlemincklaan, kreeg een zagerij in Lot toevertrouwd.
    Zijn jongere broer Marcel (°31-03-1927  +10-06-1996) verwierf de zagerij in Halle. Op 24 april 1953 trad hij in het huwelijk met Simone Anguille. Zij vestigden zich op 02-12-1975 in de Jean Jacminstraat, nr. 56.
    Maurice bekwam een zagerij in Maaseik, maar installeerde zich, na enkele jaren, in Baulers (Nijvel) en ten slotte verkreeg de dochter, getrouwd met Dewreker, de zagerij in Sint-Pieters-Leeuw (Tobie Swalusstraat) die nu nog bestaat, dicht bij de Alsembergsesteenweg.

    Ten slotte werd de ganse site, kasteel incluis, onteigend en gesloopt in de jaren zeventig met de bedoeling er een brug te bouwen, die, over de spoorweg en het kanaal heen, de Vogelpers rechtstreeks zou verbinden met het Bevrijdingsplein. Verschillende projecten bleven echter onuitgevoerd en werden definitief opgedoekt met de komst van de hoge snelheidstrein (HST), die een volledig nieuw landschap aldaar heeft geschapen.

    39.2   STATIONSPLEIN
               ----------------------

    Het is niet eenvoudig om zich een goed beeld te vormen van het zuidelijke deel van Halle zoals het eruitzag vóór de Belgische Onafhankelijkheid in 1830, i.a.w. zonder het kanaal Brussel – Charleroi en de spoorlijn Brussel – Bergen.

     

    In 1827, onder Willem I, koning van de Verenigde Nederlanden (ill.39.2.1), werd de eerste spadensteek voor het kanaal in Brussel gegeven en in minder dan zes jaar, op 22 september 1832, vertrok reeds het eerste kolenschip vanuit Charleroi en bereikte Brussel drie dagen later. Zo ontstond de kanaalverbinding Antwerpen -Willebroek - Brussel – Charleroi (ill. 39.2.2).

     

    Op 27 mei 1840 werd door de Maatschappij der Belgische Spoorwegen, sinds 1926 de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (NMBS), het eerste traject tot Tubeke van de zuiderspoorlijn nr. 96 Brussel (St. Gilles) – Bergen – Quévy ingehuldigd door koning Leopold I.

    Van de spoorlijn nr. 94 Brussel – Halle – Doornik was toen nog geen sprake. Het eerste gedeelte tot Ath was slechts klaar in 1850 (ill.39.2.3).

    Beide  lijnen bestonden slechts uit twee sporen, één in elke richting, en de

    Reizigers moesten in Halle de rails oversteken om de uitgang te bereiken.

    Later werd  Halle ook het eindstation van spoorlijn 26 naar Schaarbeek

    Het lag links van de lijnen 94 en 96 en verzekerde het traject naar Vilvoorde en Mechelen.

     

    Het stationsplein is derhalve van vrij recente datum en ontstond in 1840 bij de aanleg van het eerste Halse station, dat als “Bureaux” werd aangeduid. Het werd tamelijk dichtbij de kanaalbrug, de ‘Bospoortbrug’ en de toegangsweg naar St. Rochus – Essenbeek (Hallerbos) - Nijvel aangelegd, zodat er nauwelijks van een plein kon worden gesproken. Het station stond dwars tussen het kanaal en de spoorlijn (ill. 39.2. 4).          

     

    Omstreeks 1870 hield de ‘Dikke Bazin’ op het stationsplein, tussen de IJzerwegstraat en het tegenjaagpad, “Le Prince Cardinal” open. Deze benaming herinnerde aan Ferdinand, de infant van Spanje, die over de Zuidelijke Nederlanden regeerde van 1634 tot 1641.

     

    In 1887 werd een nieuw decoratief station (ill.39.2.5) in neo-Vlaamse Renaissancestijl gebouwd naar een ontwerp van de befaamde architect Henri Fouquet, die ook de stations van Leuven en Herenthals tekende.    De inplanting vond plaats achter het oorspronkelijke gebouw, richting Buizingen, zodat, na de afbraak van het eerste station, het stationsplein heel wat ruimer uitviel.

     

    Het station speelde een belangrijke rol in de stedebouwkundige en industriële ontwikkeling van de stad in de 19de eeuw.

    Het station werd volplastisch uitgewerkt met drie evenwaardige gevels in baksteen, rijkelijk versierd met blauwe hardsteen. Er werd gestreefd naar een pittoresk uiterlijk door een boeiend spel van puntgevels en onregelmatige verdeling van de gevelvlakken (ill.39.2.5). Opvallend aan het gebouw was de toren met horloge en de geïntegreerde woning van de stationschef aan de voorkant (ill.39.2.6).

    Fouquet volgde de architectuurideologie die toen door de Belgische Staatsspoorweg (en de overheid van dat ogenblik) werd gehuldigd. Men wilde door het gebruik van grote ‘nationale’ stijlen opnieuw aanknopen bij het grootse verleden van het vaderland. De stations moesten derhalve de reizigers een les in architectuurgeschiedenis bieden, en de nationale gevoelens opwekken. Het diende de economische welvaart en de industriële expansie, die Halle in de 19de eeuw kenmerkte, te symboliseren.

     

    Het station van Halle moest een groot aantal reizigers en goederen opvangen, bedienen en verdelen. De ingang van het station leidde tot een ruime hal die toegang gaf tot het bureau van de telegraaf, de loketten, de bagageruimte en de wachtzalen.

    Er was een wachtzaal voor de burgerij (eerste en tweede klasse), met rechtstreekse toegang tot het buffet, en een wachtzaal voor het gewone volk (derde klasse). Beide wachtzalen waren met zorg van elkaar gescheiden, omdat in de derde klasse te veel werd gerookt. Een totaal rookverbod in de openbare gebouwen volgde slechts in 2007.

    Het station van Halle bezat een merkwaardigheid. Het had een uitzonderlijke grote zomerwachtzaal. Deze had een aparte ingang en was bestemd voor de talrijke bedevaarders naar O.L.Vrouw van Halle. Deze reizigers hadden toch al een retourbiljet en moesten niet meer via de loketten passeren.

     

    Een vijftigtal meter voorbij het stationsgebouw gaf een tunnel, in de 20ste eeuw, toegang tot de twee overige perrons.

    Het goederenstation (ill.39.2.7) lag aan de linkerkant van de perrons en was uiteraard rechtstreeks toegankelijk vanaf het stationsplein. Het werd definitief gesloten in 1988.

     

    Het station en de spooroverweg (ill.39.2.8) bepaalden in grote mate het uitzicht en de structuur van de stationswijk. Door hun centrale ligging tussen beneden- en bovenstad, i.a.w. het centrum en de Sint-Rochuswijk, vormden ze een draaischijf tussen beide stadsdelen. Ook de bussen kregen er hun terminus (ill. 39.2.9).

    Het plein werd in het midden versierd met een hoge boom zodat, als het ware, een klein rond punt ontstond.

    Tegen het voetpad langsheen het kanaal werden parkingplaatsen voor gewone voertuigen uitgelijnd, enkel onderbroken door een zebrapad ter hoogte van de in- en uitgang van het station (ill. 39.2.10).

     

    Rond 1925 werd de overweg afgesloten met een rolbareel.  Vanaf  toen zijn er uren gesleten door voetgangers, fietsers en voertuigen wachtend vóór de gesloten overweg.

    Vanaf 1935 konden de voetgangers en de fietsers gebruik maken van een tunnel (ill.39.2.11) aangelegd naast de overweg. Deze kwam uit aan de bushalte in de Vandenpeereboomstraat.

                 

    In april 1994 werd met het slopen van het pittoreske station begonnen    (ill. 39.2.12). Ook het station van de fusiegemeenten Lembeek (ill. 39.2.13) en Buizingen (ill. 39.2.14),  moest plaats ruimen voor de aanleg van de hogesnelheidstrein (HST).

     

    Op aandringen van Monumentenzorg en architectuurverenigingen werden waardevolle ornamenten en stenen zorgvuldig genummerd en voorzichtig gedemonteerd met de bedoeling er later nog iets mee te doen. Het betrof blauwe hardsteen, witte geprofileerde stenen, ankers, smeedwerk, keramiektegels, twee schouwen en een plafondscheidingswand van hout en glas van de buffetzaal.

    De onderdelen van het station werden echter niet op een beveiligde plek voorzichtig gestapeld, maar gedumpt op een weide rechtover het afvalcontainerpark. Elf jaar lang bleven de brokstukken er onaangeroerd liggen

    Uiteindelijk werden ze deels gebruikt als sculpturen (ill.39.2.15) op het nieuwe stationsplein. Het gaat om stukken arduin, sierlijk gekapt, die vroeger rijkelijk de vele gevelvlakken van het oude station sierden.                       Ook (genummerde) stenen werden op het Possozplein gestapeld en verpakt in een vlechtwerk van metaaldraad waar ze als een afschuwelijke plantenbak (ill.39.2.16) dienst doen. De rest, o.m. het stationtorentje (ill.39.2.17), ligt einde 2008, nog steeds te verkommeren in de weide.

    De onderdelen leden onder vandalisme, weer en wind, en naar verluid zouden interessante stukken ondertussen reeds lang verdwenen zijn.

     

    Na vijf jaar hst-werken werd op 17 oktober 1998 het Halse centrum en de Sint-Rochuswijk opnieuw verenigd door het symbolisch doorzagen van een spoorboom van die vervelende bareel (ill.39.2.18), die de stad gedurende vele jaren letterlijk in twee helften kliefde. Langs beide zijden van de verbindingsweg tussen de boven- en benedenstad ligt nu een enorm uitgestrekt plein (ill.39.2.19).

    Langs de kant van de Vogelpers is het aangevuld met een klein plein      (20 m x 20 m) (ill.39.2.20) zo ingericht dat men er levende schaakspelen kan op houden. Daarachter ligt een trappenverhoog dat eventueel als tribune kan benut worden (ill.39.2.21).

     

    Alle doorgaande spoorlijnen werden in Halle in een ondergrondse lange tunnel gelegd (ill.39.2.22). Hierdoor verdwenen de slagbomen, samen met het stationsgebouw en het seinhuis (ill. 39.2.23), zodat het dak van de ondertunneling een enorm uitgestrekt stationsplein tot stand heeft gebracht.

     

    Het nieuwe modernistisch stationsgebouw (ill.39.2.24) bestaat uit een enorme overkapping van een kleiner glazen gebouw (lokettenzaal en café) (ill.39.2.25).

    De sporen daarentegen, die een verdieping lager liggen, werden, buiten de ondertunneling, tot nu toe niet overkapt (ill.39.2.26).

    39. 3    GRAANKAAI   (ill. 39.3)

                _____________           

                

                Deze herinnert aan de agro-industriële bloeiperiode van de stad Halle in de        

                19de eeuw, langs het kanaal Brussel – Charleroi.

                De verbinding tussen Henegouwen en Brussel door middel van een kanaal was een eeuwenoude droom. Het project ging verschillende malen van start: in 1656, in 1698, in 1802 en uiteindelijk in 1826 onder Willem I, koning van de verenigde Nederlanden.

               

                Zoals de naam het laat vermoeden verbindt deze straat langsheen het kanaal de ‘Bospoortbrug’ met het rond punt aan de sasbrug.  Ze is langs de rechterzijde begrensd door de eigendom van de NMBS.

                Het niveauverschil tussen de Graankaai en het nieuw immense stationsplein wordt op een viertal plaatsen overbrugd d.m.v. enkele trappen.

                Voorheen nam de kaai een aanvang vanaf het vroegere stationsplein.

    De verkeersweg is onbebouwd. Enkel de Molens Dedobbeleer (ill. 39.3.1) zijn er sinds de zeventiger jaren geïnstalleerd op de plaats waar vroeger het Nederhemhof was gesitueerd.

     

    De geschiedenis van de Molens Dedobbeleer aan de Molenborre in het centrum van Halle werd reeds uitvoerig beschreven bij de behandeling van de ‘Tweede Omwalling’ (2002 – 2003), onder punt 6 Molenborre.

     

    In het laatste kwart van de 20ste eeuw bestond de site aldaar nog slechts uit braakliggende terreinen, vervallen werkplaatsen, oude pakhuizen en veel leegstaande panden.

    Toen in 1970 de bloemmolen door brand volledig werd vernield besliste de familie Dedobbeleer om het bedrijf elders opnieuw op te richten.

     

    Uiteindelijk sloot de stad met haar een overeenkomst af waarbij hun eigendom met de molen werd ingeruild voor de oude wijk Nederhem     (ill. 39.3.2), gelegen aan de overkant van het kanaal, ter hoogte van het sas van Halle.

     

    Overhaast werd een moderne molen (ill. 39.3.3) opgetrokken en later verder afgewerkt met een aanzienlijke aanbouw langs de linkerkant        (ill. 39.3.4).

    Tussen 1980 en 1990 volgde nog een uitbreiding van de opslagmogelijkheden door nieuwe silo’s op te richten (ill. 39.3.5) en een depot langs de Roggemanskaai aan te kopen (ill. 39.3.6)

    .

    De naamloze vennootschap is gespecialiseerd in veevoeders (paardenvoeding), meststoffen, mineralen en zaaigranen.

    Het graan wordt er vermalen tot meel en geeft als eindresultaat verschillende soorten bloem, o.m.:

     

    a)      Boekweitbloem, die gebruikt wordt om brood en pannenkoeken te bakken (het zaad van boekweit is trouwens zeer honingrijk);

    b)      Artica: zeer sterke bloem, geeft producten met een groot volume;

    c)      Boerenbloem: inlandse bloem zonder toevoegingen en zonder verbeteraar;

    d)      Edelweis: all round bloem, wordt zowel gebruikt voor broodbereiding als voor de patisserie, klein gebak, cakes, …;

    e)      Campagne: inlandse bloem;

     

    f)        Campina: extra inlandse tarwe. Onderlinge verschillen bestaan uit

         gewijzigde tarwemengelingen en is aanbevolen voor artisanaal 

         werkende bakkerijen.

     

    In de oudste handvesten van Halle wordt gewag gemaakt van het Hof te Nederhem, “la censse de Nerem”, buiten de ‘Bospoort’, aan de rechteroever van de Zenne (ill. 39.3.7), tegen Buizingen, grondgebied dat deel uitmaakte van het toenmalige hertogdom Brabant.

     

    In de lange rij van boerderijen (winning, winhof of geleeg) bekleedde Nederhem de eerste plaats, omdat deze hoeve, sinds de wordingsgeschiedenis van de stad, deel uitmaakte van de “réserve” van de heer. Deze omvatte een omheinde hofstede met bijgebouwen (huizen), landerijen, weiden, vijvers en bossen (ill. 39.3.8).

    Een vijver lag buiten de stadsmuren, ter hoogte van het Vondel, maar verdween bij het graven van de Leide. Wat overbleef werd terug omgezet in weiland.

    Zeven eeuwen lang bleef  Nederhem de voornaamste buurt van Halle.

     

    De naam is een heimnaam en gaat terug tot de Frankische periode. Hiermee wordt bedoeld een lager (neder) gelegen heem (hem, woonplaats).

    Noch in het Polypticom (Register van de belastingplichtige boerderijen en personen)van 1194, noch in dat van 1278, komt de benaming Nederhem voor.

     

    In 1279 duiken in de rubriek ‘vrije cijnslieden, opgesteld in opdracht van het kapittel van Bergen, reeds de namen van Jan en Joannes van Nedrem op, als pachters van 15 bunders cijnsland.

    Vermoedelijk vindt de geslachtsnaam Van Nerom er zijn oorsprong.

     

    In 1331 verkocht de heer van Montigny het voogdijrecht en een jaar later de meierij aan de graaf van Henegouwen.

     

    Uit het renteboek van 1381, opgesteld in naam van laatstgenoemde, blijkt dat de graaf  32,5 bunder labeurland bezat, zonder rekening te houden met de hofplaats en de 5 dagwant 16 roeden weiland (Agebruec).

     

    Vanaf 1382 komt de naam Nederhem meermaals voor bij de grote werken die toen aan de vestingen van de stad, het kasteel en de Zenne werden uitgevoerd.

     

    Op ’t einde van de 14de eeuw werd een deel van de gronden van Nederhem aan de stad Halle afgestaan, om er de nieuwe stadswallen op te bouwen en er watergrachten aan te leggen. De stad moest hiervoor aan de graaf en zijn opvolgers een eeuwigdurende rente betalen. Dat was zelfs nog zo in 1749. Dit gebeurde eveneens bij het graven van de Leide ( Ley(d)e, Leie ) tussen 1400 en 1404, als kunstmatige arm van de Zenne en tevens als verdediging  van de stad (ill.39.3.9).

    Het was in feite een afleidingsgracht (fossé de décharge, de dérivasion) en de benaming zou voorkomen van ’t werkwoord leiden (conduire). Hij diende  om het overtollige water van de Zenne langs een tweede weg te laten wegvloeien en om te verhinderen dat de stad nog zou onderstromen.

                De grote dijk, gelegen tussen de ‘Bospoort’ en de cijns van Nederhem, werd

                voor 70 pond per jaar aan Gille Meurissens verpacht.

               

    Onder de regering van Karel V (° 1500 - +1558) moest Halle nog altijd       

                een jaarlijkse som als rente daarvoor betalen.

    Zijn vader Philips de Schone had echter uit handen van de kerkmeesters van de Sint-Martinuskerk een belangrijke som geld geleend waarvoor het Hof van Nederhem in pand werd gegeven, som die slechts in 1550 werd terugbetaald, zodat de toestand van Nederhem  sinds toen was geregulariseerd.

     

    De graaf van Henegouwen liet dicht bij Nederhem, aan de overkant van de Zenne, binnen de stadsomwalling, een kasteel bouwen. Was Nederhem aanvankelijk zijn hof, dan werd het vanaf dat ogenblik een gewoon landbouwbedrijf dat in pacht werd gegeven.

     

     

    In 1712 pachtte Pierre de Nayer de cijns, die bestond uit 34 bunder, 3 dagwanden en 72 roeden (land en weide) voor 400 fl. per jaar.

    Zoals normaliter werd de huurceel voor 9 jaar opgemaakt. 37 jaar later was de pachtprijs al verdrievoudigd! De meeste gronden van Nederhem lagen nabij de Buizingenstraat, de Broekborre, de Biescauter en in Rodenem.

                In 1789 kwamen er nog 3 bunder bij.

     

    In 1823 was N. Van Bossuyt de pachter. Het stuk weg, dat boven aan de Meiboom vertikaal doorliep en rechtstreeks aansloot op de Steenweg naar Gaasbeek, heette toentertijd de ‘Van Bossuytweg’. Toevallig of niet, de verbindingsweg tussen Nederhem en Gaasbeek.

     

    Bij het aanleggen van de nieuwe stadswallen, rond 1381 – 1382, liep enkel de Zenne tussen de hofplaats en de stad. De Leide bestond toen nog niet.Vermits al de gebouwen en de toren van Nederhem te dicht bij de vesting stonden, liet de heer ze afbreken en de grond werd aan de stad gegeven om hem te veranderen in water (vijvers) om op die wijze de stad beter te kunnen beschermen in geval van belegering door vreemde troepen.

    Bij eventuele bezetting door belegeraars, konden die van hieruit makkelijk een bruggenhoofd uitbouwen voor een verdere bestorming van de stad.    

     

    Aan de zuidwestelijke kant van de stad lag de ‘Grote Vijver’, die voorheen een weide was geweest en aan het Hof van Nederhem toebehoorde. Hij was tien dagwand groot.

     

    Het Nederhemhof werd opnieuw opgebouwd een eindje verder op de plaats waar nu tussen het kanaal en de spoorweg de molens van Dedobbeleer staan. Vóór deze er werden geïnstalleerd stond hier een sociale woonwijk (ill. 39.3.10) en nog een restgebouw van het vroegere Nederhemhof. Vooraan, bij de toegang tot de huizengroep stond het gezellig ‘café ’t Sas van de weduwe Van Cutsem, ook bekend als  ‘bij Irène’ (ill. 39.3.11).

     

    Deze plaats, waar het nieuwe Nederhem op het einde van de 14de eeuw werd opgetrokken, lag langsheen de oude weg naar Buizingen en tevens ook de oude heerbaan (ill. 39.3.12) naar Brussel toe. Deze oude heerbaan werd trouwens afgesneden van het stadscentrum door de stadsversterkingen (1382 – 1392) en verloor al vroegtijdig elke betekenis.

     

    Eén van de meest bekende cijnspachters van Nederhem was in 1455 Martin Frienart. Die had eigenhandig René d’Anjou, o.m. hertog van Lotharingen en koning van Sicilië, gevangen genomen op het slachtveld van Bulligneville.

    Filips de Goede, hertog van Bourgondië en heer van Halle in opvolging van de graaf van Henegouwen, liet hem in Dijon opsluiten. Dit gebeurde in het kader van de Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland met Bourgondië als derde partij.

    Martin Frienart kreeg als beloning het baljuwschap van Halle en de uitbating van het Hof te Nederhem tot aan zijn dood in 1475 toegewezen.

     

    Halle, dat de kant van Maximiliaan van Oostenrijk had gekozen, vreesde voor een aanval vanuit Brussel, dat bezet was door Filips van Kleef, voorheen de vertrouwensman en veldoverste van Maximiliaan, maar die zich tegen hem had gekeerd. In 1489, tijdens het beleg van Halle door betrokkene, had de hoeve van Nederhem zodanig onder brand geleden, dat er nood was aan een nieuwe schuur.

    De graaf van Henegouwen had daarvoor een oude schuur in Pepingen aangekocht. Zij was zestig voet lang, 20 voet breed en 17 voet hoog.

    De schuur werd naar Halle overgebracht om op het Hof van Nederhem opnieuw te worden opgebouwd!! De koopsom bedroeg 148 pond.

    Het afbreken alleen had 18 pond gekost, doch het grote werk was het vervoer en vooral het ineenzetten van de oude stukken te Nederhem zelf.

    Vier landbouwers hadden hun paarden en wagens ter beschikking gesteld en legden het traject naar Halle 55 keer af voor de som van 100 pond. Daarbij kwam nog nieuw hout om gedeeltelijk die oude brol te vervangen. Aangezien de landbouw schier alleen de allervoornaamste nijverheid was werden schuren erg op prijs gesteld en was de prijs ervan navenant.

     

    Vanaf 1517 baatte de familie Haeck het hof uit, eerst door vader Daneel, later door zijn zoon Gilles. In 1580 werd de hoeve totaal vernield  tijdens het  vergeefse beleg van Halle door Olivier van den Tympel, gouverneur in Brussel voor de Prins van Oranje en aanvoerder van de Calvinisten (ill. 39.3.13).

    Vele gebouwen, ook rondom de stad , werden uit wraak verwoest.

     

    De heer van Halle was in 1566 nog steeds de Spaanse koning. De grond van Nederhem omvatte toen 34 bunders en de pacht was afgesloten voor negen jaar met startdatum 15 mei 1562.

     

    Het pachtland was onderverdeeld in drie grote percelen (royes, nu rooien = al het labeurland dat tussen twee beken ligt). In het Spaans “arroyo”, dit is beekje::

     

    a)      het ‘Abelenveld of Abelenkouter’, ook ‘Ysingenbroek’ genaamd               (8 bunders) werd begrensd door de Broekborre, de Eizingenweg,de Karel Nerinckxlaan tot aan de grens met Buizingen (= Brabant), de Villalaan, de Kromstraat en de huidige Ysayestraat.    

          De benaming verwijst vermoedelijk naar één of meerdere ratelpopulieren 

          die op het landgoed stonden.    

     

    b)      de ‘Achtbunders’ (8½ bunders akkerland) en de ‘Lange Weide’ ook ‘Agebruec’ genoemd (2 bunders weiland), was gelegen achter de ‘Abeelkouter’ en strekte zich uit tot aan het Smeerhout (Bleukenstraat) en de ‘Kluis’. Deze benaming is te vereenzelvigen met de kluis, die eertijds op het grondgebied van Buizingen zou gestaan hebben.           Ook de kapel van het Kluisbos (ill. 39.3.14) wordt gewoonlijk als ‘Kluis’ omschreven. Doch deze kapel werd maar in 1615 gebouwd. De ‘Kluis’ lag op de grens van Brabant en ressorteerde onder de plaatsnaam ‘Vogelkensgat’. Het  was echter de ontvanger van Henegouwen die de opbrengst ervan moest innen. Bijgevolg behoorde ze wel degelijk tot Henegouwen en geenszins tot Brabant, Dientengevolge maakte ze deel uit van het Halse grondgebied en niet aan dat van Buizingen. Eigenlijk lag de oorspronkelijke hermitage in het ‘Halderbosch’, maar daarvan is nu niets meer te ontwaren.

    Een boerengedoe langs de Bleukenstraat, dicht bij de kapel van Loretten (ill. 39.3.15), heette ‘Den Blauwen’, waarschijnlijk zo geheten omdat het grotendeels gebouwd was uit blauwen steen van Klabbeek.

    In 1691 was het een brouwerij met de naam ‘Hooghen Blauwen’.

    Het hedendaagse café aldaar gelegen heeft als uithangbord de benaming ‘In de Kluis’ aangenomen (ill. 39.3.16).

     

                c)   de ‘Rooi Ghiskieres (11 bunders) waarvan een groot deel lag op het

                      ‘Hemelrijckveld’, gelegen tussen de Villalaan, de Halleweg en de  

                      Kruisstraat.

     

    Er waren gewoonlijk drie rooien, omdat toentertijd de landerijen op zulke wijze gebruikt werden, dat er alle drie jaar een derde onbezaaid bleef.

    Het eerste jaar werd koren gezaaid, het tweede kleine graden en het derde jaar mocht het veld rusten. Om nu alle jaren koren en kleine granen te kunnen oogsten werden twee der drie rooien overhand gezaaid. Van daar komt nog het aloude gebruik om te verhuren voor 3, 6 of 9 jaar.                 

               

    Al die landerijen lagen op de palen van Brabant, dicht bij Buizingen en, rond 1663, alleszins kort bij de vijver van ‘Asbroek / Asbroucq’. Zij strekten zich uit tot aan de ‘Kluis’.

     

    Wanneer in 1652 de familie van Arenberg het oude Halse domein koopt  is daar uiteraard ook Nederhem bij. Uit een akte van 1808  blijkt dat de pacht 38 bunders omsloeg.

    Na de eerste wereldoorlog (1914 – 1918) werden de van Arenbergs verplicht hun bezittingen in de streek te verkopen. Daarvan was wel een stuk verdwenen want intussen was op hun grond het kanaal Brussel – Charleroi (1828 – 1832) en het spoor Brussel – Bergen (1840) aangelegd.

     

    Nederhem was de “réserve” van de heer en het is als dusdanig niet uitgegroeid tot een eigen heerlijkheid. Het bleef steeds rechtstreeks onder het beheer, eerst van het kapittel van Bergen, later van de lekenabt, de graaf van Henegouwen en van zijn opvolgers.

     

    De heer bezat nog rechten o.a. op de cijns van Nederhem, met schuur, stallen en andere bijgebouwen met daarbij 30 bunders landbouwgrond en  4 bunders weide.

     

    Nederhem was niet enkel een boerderij. Er waren ook inkomsten van cijnsgoed en leengoed.. Het bezat ook goederen in de stadskern, o.m. in de Volpestraat en de Dekenstraat maar ook ver er buiten o.m. te Elbeek, op ‘Paddenbroek, te Scheyssingen, te Wedem, te Essenbeek … De graaf heeft niet alles voor zich gehouden

    Uit het renteboek van 1381 blijkt dat Nederhem over 199½ bunders beschikte, waarvan 121,5 bunders leengoed en 36½ bunders cijnsgoed. Daarbij kwam dan nog de “réserve” van de graaf.

     

    Dicht bij de hoeve lag het ‘Hof van het bos van Asch (1632) en langs de zijde van de stad, paalde ze aan het ‘Leyeblock’ (1641).

    De Leide werd gegraven door de weide waar men de brieken bakte = de ‘Quareelbeemd’. Deskundigen kwamen het grootse werk gadeslaan en beoordelen.

    De stad bezat inderdaad een voorname steenbakkerij, waar jaarlijks karelen uit verkocht werden. Die kareeloven lag op de ‘Quareelbeemd’, buiten de ‘Bospoort’, dus tussen de Zenne, de Leide en de ‘Bosstraat’.

    Onder de rubriek karelen moet ook kalk worden verstaan. De kalk kwam van het ‘Calchof’ en toen men de Leide groef moest men door het ‘Calchof’ delven. ‘Kalkhof en Kareelhof’ hebben o

    mzeggens dezelfde betekenis.

                De stad Halle bezat ook een achterleen van Woudenbroek, nl. de Leide zelf,        

                voorheen weiden en landbouwgrond.

     

    Daar Halle een belangrijk centrum was werd er ook een goederenstation      (ill. 39.3.17) opgericht tussen de spoorweg en het kanaal ter hoogte van de perrons. Een bijkomende reden was het bestaan van “Les Ateliers de Construction de Hal” die grote ijzeren constructies, o.m. bruggen vervaardigde en daarvoor een rechtstreekse aansluiting met de spoorweg nodig had (ill. 39.3.18)
     

    09-07-2007 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (24 Stemmen)
    >> Reageer (3)
    24-06-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.F. 22 BASILIEK (interieur)
       1. Onze-Lieve-Vrouwkapel
             - - - - - - - - - - - - - - - -
    Met de komst van het Mariabeeld in 1267 groeide Halle uit tot een bekende bedevaartstad. De eerste kerk, toegewijd aan Sint-Martinus, was gebouwd op de plaats waar nu de huidige toren en het kerkschip staan, doch werd weldra veel te klein door de grote toeloop van bedevaarders. Om hieraan te verhelpen werd, aanleunend tegen het koor van de primitieve kerk, de O.L.V.-kapel gebouwd.

    Zoals blijkt uit een perkament bewaard in het kerkarchief bestond de O.L.V-kapel alleszins vóór 1335. Op 4 mei van dat jaar verleenden achttien bisschoppen, verenigd in het pauselijk paleis te Avignon (Fr.), velerlei aflaten aan al wie naar Halle op bevevaart kwam.
    De kapel werd opgetrokken nog voor aan het opzet van het koor en de herbouw van het schip met zijn zijbeuken was gedacht, m.a.w. vóór men de volledige herbouw van de kerk aanvatte in 1341. Zij was voor de middeleeuwse bedevaarders het eigenlijke heiligdom, de 'Heilige Kapel' genoemd. Hier troonde het wonderbeeld dat slechts bij uitzonderlijke grote feesten tijdelijk naar het hoogkoor werd overgebracht. Het was dan ook in deze kapel dat de kostbaarste schatten werden bijeengebracht. Pas in 1866 is de overplaatsing definitief geworden en heeft de kapel haar eigen oorspronkelijke bestemming verloren. Zij laat nu een kale en povere indruk na.

    Door de latere aanbouw van de andere kerkdelen (schip, koor, sacristie) verloor de kapel ook een belangrijk deel van haar luister o.m. de versiering van haar rechterzijde.

    De bovenbouw moet een echt glazen schrijn zijn geweest aangezien pas veel later, tijdens de restauratiewerken, de vensters in de rechterzijde vervangen werden door de linkerkoormuur en anderzijds de onderste geledingen werden gedicht bij de aanbouw van de sacristie.
    De kapel is vierkant en, tot boven toe, helemaal afgeschermd door de koormuur, waarin slechts een betralied vierhoekig venstertje voorkomt. Ze bevat wel een flamboyant kruisgewelf.
    Vanaf 1904 werden terug enkele brandglasramen ingezet. Zij stellen de geschiedenis van het Madonnabeeld voor en verheffen het aanzicht van de kapel.

    De kapel ligt ingesloten tussen de barokke sacristie en het hooggotische koor. In 1905 werd de vloer die meerdere niveauverschillen telde, opgetrokken tot op het niveau van het hoogkoor. Binnen ligt de vloer acht treden hoger dan deze van het schip maar dit is wel degelijk het oorspronkelijke peil van de kapel, die een benedenverdieping had. De vensters hiervan, nog voorzien van hun oorspronkelijk traliewerk, zijn te zien vanuit de kelders van de sacristie. Van het vroegere gewelf is niets bewaard gebleven omdat, in de 18de eeuw, het peil van de kapelvloer werd verlaagd tot het peil van het schip. Het grootste deel van de benedenverdieping werd hiertoe opgevuld met steenbrokken.

    De eerste travee aan de rechterzijde was vroeger verbonden met het hoogkoor en droeg het tribuuntje van de O.L.V-kapel. Een vierlobbig venster gaf aan de gelovigen de gelegenheid om van in het kleine koor een blik te werpen op het hoogkoor.
    In 1908/1909 werd de tribune en de vensteropening in de rechtermuur toegemetseld.
    Naar het schip toe was de O.L.V.-kapel afgesloten door een gotisch doksaal, dat op zes zuilen rustte. Het was rijk versiert met beeldhouwwerk. Het doksaal bevatte drie bogen en door de tralies kon men een blik naar binnen werpen.
    Het was bereikbaar langs de trap die verscholen ligt achter het deurtje in de noorderbeuk, links van de Trazegnieskapel en waarvan de traptoegang in het buitentorentje ook nog een overblijfsel is.

    In 1621 deden de jezuïeten hun intrede in Halle. Hun eerste taak bestond erin de O.L.V-kapel te ontdoen van alle belachelijke en bijgelovige voorwerpen.

    Het doksaal werd afgebroken in de eerste helft van de 18de eeuw.
    Ter vervanging kreeg de O.L.V.-kapel, in 1754, een koorafsluiting in gesmeed ijzer, geflankeerd door twee barokke altaren, naar analogie met het hoogkoor.

    Als troon voor het Madonnabeeld lieten de jezïeten in de 17de eeuw, een barokke altaar optimmeren. Heel de kapel, zoals het groot koor ten andere, werd tijdens die periode met hoge wanden bezet; de architectuur van bogen en zwikken werd verstopt of verminkt.

    Op 2 september 1773 schafte Maria-Theresia echter de jezuïetenorde af en werden al hun bezittingen in beslag genomen.

    Bij de restauratiewerken van 1883-1886 werden het hekken, het altaar en de lambriseringen in het benedendeel van de O.L.V.-kapel verwijderd. Ook het beeldhouwwerk werd hersteld. Door deze werken en door de ontkalking van de muren kwamen de resten van de 15de eeuwse wandschilderingen te voorschijn, die ooit gans de Mariakapel hadden versierd.

    Het barokke altaar werd aan de Sint-Elisabethkerk in Bergen verkocht. Bij de ontmanteling werd echter vastgesteld dat het vermolmd was en nagenoeg onbruikbaar.
    Zowel de communiebank als de barokke triomfboog werden ook verwijderd.

    Het huidige altaartabernakel, een gift uit 1637 vanwege Maria Margareta de Berlaymont, gravin van Egmont, uitgevoerd in eik en ebbenhout, is belegd met gedreven zilveren motieven. Het linkerdeurtje stelt de hogepriester voor die aan David de twaalf offerbroden geeft, terwijl rechts het laatste avondmaal is verbeeld. Daarboven verheft zich een Christuskruis in gegoten zilver, waarschijnlijk een geschenk van de Broederschap van Dinant; hieraan zou het kleine beeldje van O.L.V van Foy (bij Hoei), dat op de sokkel prijkt, herinneren.

    De belangrijkste muurschilderen bevonden zich in de Mariakapel. Ze waren met niet minder dan zeven lagen verfstof en witsel beklad.
    De gewelven toonden twintig engelen tegen een blauwgroene achtergrond en gingen terug tot omstreeks 1400. Onderaan waren, tussen blindbogen, op natuurlijke grootte apostelen en aardsvaders geschilderd. Ze dateren uit de eerste helft van de 16de eeuw.
    Het belangrijkste paneel was de annunciatie, in een blindvenster rechts boven het altaar afgebeeld.

    Van de 19 zwikken zijn er slechts enkele nog oorspronkelijk o.m. deze boven de doorgang naar het hoogkoor: een van de drie koningen, drie zwikken met evangelisten en twee met koningen. Bij de restauratiewerken kwamen er nog twee te voorschijn: een afbeelding van het kindje Jezus in de wieg en een voorstelling van de visitatie van Maria aan Elisabeth.
    In 1909 werden de zwikken hersteld.

    Rechts in de kapel bevindt zich de graftombe van Joachim (°15-07-1459), zoontje van Lodewijk XI, kroonprins van Frankrijk. Het werd opgeborgen in een loden kistje en begraven onder een grauw marmeren deksteen. Het was vanuit Halle dat Lodewijk aan de Franse steden Parijs en Lyon de geboorte meldde, maar vier maanden later stierf het kindje al en werd in de kerk van Halle begraven.
    De nis met het zwarte kinderlijkje was eertijds door een traliedeurtje afgesloten.

    Minder gefortuneerde 15de eeuwse weldoeners stichtten missen voor hun zielerust en vereeuwigden dit met prachtige middeleeuwse letters in zware koperen platen zoals er ook twee in de muren van de O.L.V.-kapel zijn ingemetseld.

        2. Het schip
        - - - - - - - -
        Het onderste deel van het schip, zijbeuken incluis, werd gebouwd in de periode tussen 1341 en     ± 1385.

    De vroegere kerk was merkelijk kleiner. Hoogstwaarschijnlijk konden de nieuwe beukwanden langs buiten opgetrokken worden, zodanig dat de godsdienstplechtigheden verder konden doorgaan. Mogelijk werden eventuele vroegere zijbeuken buiten dienst gesteld.

    Daar het aantal bedevaarders bestendig bleef aangroeien, werden de bouwplannen verruimd met het huidige hoogkoor en deze van het schip sterk aangepast met de toevoeging van al wat zich bevindt boven de scheibogen, nl.het triforium, de lichtbeuken en de topgevels aan de buitenkant. Ook de portalen dienen daarbij gerekend te worden. Deze werken werden uitgevoerd tussen ± 1385 en 1398.

    Het schip is van het koor gescheiden door een monumentale triomfboog. Deze behoort bij het schip, niet bij het koor, en deed dienst als versteviging van het vrije uiteinde zolang het koor nog niet bestond.
    Ondanks belangrijke verschillen in stijl, lijken koor en schip toch geheel in elkaar te vloeien. De gewelven lopen rechtstreeks in elkaar over. Een kruisbeuk is er niet. De zuilengallerij van het schip lijkt in het koor door te lopen zodat het haast niet opvalt, dat het schip zo kort is.
    Het schip doet eerder zwaar en weinig harmonisch aan. De scheibogen zijn uitzonderlijk hoog. Ze vertonen aan de binnenkant een zeer eenvoudige profilering. Door de hoge scheibogen valt het licht van de grote vensters van de zijbeuken kwistig in de middenbeuk van de kerk.
    Verschillen in materiaal doen onwillekeurig aan meerdere bouwfasen voor het schip denken.

    Het uitzicht van de bovenste verdieping getuigt dat het hier gaat over de realisatie van een nieuw project. De afbouw van het schip gebeurde alleszins door een andere bouwmeester, dezelfde die ook het koor heeft gebouwd. Hieruit kan afgeleid worden dat de verandering van opzet gebeurde in het vooruitzicht van de bouw van het koor. De afbouw van het schip moet dus enkele jaren voor het begin van de werken aan het koor gedateerd worden, dus vóór 1398.

    Het TRIFORIUM, de dienstengallerij ter hoogte van de bedaking van de zijbeuken, is uitgespaard in de dikte van de muur, die alzo opmerkelijk lichter werd, ook dank zij het fijne en harmonisch maaswerk en door de daarboven gelegen vensters. Deze laatste zijn eerder smal en weinig hoog.
    Nauwe doorgangen achter de pijlers zorgen voor de verbinding.

    Zoals onderaan in het schip werden ook hier de traveeën door diensten (uitspringende muurornamenten) gescheiden. Zonder kapiteel werden ze van op de onderste lijst van het triforium doorgetrokken in de gordelbogen en kruisribben van de gewelven. Daar deze diensten in het verlengde liggen van die der benedenverdieping, werd door deze doorlopend lijn het vertikale element sterk benadrukt. Dit aspect wordt nog versterkt door de triomfboog waarvan het lijstwerk van bij de vloer tot in de top ongehinderd oprijst.

    De zuilenbundels van de beuken bestaan uit prismatische profielen, evenals de ribben van het kruisgewelf die versierd zijn met sterk uitkragende sluitstenen, waarvan sommige gebeeldhouwd zijn als bloemen en andere als halfverheven beeldhouwwerk.

    De zijbeuken hebben sterk koepelvormige gewelven, telkens gescheiden door een zware, geprofileerde spitsboog. Deze van de middenbeuk echter hebben toppunten die omzeggens horizontaal liggen en alle ribben vertonen een zelfde profilering.

    In elke travee bevinden zich twee paarsgewijze vensters, gedeeld door twee middenstijlen en drie kleinere arcades die bekroond worden door mooie roosvensters. Al deze vensters zijn van dezelfde grootte, maar hun indeling vertoont twee verschillende tekeningen aan de twee zijden van het schip. Het maaswerk van de meeste vensters is flamboyant (vlamvormig vulwerk).

    De linkerbeuk (noorderbeuk) is een zestigtal centimeter breder dan de zuiderbeuk omwille van zijn merkwaardige aansluiting bij de O.L.V.kapel. Mede hieraan is het te danken dat het hele kerkgebouw, ondanks zijn verscheidenheid toch een zekere eenheid bezit, zowel binnen als buiten.
    De linkerbeuk is opgetrokken in zandsteen, klein formaat, van Diegem; de vensteromlijstingen daarentegen in grote zandsteenblokken.

    Tegen de achtergevel van de linkerzijbeuk, boven het verkoopwinkeltje, hangt een wandtapijt ontworpen door de schilder Joris Feys en geweven door Joos de Vriese. Het stelt een landschap voor met middenin O.L.V. van Halle. Het werd op Pinksteren 1665 door de Broederschap van Oudenaarde geschonken.
    Het houten noorderportaal werd in de XVIIde eeuw gebeeldhouwd.

    In de rechterbeuk (zuiderbeuk) eist de kapel van de Heilige Drievuldigheid, met een misterieuse tombe, alle aandacht op.
    In 1872 besliste de kerkfabriek de lagen kalk van de muren te schrapen.
    In de kapel werden twee grote muurschilderingen uit de 15de eeuw ontdekt met een oppervlakte van 4 m².
    De ene stelde voor: Jezus aan het kruis, O.L.Vrouw en Sint-Jan en de andere O.L.Vrouw met op haar knieën het levenloze lichaam van Christus.
    Ook de figuur van een ridder in wapenuitrusting, waarschijnlijk de heer van Trazegnies, zag opnieuw het daglicht. Deze wandschilderingen zijn echter allen verloren gegaan.

    Boven de heilige Drievuldigheidskapel zijn de vijftien mysteries van de H. Rozenkrans uitgebeeld. In 1916 werd het schilderwerk hersteld door Georges De Geetere.

    Ook de traveeopening tussen het koor en de H. Drievuldigheidskapel werd naar het voorbeeld van de muur opgetrokken tussen het koor en de O.L.Vrouwkapel, toegemetseld.

    Aan de achterzijde van de zuiderbeuk werd een groot portaal in regelmatig gehouwen grootformatige witte steen, aangebouwd. Het werd overwelfd en het kamertje erboven, verlicht door een vierkant raampje, was bestemd voor de kerkbewaker, die zo het binnenste van de kerk in het oog kon houden.

    De jezuiëten, tijdens hun beheer van de O.L.Vrouwkapel en de bedevaarten, lieten de huidige biechtstoelen, stijl Lodewijk XIV, plaatsen; dit maakte deel uit van hun hervomingsplannen. Deze biechtstoelen bezetten volledig beide binnengevels van het schip, terwijl de binnenportalen in renaissancestijl, in overeenstemming te brengen zijn met de stijl van Lodewijk XIII.
    De biechtstoelen werden in 1935 gerestaureerd.

    De barokke preekstoel uit de 17de eeuw, siert evenmin het gotisch karakter van de basiliek.
    Tijdens de recentste reinigingswerken werd, in april 1999, de preekstoel één travee dichter naar de toren toe verplaatst.

    Hoewel niet passend in de gotische stijl van de vernieuwde kerk, overleefden de renaissance tochtportalen, gerestaureerd tussen 1877 en 1880, de biechtstoelen uit de 18de eeuw en de barokke preekstoel, de neogotische bekeringsijver.

    Dientengevolge was er ook geen bezwaar meer tegen het aanbrengen, na de eerste wereldoorlog, van de kruisweg, vervaardigd door Oscar Sinia, beeldhouwer uit Gent.

        3. Het koor
        - - - - - - - - 
        De basiliek is een van de mooiste gotische kerken en behoort voor het grootste deel tot de laatgotiek. Onmiddellijk wordt de bezoeker bekoort door de gigantische imponerende ruimte, de decoratie van het bovengedeelte van het hoogkoor met zijn talrijke apostelenbeelden en zijn prachtig dubbel triforium, dat zich als een stenen kantwerk voor de vensters uitspreidt.
    Dertienkleurramen, waarvan zeven lansvormig en zes stomphoekig, belichten het hoogkoor.

    Witgekalkte kerken werden als strijdig met de gotische geest beschouwd. Zij moesten tot op de naakte steen worden afgeschraapt. Hierdoor kwamen op talrijke plaatsen de middeleeuwse muurschilderingen opnieuw te voorschijn.
    Te Halle ging het om temperaschilderingen (waterverf die mat opdroogt), uit de tweede helft van de 14de eeuw tot het begin van de 16de eeuw. Vooral in het koor zijn nog resten ervan terug te vinden.
    Hieruit blijkt dat de kerk van Halle oorspronkelijk getooid was met een rijke polychromie.
    Tijdens de vorige restauratie van de kerk werden nagenoeg al de wandschilderingen vernietigd. Nochtans waren tot 1908 belangrijke stukken bewaard gebleven.

    Het hoogkoor is het meesterstuk van de Basiliek van Halle en neemt een vooraanstaande plaats in in de algemene kunstgeschiedenis van de lage landen en de Brabantse gotiek in het bijzonder.
    De bouw, na de afwerking van het schip, begon in 1398 en in 1409 kon de vernieuwde kerk met veel luister al worden ingewijd.

    Om stabiliteitsredenen werd geopteerd voor een tweeledige wandopbouw, met in de onderste geleding ondiepe kapellen tussen de steunberen die fungeren als ondersteuning van de bovenbouw.
    De Brabantse gotiek volgde trouw het klassieke kathedralenpatroon van Noord-Frankrijk, vermoedelijk door de nabijheid en de nauwe banden die er toen bestonden. Halle zal dus in dit opzicht een unicum blijven.

    Het koortriforium onderscheidt zich door drie afzonderlijke aspecten:

    - zijn dubbele originele verdieping.

      De bovenste galerij loopt langs de bovenvensters door. Om de beglaasde 
      oppervlakte steeds maar te kunnen vergroten werd na afloop van tijd, eerst  
      heel bescheiden, later heel de achterwand van het triforium met lichtopeningen
      doorbroken, zodat ze versmelten met de bovenvensters. Maar het koor
      te Halle is het enige waar de bovengalerij intact bewaard is gebleven en werd
      herleid tot een zo licht mogelijke constructie.

    - de variatie aan maaswerkmotieven van travee tot traveee, met niet minder dan
       vier zeer fantasierijke patronen.
       Het bovenste triforium is een strak rechthoekig traliewerk met kort op elkaar 
       volgende vertikalen, overeenstemmend met deze van de vensters.
       De tussenafstand van de vertikale monelen der vensters is bepaald door de 
       standaardbreedte van de panelen waarin de brandglasramen worden
       onderverdeeld met behulp van ijzeren staven, om te kunnen weerstaan aan de
       winddruk. Dit traliewerk wordt versierd met open maaswerk ter hoogte 
       van de onfunctioneel lage borstwering en onder de vensterdorpels.

     - de quasi twaalf  levensgrote apostelbeelden.

        Het kantwerk vormt het prachtige decor voor de beroemde Sluteriaanse apostelbeelden die vereenzelvigd zijn met de twaalf hoofdpijlers die de kerk schragen. De apostelen zijn immers de zuilen waarop de Gods kerk werd gebouwd. Ze zitten als het ware de liturgische plechtigheden voor. In de Europese kunstgeschiedenis nemen deze merkwaardige Halse apostelenbeelden een belangrijke plaats in.
    In Brabantse stijl verraden zij de invloed van Sluter (+1406) en dateren van 1408/1409.
    Ze zijn in Europa het meest indrukwekkend sculpturaal ensemble uit de stijlrichting van de 14de eeuw.
    Hun voetstukken en baldakijnen maken deel uit van het homogene metselwerk ter hoogte van het triforium.
    De nervatuur van het gewelf rust op de hemelen van de twaalf apostelnissen.
    Het beeldhouwwerk is overvloedig, van zeer hoge kwaliteit en sterk verweven met de structuur van de kerk.
    Deze aangrijpende beeldenreeks mag als wegbereider van Sluters stijl in de 15de eeuw aanzien worden omwille van hun dramatisch bewogen uiterlijk en de gemoedsbeweging die zwaar en stijf is uitgebeeld.

    Deze beelden onderscheiden zich door eigen symbolische attributen die hun indentificatie mogelijk maakt (ill. 22.3/4).

    Drie van deze beelden: Petrus, Paulus en Johannes, boven het hoofdaltaar uitgebeeld, vormen echter een groep apart en lijken met hun ineengedrongen lijf, hun hoofden die veel te groot zijn in vergelijking met hun lichaam en zelfs zwaarder dan die van de andere grotere apostelen, hun ruwe uitdrukking in mondvormen, ogen, voorhoofd,..., hun loodzware mantels, toch indrukwekkende stoere kerels, vissers of boeren. Elk van de drie is een karaktertype op zichzelf. Door hun te korte lengte rusten hun voeten op een sokkel, terwijl de negen anderen direct op de kroonlijst van het triforium staan. Deze zijn trouwens heel wat fijner gebeeldhouwd en het geheel is geproportioneerd door expressie, drapering en houding; detailwerk van de soort dat een karaktervol mensentype heeft gesneden.
    Ze dienen toegeschreven te worden aan een medewerker van de meester en zijn vermoedelijk uit twee verschillende werkkringen ontsproten.

    In hun interpretatie vertonen ze de kenmerken van de stijl van de Meester van Hakendover: ronde schedels, plastisch weergegeven wenkbrouwen, uitspringende geometrische jukbeenderen, scherp afgetekende gebogen lijnen in de huid opzij van de neus en een driedeling van het haar met opvallende golven opzij.

    Bij de twaalf apostelen werd Judas Iscariote (van Karioth), Jezus verrader, uiteraard vervangen, in casu, door Mathias, één van de volgelingen.
    Eén van de apostelen ontbreekt echter in de Halse basiliek. Zijn plaats is vooraan in het koor ingenomen door Sint-Paulus, die niet onder de twaalf oorspronkelijke apostelen resorteert, maar algemeen wordt aanvaard als de 'Heidenapostel'. Rekening houdend met de aanwezige symbolen, zou hij in de plaats van Thaddeus zijn opgesteld.

    De aansluiting bij al wat er al bestond was niet de enige moeilijkheid geweest bij de bouw van het koor. Nog altijd bestaat de brede, overwelfde doorgang, zij het afgesloten met een muur, die schuin onder het koor doorloopt en dit verdeelt in een hoog- en een laagkoor.
    De doorgang ligt in het verlengde van de Klinkaart en gaf toegang tot de vroegere Kasteelstraat.
    Het niveau van het koor werd bij de restauratie  in het begin van de 20ste eeuw aangepast. Vroeger waren er drie treden tussen schip en laagkoor en vier tussen laag- en hoogkoor. Het laagkoor werd verlaagd, zodat er nu zeven treden verschil zijn tussen beide koren (ill. 22.3/5).
    De trappen van het koor zijn uitgevoerd in zwarte marmer uit Dinant, de vloer van het koor en het schip in granieten tegels.

    In de eerste helft van de 18de eeuw werd in de middenbeuk een nieuw doksaal gebouwd.
    Van 1883 tot 1886 werd het huidige doksaal geïnstalleerd rechts van het koor boven de H. Drievuldigheidskapel. Het groot en duur nieuwe orgel kreeg er zijn bestemming in 1887 (ill. 22.3/6). Lenertz bouwde er een prachtige neogotische orgelkast rond. Het oude orgel werd aan de nieuwe kerk van Essenbeek geschonken.

    In 1754 werden twee barokken altaren, rechts en links van de triomfboog, aangebracht. Ze werden toegewijd aan Sint-Jan en Sint-Niklaas.
    Hiertussen werd een prachtige koorafsluiting in gesmeed ijzer geïnstalleerd, maar 150 jaar later, tijdens de eerste fase van de hoger geciteerde restauratie, werd het ijzeren hekken, in Louis XV stijl (zie 3/7) verwijderd en verkocht aan de gravin de Chastre de la Howarderie, die de afsluiting als toegangspoort voor haar kasteel in Braine-le-Château gebruikte.

    Ook het barokke hoofdaltaar, waarin eertijds het Mariabeeld had getroond en omgeven was met een immens altaarscherm (ill. 22.3/7) dat tot aan de bovengalerij reikte, werd weggenomen, samen met de 18de eeuwse communiebank (ill. 22.3/8).

    Het stenen tabernakel, afgesloten met fijn versierde  gesmeden deurtjes, is ingewerkt in een van de linkersteunberen van de koorsluiting. Boven de vier deurtjes van opengewerkt koper (1409) zijn even grote bijbelse tafereeltjes in steen uitgehouwen en omringd door architecturale motieven.

    Het is een meesterwerk van de 15de eeuwse beeldhouwkunst. Qua stijl behoort het  tot de Doornikse school. Deze panelen stellen de voetwassing voor, het laatste avondmaal, de intrede van Jezus in Jeruzalem en Jezus in de olijfhof.
    De tafereeltjes zijn met grote handigheid gebeiteld, in reliëf uitgewerkt en gepolychromeerd (ill. 22.3/9).

    In 1533 beeldhouwde J(eh)an Mone(y) (°1480 Metz) voor de Halse kerk een renaissance wandretabel dat het hoofdaltaar moest vervangen (ill. 22.3/10).
    Wegens de uitzonderlijke hoogte werd achter het altaar, in 1546, een speciale tribune gebouwd teneinde het tabernakel op de vierde verdieping te kunnen bereiken.
    Het tabernakel, met een pelikaan als bekroning, werd echter verwijderd toen het mirakuleuze Mariabeeld in 1866 van de O.L.V.kapel, waar het 500 jaar werd verheerlijkt, definitief verhuisde naar het hoogkoor, boven het retabel van J. Mone (ill. 22.3/11).

    Volgens de Koninklijke Monumentencommissie was deze onthoofding een typisch voorbeeld van slechte smaak. Ofwel moest het retabel verwijderd worden, zoniet diende de Madonna terug bijgezet te worden in de O.L.V.kapel.
    Voor de ceremonies en de bedevaarders was het evident dat het Mariabeeld in het hoogkoor alleszins moest behouden blijven, zodat noodzakelijkerwijze het monumentaal retabel naar een andere plaats in een zijbeuk moest verhuizen. Ook de bekroning van het retabel zou er dan terug kunnen opgeplaatst worden. Tevens was het logisch dat de O.L.V.kapel het Mariabeeld zou herbergen zoals dat eeuwen lang het geval al was geweest.
    Voor het vijfde eeuwfeest in 1910 wenste deken Michiels een nieuw gotisch, dus christelijk altaar i.p.v. het bestaande renaissance altaar, hetgeen de godsvrucht zou stimuleren.
    Met deze argumentatie ging uiteidelijk ook de Monumentencommissie akkoord en vroeg het altaarretabel in de O.L.V.kapel te plaatsen, maar stelde de kerkfabriek aansprakelijk voor de eventuele transportschade.

    Herman Lemaire ontwierp in 1909 een neogotisch altaar (ill. 22.3/12) in grauwe arduinsteen met gesneden retabel in geel koper, dat door edelsmid Bisschop uit Brussel werd afgewerkt in 1910.

    Het tabernakel en het laag retabel zijn versierd met zilveren medaillons die eucharistische motieven bevatten te midden van vele dieren en bloemen, een echt detailwerk dat een hoge kunstwaarde vertegenwoordigt. Zeven beelden met de wapens van zeven landen of gouwen die O.L.V. van Halle bijzonder vereerden, dragen het altaarblad. In de bogen zijn er in zilver gedreven voorstellingen uit de geschiedenis van de eucharistie.

    Vincent Lenertz ontwierp het koorgestoelte, het fijn gesneden houten baldakijn (ill. 22.3/13) boven op het altaar om het Mariabeeld erin onder te brengen, de nieuwe orgelkast, de communiebank en de leuningen rond het hoogkoor.
    De koperen trapleuning die naar het hoogkoor leidt, is echter het werk van Geeraert de Masure.
    De adelaar-koorlessenaar in massief geel koper van de 15de eeuw, vervolledigde hij door toevoeging van pinakels en luchtbogen (ill. 22.3/14).
    De reuzenkandelaars die links en rechts de arend flankeren en eveneens in geel koper, zijn van de 17de eeuw (zie 3/10).
    De zilveren godslamp is een kunstwerkje uit de 16de eeuw.

    Halle heeft uit de middeleeuwen twee voorname fenomenen geërft: haar Mariabeeld en het gotische kerkgebouw.
    Het is treffend dat ze beide een pauselijke bekroning hebben gekregen: het beeld werd gekronnd in 1874 en de kerk werd tot eenvoudige basiliek verheven bij oorkonde van 1946.

    Twee onderscheidingstekens herinneren aan dit laatste heuglijke feit, nl. enerzijds de umbrella (ill. 22.3/15) - een kegelvormige tent met houten geraamte, bedekt met banden van zijden stof, afwisselend rood en geel, de oude pauselijke kleuren. Bovenaan prijkt een bol met kruis erop - een aanwijzing van gezag en eerbiedwaardigheid, en, anderzijds, het tintinabulum (ill. 22.3/16), een klokje dat altijd in de processie het paviljoen voorafgaat en bijwijlen in beweging wordt gebracht door een snoer.
    Bij het klokje staan altijd de titelheiligen van de kerk afgebeeld, in Halle dus Sint-Martinus en O.L.V. van Halle.
    Beide eretekens sieren het hoogkoor, nadat ze een tijd in de O.L.V. kapel waren ondergebracht.
    De umbrella werd vervaardigd te Halle en nadien aangepast door Camille Colruyt. Op de afhangende delen zijn de wapenschilden geborduurd van de plaatselijke kerk, de stad, het land, de bisschop en de paus.
    Het tintinabulum is eveneens een werd van Camille Colruyt. Het is vervaardigd in massief zilver en verguld koper. Boven rust het Mariabeeld op een veld gehouden door twee engelen. Hieronder bengelt een zilveren klokje. Het geheel rust op een medaillon met Sint-Martinus als ridder.

    Blijkbaar moest afgezien worden van de klassieke koorplattegrond met omgang en straalkapellen wegens plaats- of geldgebrek. Maar de wisseloplossing is een zeer oorspronkelijk werk geworden, enig in zijn soort in de Nederlanden. De bouwmeester van de basiliek van Halle heeft echter op zo'n gereduceerd grondplan een koor gebouwd dat toch de indruk laat van een volledige opzet. De wanden heeft hij tussen de steunberen naar buiten geschoven, iets dat tot dan alleen in de zijbeuken werd toegepast om zo de vele kapellen te bekomen die de middeleeuwers nodig hadden. De steunberen zijn zo geprofileerd dat de voorkant de vorm van pijlers krijgt en dat het lijkt alsof er een omgang loopt achter het koor.

    In 1909 werden de zwikken van het benedenkoor hersteld. Het openbaar leven van Jezus wordt in de rechtse zijmuur afgebeeld, terwijl links, taferelen uit de passie worden weergegeven.

    Het priesterkoor telt negen traveeën, overeenstemmend met negen koorkapellen, bijna verborgen tussen de pijlers en de steunmuren (ill. 22.3/17).
    Oorspronkelijk schijnt er van de nu traditionele omgang van de bedevaarders rond het koor geen sprake geweest te zijn. Rond 1546 werd een doorgang gemaakt rond het koor, dwars door de steunberen die pijlers en buitenmuren verbinden (ill. 22.3/18).
    In de ruimte tussen de steunberen werden tien aparte kapellen ingericht, zoals er nu nog drie achter het hoofdaltaar bestaan.
    De verschillende straalkapellen werden op één na, door het koorgestoelte afgesloten (ill. 22.3/19).
    In de eerste helft van de 18de eeuw werden de kleine altaren, die zich in de absidale kapellen bevonden afgebroken en vervangen door de twee barokke altaren ter hoogte van de triomfboog.
    Datzelfde jaar, in 1754, werd de weelde van het rijke koor grotendeels bestopt door een renaissance-ballast van houten bekledingen, hoge kasten en koorzetels. Daarvoor werden kunstige beeldhouwerken, kolomversieringen en uitgebeitelde zwikken verwijderd. Gelukkig heeft de algemene restauratie in de tweede helft van de 19de eeuw nagenoeg alles weer goedgemaakt.

    In de tweede helft van de 20ste eeuw, werden, om redenen van de vernieuwde liturgie, de houten gaffelvormige krukken, achtergelaten door de bedevaarders en opgehangen aan de peilers van de kooromgang, eveneens weggehaald.

    De eerste en de laatste kapel vielen breder uit en waren mogelijk tribunes of zitplaatsen voorbehouden aan de graaf, de baljuw en andere hoogwaardigheidsbekleders.

    De kranskapellen waren vroeger met beschilderde glasramen versierd, maar nu resten er nog slechts enkele fragmenten. De oorspronkelijke glasramen van deze kapellen waren een gift van Willem IV van Beieren, graaf van Henegouwen. Uitsluitend het glasraam aan de linkerzijde, juist boven de sacristieingang, bevat nog 26 oude paneeltjes, vooral torens en donjons in de religieus-militaire stijl van circa 1406-1408 (ill. 22.3/20). Tussen 1874 en 1884 werd het, alsook het zogenaamde kroningsraam, hersteld en bijgewerkt door de Bethune en Verhaegen.

    In de centrale kranskapel, achter het hoofdaltaar, zijn de laatste resten van wandschilderingen uit de periode van de Vlaamse primitieven, met scènes uit het leven van de H. Catherina waar te nemen. Zij was de patrones van de eerste onbekende Halse kerk geweest en was zeer populair. De taferelen, die nog de enige bewaarde zijn, stellen de marteldood en de glorie van de heilige voor (ill. 22.3/21).
    Ook de andere kranskapellen waren gepolychromeerd. Rond het tabernakel dragen de muren nog de symbolen van de eucharistie: het Lam Gods en de kelk met de hostie (ill. 22.3/22).
    De rest werd door A. Bressers zo grondig overschilderd, dat er van de oorspronkelijke polychromie weinig of niets terug te vinden is.
    De polychromie en de sierlijke en rijkelijk gesculpteerde blindboogjes die de kooromgang versierden werden in de18de eeuw door een smakeloos geheel van houtwerk verstopt, o.m. door het hoofdaltaar en gesculpteerde panelen

    Het kleine beeldhouwwerk in de zwikken van de blindbogen van de kooromgang (ill. 22.3/23) is eerder als het werk van leerlingen te beschouwen, waarbij dikwijls minderwaardig werk voorkomt en vooral de volkse kant van de bedevaart tot uiting komt: de mirakelen verricht door Sint-Maarten, de legende van de drie doden en de drie levenden, de vele heiligen en engelen, de uitbeelding van deugden en ondeugden, ...

    De basiliek telt meer dan 150 zwikken. Kunstenaars hebben hier een wereld van middeleeuwse verhalen en mensen opgeroepen en doen herleven. Heiligen en prinsen, saters en legendarische dieren, vertellingen en huishoudelijke tafereeltjes
    staan er kris kras door elkaar. Een bisschop die aflaten weigerde wordt met ezelsoren voorgesteld. Innig mooi is het tafereeltje van Jezus tussen de leraren. Vooral de uitbeelding van de drie doden en de drie levenden, voorgesteld in de zesde transkapel, komt boven het algemene peil uit. Drie koningen trachten hun steigerende paarden te bedwingen terwijl de min of meer gevorderde staat van ontbinding van de doden hen herinnert aan de vergankelijkheid van de macht en weelde. Dit is een van de vele kunstzinnige bezienswaardigheden van de basiliek.

    De ruimte gelegen achter de H. Drievuldigheidskapel, maar vroeger een soort voorportaal moet geweest zijn, geeft toegang tot het koor en de tribune die voor de hoge heren was voorbehouden (ill. 22.3/24).
    Via een trapdeurtje is ook het doksaal met orgel en het triforium bereikbaar.

    4. HET TRIOMFKRUIS
        _________________

        Het triomfkruis maakte deel uit van de rijke stoffering die, na de inwijding van de kerk in 1410, door de Halse baljuw Maarten Frienaert, tevens kerkmeester, werd aangebracht.

    Het imposante neogotische houten kruis, meer dan vijf meter breed en acht meter hoog (ill. 22.4/1), werd, in 1450, opgehangen onder de bindboog tussen schip en koor. Het werd tijdens de vorige restauratiecampagne gepolychromeerd en verguld, waarschijnlijk door A. Bressers, die ook de andere polychromie in de kerk uitvoerde.

    De beeldsnijder streefde blijklbaar naar een esthetisch verantwoorde Christusfiguur en liet daarom elk dramatisch effect van de zware doodstrijd achterwege.

    De armen van het kruis lopen uit in weelderig gebladerte, dat achtzijdige medaillons omkranst (ill. 22..4/2).
    Zij stellen de evangelisten voor en op de ommezijde de vier grote kerkvaders, ook terug te vinden op het retabel van Mone en op de doopvont. Deze medaillons zijn ruimtelijk als beeldjes behandeld, geplaatst in een diepe, schaduwrijke omkadering en gedeeltelijk "ajour" gesneden (opengewerkt), wat herinnert aan de retabels uit die tijd. Het is zeer gedetailleerd en decoratief kunstwerk.

    Het triomfkruis werd gerestaureerd in 1999 met fondsen bijeengebracht door zeven Halse serviceclubs.

    5. DE DOOPKAPEL
        --------------------

    Ingesloten tussen de toren en het Drie Koningenportaal bevindt zich de doopkapel. Hoewel nauw aansluitend in vormgeving bij het koor is haar structuur onafhankelijk van de rest van de kerk.

    Met haar achthoekig grondvlak en bolvormige bekroning is ze het vroegste voorbeeld (± 1440) van de laatgotiek in de Nederlanden.
    Een nis, met gedrukte boog en houten lezenaar (15de eeuw) (ill. 22.5/1), bestemd voor de voorwerpen nodig bij de eredienst, is een typisch laatgotisch element en komt ook hier voor het eerst in onze steken voor.
    De versiering van de steunberen is, op enkele details na, een samenvatting van deze van het koor, terwijl de binnenwand met blindbogen reeds wijst op een verdere ontwikkeling (ill. 22.5/2).
    In elke zijde prijkt een gotisch raam met glasramen aan de binnenkant. In een van de vensters werden de resten van oude glasramen (15de en 17de eeuw) uit de kerk bijeengebracht.

    De wenteltrap die toegang geeft tot het aangrenzende bovenkamertje is weggemoffeld tussen het zuiderportaal en de doopkapel en is verder opgetrokken om ook toegang te verlenen tot de bedaking van de doopkapel. Het inwendige van de bekroning is nog altijd toegankelijk vanuit het triforium, onder het dak van de zuiderbeuk, langsheen een klein platform.

    De indrukwekkende doopvont (zie 5/2) is een prachtig geelkoperen werk op achthoekige voet gegoten in 1446 door William Lefèvre, kunstenaar geelgieter te Doornik. Op deze wereldberoemde doopvont is een uitgebreid iconografisch programma uitgevoerd, op een schaal en met een meesterschap, dat zijne gelijke niet heeft in Europa.

    Ze wordt gedragen door acht liggende leeuwen. In het voetstuk pronken vier Latijnse kerkleraars. Zonder deksel gelijkt het voetstuk op een enorme kelk. De drie verdiepingen van het deksel verbeelden: de twaalf apostelen (ill. 22.5/3), fijn bewerkte balustraden waarachter drie ruiters zijn afgebeeld; de heilige Martinus (ill. 22.5/4), Joris en Hubertus met de doop van Christus in de Jordaan als bekroning (ill. 22.5/5).
    Het zware deksel wordt nog steeds gemakkelijk verwijderd met de oorspronkelijke enorme hefboom
    in gesmeed ijzer uit dezelfde periode (zie 5/1).

    Van 1877 tot 1880 werd de doopvont gerestaureerd.

    6.  DE TRAZEGNIESKAPEL  (ill.. 22.6/1)
         _____________________

    De familie de Trazegnies was en blijft vandaag nog altijd één van de voornaamste Belgische huizen.
    Zij is steeds innig verbonden geweest met de gemeente Trazegnies, op een tiental kilometer van Charleroi.
    De heer de Trazegnies komt voor vanaf het begin van de bouwwerken (1341) als een van de belangrijkste weldoeners van de kerk van Halle.
    De Trazegnieskapel dateert van het einde der bouwwerken, tussen 1467 en 1470, en werd gebouwd ter ere van de heilige Jozef.
    Aan de rechterkant van de kapel, waar zich nu het halfverheven albasten borstbeeld van Justus Lipsius bevindt (ill. 22.6/2), werden sporen van een muurschildering van Gilles de Trazegnies en zijn echtgenote aangetroffen, beiden geknield en het gelaat gericht naar de O.L.V. kapel (ill. 22.6/3).
    Het waren hun afstammelingen die hun voorouders hebben laten afbeelden ter nagedachtenis van hun tussenkomst bij de bouw van de kerk.
    Als eerste geschiedschrijver over O.L.V. van Halle offerde Justus Lipsius hier de zilveren pen waarmee hij zijn werk "Diva Virgo Hallensis" schreef (ill. 22.6/4). De Latijnse opdracht onder zijn borstbeeld herinnert er de bezoeker aan.

    De Trazegnieskapel werd gefinancierd dank zij de toelatingen verleend door Keizer Karel om omhalingen te doen in al zijn landen, hetgeen als getuigenis mag gelden van zijn diepe verbondenheid met de kerk en de kapel van O.L.V van Halle.

    De Trazegnieskapel is, buiten de jezuïetensacristie, het jongste bouwstuk dat in de middeleeuwen aan de basiliek werd toegevoegd.
    Merkwaardig is dat de kapel vroeger een verdieping telde en oorspronkelijk op de verdieping lag, waartoe het traptorentje (zie ill. 22.1/3), in de hoek tegen de noorderbeuk langs buiten, toegang gaf, alsmede ook tot het doksaal van de O.L.V. kapel, dat hier bij de noorderwand aansloot en waarvan de nis in de muur boven het trapdeurtje (zie ill. 22.1/7) nu nog steeds een overblijfsel is.
    De bevloering van de kapel is ongeveer vier meter verlaagd. Er wordt aangenomen dat het optrekken van de Trazegnieskapel op drie wijd open bogen te wijten was aan plaatsgebrek en derhalve de kapel in feite over de straat heengebouwd werd. De toegemetselde bogen blijven duidelijk zichtbaar (ill. 22.6/5).
    Aannemelijker lijkt dat er daar een portaal bestond en dat de benedenruimte van de kapel een voorportaal vormde dat doorgang verschafte aan de bedevaarders. Dit zou de ingang tot het heiligdom van O.L.V. geweest zijn, want de  eerste travee van de noorderbeuk was toen, door de bouw van een doksaal, bij de O.L.V kapel gevoegd.
    Bovenvermeld voorportaal zou, samen met de uitbreiding van de O.L.V. kapel en ten laatste met de Trazegnieskapel, gebouwd zijn geweest.

    Deze kapel is een interessant voorbeeld van de laatgotiek. Vooreerst zijn er de zeer brede vensters met weelderig stralend traceerwerk. Vervolgens het gewelf, waarvan het ribbenstel uitgewerkt is tot een sierlijk stermotief.
    De steunberen werden niet meer, zoals voorheen, overhoeks geplaatst,  maar wel volgens de diagonaal. Vooral op deze steunberen is een ongelooflijk rijke versiering aangebracht (ill. 22.6/7). Ook de algemene trend om een aparte, over de straat heengebouwde uitbouw op te trekken, bestemd voor vooraanstaande families,  is kenmerkend voor deze late bouwtijd.

    Bij de herinrichting van het koor in 1910 werd het albasten retabel van J(eh)an Mone(y), de beeldhouwer van keizer Karel, op eigen risico, naar de kapel van Trazegnies overgebracht, dit tegen het advies van de Monumentencommissie in, die het naar de O.L.V. kapel wou laten overhevelen.

    In 1522 verleende keizer Karel aan Jan Mone de titel van 'meester-kunstenaar van de keizer'. Deze titel beitelde hij in het renaissance altaarretabel dat hij in 1533 creëerde voor de kerk van Halle (ill. 22.6/8). Slechts drie kunstwerken dragen zijn identificatie-inscriptie, waaronder het Halse retabel.

    Dit meesterwerk is het beroemste werk van de kunstenaar en, zoals blijkt uit de opbouw en decoratie, een typisch gewrocht en een der gaafst bewaarde voorbeelden van de vroege Italiaanse renaissance-beeldhouwkunst in de zuidelijke Nederlanden.
    De uitgebeelde taferelen houden verband met de functie van een retabel dat voorbestemd was om als hoogaltaar te worden gebruikt, reden waarom er een tabernakel in is opgenomen.

    De pyramidevorm en de verdeling van het altaarschrijn in verschillende nissen zijn typisch voor Jan Mone. Hij wordt als de eerste renaissancekunstenaar in de Middeleeuwen beschouwd.

    Het albasten retabel is samengesteld uit drie verdiepingen, waarboven een cylindrisch tabernakel prijkt. Nog hoger staat een torentje dat als sokkel dient voor de bekroning, de symbolische pelikaan.

    In tegenstelling tot de gotische retabels wordt hier de nadruk gelegd op het horizontale.
    De strenge indeling in vakken, waarop telkens afzonderlijk de aandacht wordt gevestigd, beantwoordde aan het renaissance-principe van de coördinatie, waarbij gelijkwaardige elementen naast elkaar werden opgesteld, terwijl in de gotiek en de barok het principe van de subordonatie wordt gehuldigd, en waarbij elk onderdeel slechts zijn volle waarde verkrijgt als deel van het geheel.

    Het retabel is horizontaal geprofileerd.
    De twee onderste verdiepingen beelden de zeven sacramenten uit. De volgorde is conservatief: van links naar rechts en eerst de bovenste en dan de onderste.
    Zijn voorgesteld: 1. het doopsel; 2. het sacrament des altaars (consecratie); 3. de priesterwijding; 4. het vormsel; 5. de biecht; 6. het huwelijk en 7. het heilig oliesel.
    Om het verschil tussen de beide verdiepingen te compenseren, werden, boven de as van de buitenste pilasters, beeldjes van kerkvaders geplaatst: onder Ambrosius en Augustinus, terwijl Gregorius en Hiëronimus het ruiterbeeld van Sint-Martinus flankeren. Ze geven de indruk met de evangelisten Lucas en Marcus een gesprek te voeren. De twee overige evangelisten, Mattheus en Johannes, staan afgebeeld naast het ronde tabernakel bekroond met het beeld van een pelikaan die zijn jonge voedt met zijn eigen bloed, het zinnebeeld van Jezus Christus.

    Enig mooi zijn ook de beeldhouwwerken van bovenvermelde kerkvaders die, in de vier hoeken van de kapel, de basis vormen van de gewelven. Het zijn werkelijk schilderijen in steen (ill. 22.6/9).

    Het rozenkransglasraam (ill. 22.6/10) is een werk van de Gentse kunstenaar Casier en dateert van de eeuwwisseling (1901-1902).

    De renaissance biechtstoel in Lodewijk XV stijl (ill. 22.6/11) heeft mooie details. Men ziet er Maria-Magdalena en de bekering van de heilige Petrus op afgebeeld.

    De inscriptie van de grafsteen van de heer van Vlieringen, Paul Walckiers en zijn echtgenote, is volledig weggesleten (ill. 22.6/12).

    Links bij het binnentreden werd op het einde van het decenaat van Jean-Marie De Clercq (1945-1968) een gedenksteen ingemetseld ter herinnering van de verheffing van de Sint-Martinuskerk tot basiliek in 1946 (ill. 22.6/13).

    Schilderijen m.b.t. de 'wonderen' van weleer, sieren de binnenmuur (ill. 22.6/14).

    7.   DE SCHERMMUUR (ill. 22.7/1)
          ----------------------

          Bij het binnenkomen van de basiliek is de grote, donkere, vierkante inkom niet te verbeteren als overgang bij het betreden van het met kleurig licht doorzeefde kerkgebouw. De details van de aansluiting tussen beide, en vooral de vormgeving van de schermmuur, laten daarentegen een treurige indruk na bij het verlaten van de basiliek.

    De schermmuur mag als bouwdeel bij het schip worden gerekend.
    Alles wijst er immers op dat het hier om een voorlopig bouwsel ging dat de sporen, door de oude kerk op de torenwand achtergelaten, aan het zicht moest onttrekken. Bouwkundig is hij van ondergeschikt belang door de weinige zorg die er aan besteed werd.

    Een nieuw ontwerp voor de restauratie ervan werd ter plekke op 13 april 1909 onderzocht en als volgt goedgekeurd: het roosvenster op de bovenste galerij zou behouden blijven en de korfboog zou met een driepas worden versierd.
    Het uitgevoerde ontwerp door Van Ysendyck wijzigde echter het oorspronkelijke schema grondig. De middenboog werd in twee verdiepingen ingedeeld. Het bovenste deel kreeg een balustrade en tracering. Het onderste stuk werd grotendeels toegemetseld om een raam te vormen dat even groot was als de vier andere ramen. De vijf ramen kregen dan dezelfde balustrades en dezelfde tracering.

    8.   DE CRYPTE (ill. 22.8/1)
          --------------
               
          De werkelijke evangelisatie in onze gewesten geschiedde voor het eerst in de 7de eeuw en was hoofdzakelijk het werk van een aantal zendelingen. Hun bekeringen, die dikwijls onder een grote boom plaatsvonden, werden bestendigd en aanhoudend verrijkt door de oprichting van abdijen.
    Waarschijnlijk was er al vóór 1267 te Halle een Mariaviering, zoniet is de schenking van het Madonnabeeld bijna niet te verklaren.

    Bij graaf- en herstellingswerken in 1913 werden onder de kerk de oorspronkelijke bevloering van de crypte en de met zorg omlijste geheimzinnige eeuwenoude boomstronk van een enorme eik ontdekt, wellich een oude getuige van de verering van de H. Maagd in vroegere tijden.
    Ook muurschilderingen kwamen te voorschijn, zodat de crypte niet zomaar een bergruimte was maar wel degelijk voor de eredienst was bestemd.
    Samen met de dwarse doorgang onder de basiliek ondersteunt de ruime crypte nu het hoogkoor. Zij is geschraagd door slechts één enkele centrale pijler. Een mooie gewelfsleutel draagt een afbeelding van het gelaat van Christus.

    De geschenken die in de loop der eeuwen door kerkelijke en wereldlijke hoogwaardigheidsbekleders, door steden en broederschappen aan het Mariabeeld van Halle werden geofferd, noemt met doorgaans de 'schat van O.L.V. van Halle'.
    Niet alles werd echter bewaard. Om de inkomsten en uitgaven van de bedevaarten in evenwicht te houden, werd weleens een en ander gefinancierd door veiling van goud en zilver uit de kerkschat, zodat de huidige inventaris van de kostbaarheden als zeer gereduceerd dient beschouwd te worden.

    Het prachtig museum dat in de crypte werd ingericht is sinds 21 juli 1959 toegankelijk.
    Het mooiste pronkjuweel van de schatkamer is ongetwijfeld de laat-gotische monstrans-relikwieschrijn (1460) in verguld zilver (ill. 22.8/2) geschonken door Lodelijk XI toen hij nog dolfijn van Frankrijk was en in ballingschap verbleef op het kasteel van Genappe. Door zijn ouderdom, de originaliteit van het onderwerp, het symbolisme dat terug te vinden is tot in de kleinste details en vooral door de uiterste fijnheid van de uitvoering, is deze monstrans te beschouwen als een waarachtig meesterwerk van Europees niveau. Lodewijk XI en zijn echtgenote Charlotte van Savoye zijn geknield weergegeven aan weerszijden aan de voet van het kruis dat een wereldbol voorstelt, verdeeld in de drie toen bekende werelddelen: Europa, Azië en Afrika. Daarboven verrijst een sierlijk uitgewerkt kruis met vlammende stralen, die ieder de naam van een apostel dragen, en met lelievormige uiteinden. Onderaan het kruis staan Maria en Johannes.
    Het is een historische contradictie dat het geschut bij de belegering van 1489 ter beschikking van de opstandelingen, aangevoerd door Filips van Kleef, werd gesteld door dezelfde Lodelijk XI, die zo vroom is voorgesteld op de monstrans.

    Andere bezienswaardigheden zijn o.m.:

    - de monstrans geschonken door Hendrik VIII van Engeland (begin 16de eeuw -  ill. 22.8/3). Het is een rijk uitgewerkte torenconstructie met steunberen, luchtbogen, pinakels en engelenfiguren. Deze monstrans werd in de loop der tijden meerdere keren gerestaureerd. De verschillende delen waren ofwel enigzins in elkaar gezakt of niet meer helemaal in de as. Het laatst werd ze in 1857 gerestaureerd. De bolle voet getuigde echter van weinig goede smaak. Edelsmid Bisschop kreeg de opdracht de monstrans aan te passen naar het voorbeeld van deze die in Kester wordt bewaard.

    - het Guldenboek (ill. 22.8/4) met de privilegies van de broederschap in 1344
      opgericht, het relaas van de mirakels en de lijsten van de broeders en zusters     
      van O.L.V. van Halle.

    - de kronen van Maria en Jezus in verguld zilver (15de eeuw - ill. 22.8/5).

    - edelsmeedwerk, kandelaars, kelken, kruisbeelden, missalen en kantwerk (ill. 
      22.8/6).

    9.   DE TOREN
          -------------

          Onder de reusachtige toren wordt de hoofdingang afgesloten door een houten portaal (ill 22.9/1) uit het begin van de 17de eeuw, in renaissancestijl gesneden en versierd met de wapens van de stad.

    Men kan zich ook ten volle rekenschap geven van de afwijking van de as van het kerkgebouw ten opzicht van de oude toren (ill. 22.9/2). met deze asafwijking werd rekening gehouden in meerdere bouwdelen van de kerk (schermmuur, zijbeuken).

    Boven het portaal prijkt het glasraam, met vier bogen (ill. 22.9/3), geschilderd door Casier uit Gent. Het werd in 1902 geschonken door de Sint-Martinuskring. Het stelt taferelen voor uit het leven van de patroonheilige.

    Het grote wandtapijt uit de 17de eeuw (ill. 22.9/4) is geweven door Jan Raes. Het stelt de prediking voor van Paulus en zijn leerling Barnabas te Lystra waar de inwoners in hem een godheid zien, wat de gramschap van Paulus verklaart. Verder bevindt zich een groot, prachtig, kelkachtig Doorniks wijwatervat (ill. 22.9/5).

    Na de beschieting van Halle in 1489 door het leger van Filips van Kleef, werden meer dan vierhonderd kanonballen in de kerk ondergebracht. Velen verdwenen, maar de laatste 32 werden, op het einde van de 20ste eeuw, veilig in de muurnis onderaan de kerktoren opgeborgen.

    In 1761 werd, nabij de Paterskerk, een gedenksteen teruggevonden die herinnerde aan de belegering van Halle in 1580 door Olivier van den Tympel. Hierop staan de data van 9 en 10 juli 1580 en twee ladders afgebeeld, een zinspeling op de ladders die tekort bleken om de vestingmuren te bestormen. Deze gedenksteen werd ingemetseld boven de nis met de kanonballen.

    Op deze plaats bevond zich vroeger de toegang naar de wenteltrap van de oude kerktoren, zoals de toegemetselde boog boven de gedenksteen nog duidelijk aantoont (ill. 22.9/6).

    De rechterkant van de torenmuur, in breuksteen opgetrokken, was tot voor de aanvang van de reinigingswerken in de basiliek, met een dertigtal schilderijen bedekt, die, sinds jaar en dag, onder een flinke laag roet en stof, omzeggens verloren hingen in de torenruimte (ill. 22.9/7).

    Het zijn ex-voto's, d.w.z. schilderijen die, uit dankbaarheid voor een verkregen gunst, aan de heilige Maria werden opgedragen.
    Een tweede reeks van twintig portretten en taferelen bevindt zich in de Trazegnieskapel.
    Waarschijnlijk moet de oorsprong van deze schilderijen gezocht worden bij de jezuïeten.

    Sinds 1993 wordt druk werk gemaakt van de restauratie van de ex-voto's d.m.v. privé-sponsering.
    Ondertussen zijn verschillende schilderijen gerestaureerd door leerlingen en leerkrachten van Vlaamse kunstacademies om de kosten zoveel mogelijk te drukken.
    Het resultaat is werkelijk verbluffend zoals de eerste twee, de 'Duiveluitdrijving' en de 'Verdrinking in de waterput' het aantonen (ill. 22.9/8 & 9).
    Beiden zijn trouwens uitvoerig beschreven in het 'Gulden Boek' dat 59 mirakelen verhaalt.

    Precies 500 jaar nadat de kerk in 1489 ontsnapte aan de plundering en de verwoesting door Filips van Kleef, werd, op 10 september 1989, een nieuw 'Gulden Boek' opengesteld, ten einde de vele heuglijke feiten die zich nog steeds voordoen te memoriseren.

    De toren van de oude kerk werd volledig opgenomen in de huidige en reikte tot onder de eerste buitenborstwering, hoektorens inbegrepen (ill. 22.9/10).
    De torentrap ligt verscholen achter het deurtje links bij het binnenkomen en leidt naar de eerste verdieping (zeventig treden) waar het klokkenmuseum is ingericht.
    De oude Romaanse torenkern uit plaatselijke breuksteen is hier nog te bewonderen. De klokken die hier tentoongesteld zijn, zijn allemaal afkomstig van de Halse beiaard.
    Vóór het venster hangt de op één na oudste klok, de 'Katherina', uit het begin van de jaren 1400. In 1936 barstte ze, het begin van het klokkenmuseum. Het is een van de eerste klokken speciaal gegoten om drie voorslagen van het uur aan te kondigen. De oudste klokken werden door rondreizende klokkengieters ter plaatse gegoten.
    Nog vier grotere klokken sieren de eerste verdieping: de 'Henricus' (1505), de 'Anna' (1505), de 'Pieter' (1554) en voorlopig, tijdens de huidige restauratiewerken van de eeuwwisseling, de grote 'Admiraal', met een stalen klokkenstoel (ill. 22.9/11). In die periode werd de beiaard, als muziekinstrument, in onze streken uitgevonden tot grote verbazing van heel Europa.
    De 'Henricus' is versierd met het mooie wapenschild van Hendrik van Wittem, kasteelheer van Beersel en op zeker ogenblik baljuw van Halle.
    Op de 'Anna' prijkt o.m. het wapenschild van Mechelen met de keizerlijke arend. Deze stad was de bakermat van het beiaardbedrijf. Ook de 'Pieter' werd er gegoten.

    Op de eerste verdieping zijn ook een aantal afgietsels te zien, deels van versieringen van de klokken, deels van het kleine beeldhouwwerk van de kerk dat gemaakt werd tijdens de vorige restauratieperiode (ill. 22.9/12).

    De tentoonstelling omvat ook een van de oude wijzerplaten van het reusachtige torenuurwerk en nog twee kleine klokjes, waaronder de oude gildeklok van het stadhuis, waarmee de gildedekens naar de vergadering werden geroepen.

    Op de tweede verdieping (40 treden) bevindt zich de uurwerkkamer, alsook de verschillende mechanismen waarmee klokken werden bespeeld (ill. 22.9/13).
    In 1973 werd het oude torenuurwerk vervangen en geleidelijk terug opgebouwd op de tweede verdieping naast de reusachtige voorslagtrommel, om aan te tonen hoe eeuwenlang de tijd werd gemeten. De opbloei van de uurwerken begon omstreeks 1300 en sloegen automatisch het uur. Voorslagen maakten vooral vanaf 1460 opgang. Hierdoor werd de aandacht van de Hallenaren opgewekt als het er op aan kwam de slagen van het uur te tellen. Een veel handiger computerchip heeft nu het oude mechanisme vervangen, zodat de oude onderdelen van de beiaard nu deel uitmaken van het museum.

    Deze tweede verdieping was de oorspronkelijke klokkenkamer.
    Aan de buitenzijde zijn hier de grote, blinde galmgaten nog te zien (ill. 22.9/14). Aan de binnenkant is hiervan niets meer te merken omdat de middeleeuwse bouwers de torenverhoging langs de binnenkant hebben aangezet. Tot bevestiging hiervan werd in 1936 een nis rond een venster uitgekapt en kon het verschil tussen het jongere binnenmetselwerk (na 1450) en het oudere buitenmetselwerk (na 1341) worden vastgesteld.

    Vanaf deze verdieping zijn de muren een halve meter dikker als basisversteviging van de torenverhoging die in de periode van 1450 - 1470 tot stand kwam.
    De verhoging rust op het gewelf van de eerste verdieping. Vanaf hier kan terug de oude ronde traptoren in een van de achthoekige hoektorens worden gebruikt.

    Op de derde verdieping (50 treden) bevindt zich de beiaardkamer en de toegang tot de eerste buitenborstwering. Vanaf hier schiet alleen de 15de eeuwse toren nog hoger. Ongeveer één meter onder de borstwering wordt de torentrap binnenin van rond achthoekig; dit is de overgang van de 13de naar de 15de eeuwse constructie.

    Reeds in 1518 werd er een beiaard geïnstalleerd. Niet alleen door de beiaardier, maar ook b.m.v. het uurwerk werd de beiaard in beweging gebracht en speelde viermaal per uur. Hij was samengesteld uit 27 klokken waaronder vijf grote. In 1938 werd de houten hoofdbalk van de klokkenstoel, wegens instortingsgevaar, vervangen door een betonnen balk. Hiermee was ook de moderne tijd in de basiliek doorgedrongen.
    Vanaf 1970 maakte het stadsbestuur werk van de restauratie van de beiaard. Hij werd ingespeeld in 1973.

    De klokken zijn opgehangen in een zware houten klokkenstoel, vroeger meestal belfort genoemd (ill. 22.9/15). De 'Kleine Maria' (1390) is de oudste nog spelende 'klok op toon' in België.
    Na de voltooiing van de  torenverhoging (1470) werd de 'Grote Maria' in 1480 aangekocht. In haar opschrift brengt ze de bedevaart en haar vorstverbondenheid (Maria van Bourgondië) tot uitdrukking.
    Vlakbij de ingang hangt de grote 'Bromklok' (1661). Ze slaat het uur en luidt ook bij feestelijkheden. Ze is de zwaarste klok van de toren (3500 kg brons) en is opgesmukt met de figuren van de twaalf apostelen. Ze werd hergoten in 1849.
    De 'Salvator - Gabriël', opgesteld aan de voet van het beiaardierskamertje, werd in 1518 in Mechelen gegoten.

    De Halse beiaardcursus is het eerste jaar van de befaamde beiaardschool van Mechelen en wordt in samenwerking met de Stedelijke Academie voor Muziek, Woord en Dans georganiseerd.

    Het ontstaan van de volwaardige beiaard (klokkenspel met hamers, mechanische overbrenging en klavier) situeert zich in de Nederlanden tussen 1480 en 1505.

    Langs de achthoekige (zowel binnen- als buitenkant) traptoren (na 1450 - 45 treden), wordt de vierde verdieping bereikt. Hier was eertijds de torenwachters-kamer ingericht die toegang verschaft tot de tweede buitenborstwering met een prachtig zicht over de stad Halle en omgeving.

    10.   DE BINNENREINIGING EN -RESTAURATIE.
            ______________________________________

    Het volledige interieur van de basiliek werd gereinigd in 1999 met uitzondering van: de verdiepingen van de toren, de trezorie, de doorgang naar de sacristie en de sacristie zelf, de crypte en de kelders, de traptorens, de glasramen, de altaren, het kerkmeubilair, de niet-bereikbare plaatsen en waar de sculptuurfragmenten verpoederd waren. Hiervoor werd een stelling van acht verdiepingen opgetrokken (ill. 22.10/1).

    De meest adequate reinigingstechniek met neutrale pasta werd toegepast, gecombineerd met het reinigen b.m.v. de kruimelspons op gepolychromeerde en vergulde paramenten, sculpturen, monelen en het verbleken van de cementmastiekages met een kleipasta.
    Per natuursteensoort werd een andere pasta aangewend. Het resultaat mag gezien worden (ill. 22.10/2).

    De reiniging gebeurde op verzoek van de kerkfabriek opdat de basiliek zo erg was vervuild door stof en roet afkomstig van de stookolieverwarming en de kaarsen, dat de 'beleveniswaarde' er erg onder leed.

    De binnenreiniging van de basiliek heeft echter niets te maken met de echte restauratie van de basiliek. Die mag pas over 15 - 20 jaar worden verwacht. Op dat ogenblik zal de herstelling van het parement, de sculpturen, de mastiekbedekkingen en het pleisterwerk uiteraard aan bod komen.

    24-06-2007 om 08:46 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (20 Stemmen)
    >> Reageer (0)
    17-05-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.F. 32. UITVALSWEG NAAR NINOVE
    DE NINOOFSESTEENWEG  (ill. 32.1)
    °°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
    vertrekt aan de Beestenmarkt in het centrum van de stad Halle. Het deel tot aan de August Demaeghtlaan werd reeds eerder behandeld. Het eerste stuk tot aan de Sint-Katharinapoort heette oorspronkelijk de 'Lombardenstraat', maar de benaming werd na 1629 vervangen door de 'Sint-Katharinastraat', zoals het bovenste straatdeel toen al noemde.

    De verkeersweg naar Oost-Vlaanderen werd slechts in de periode 1836 - 1842 aangelegd en doorkruist achtereenvolgens de gemeenten Pepingen, Leerbeek, Gooik, Neigem, Meerbeke om uiteindelijk Ninove, de oudste, de stoutste en de wijste der steden te bereiken.
    Zoals blijkt uit een grondplan van 1786 van de landmeter C. Everaert, verplaatste men zich voorheen van Halle naar Ninove, via Breedhout en Elingen, langs de 'Ninovensche Baan'. In feite het eerste gedeelte van de huidige Lenniksesteenweg (zie uitvalsweg nr 30).
    Hoewel nog praktisch onbebouwd in 1825 was het een van de belangrijke toegangswegen tot Vlaanderen.

    Op de gevel van de herberg "Café des Sports" (ill. 32.2), aan de hoek van de August Demaeghtlaan en de Ninoofsesteenweg, het huidige stamcafé van de Halse Wielertoeristen, is nog duidelijk het oorspronkelijke opschrift te onderkennen "Auberge du Lion d'Or - Deweer Vercruyse - Café Restaurant", achteraf, halverwege de 20ste eeuw, bekend als: bij Vanderscheuren (nr. 62).

    Het imponerende herenhuis op de gaffelvormige hoek aan de overkant, gebouwd op het einde van de 19de eeuw, is een mooie combinatie van eclecticisme en neo-Vlaamse renaissancestijl. Het was oorspronkelijk de praktijk van Dr. De Vogel (ill. 32.3).
    Verschillende Halse gebouwen wersden toen in deze stijl opgetrokken. Verspreid over Halle verfraaien ze aanzienlijk het uitzicht van de stad.

    Enkele woningen op de nrs. 72 van I. Agneessens, rijksarts (ill. 32.4), 79 van de ijzerwinkel Vannechel en 81 van Dr W. Proot vallen, in het begin van de steenweg, op door originaliteit (ill. 32.5).

    Een boogscheut verder ligt een voorstadparking waar 94 auto's een gratis onderkomen kunnen vinden. De benaming de Gooikenaar stamt uit het volkse toponiem 'de Guukenèr', omdat de eerste eigenaar van het hoekhuiscafé afkomstig was van 'Guuk'/Gooik. Hiermee werd echter het belangrijke station en overstapplaats (ill. 32.6) van de buurtspoorwegtram bedoeld, die, enerzijds, vanaf het begin van de 20ste eeuw (september 1906) in stond voor het traject (ill. 32.7) van en naar de stelplaats in Leerbeek, en, anderzijds, sinds mei 1916, ook de lijn Brussel - Halle - Brussel verzekerde.

    In september 1899 had de gemeenteraad het plan van een buurtspoorweg naar Leerbeek / Ninove goedgekeurd. De tramlijn werd in maart 1904 verpacht en in april werden de werken gestart.

    De spoorautodienst (= officiële terminologie) kreeg al vlug de benaming 'Boerentram' toegewezen, omdat hij o.m. de marktgangers vervoerde, die er gretig gebruik van maakten.

    In 1916, tijdens de eerste wereldoorlog, werden de stalen rails van het baanvak Halle - Leerbeek door de Duitsers opgebroken, maar terug aangelegd in april 1921. Hetzelfde baanvak werd tijdens W.O. II weer gesloopt door de bezetter en voor het verkeer heropend in juli 1949.

    In het begin werd de tractie verzekerd door robuuste stoomlocomotieven. Dit was nodig want dikwijls moesten zware tramstellen getrokken worden.
    Zand uit Essenbeek, aangevoerd met paard en kar, werd overgeladen op open wagons. Ook boomstammen uit het Hallerbos werden overgebracht naar Ninove ten behoeve van de luciferfabrieken langsheen de Dender.

    De stoomtram (ill. 32.8) werd in 1953 vervangen door geëlektrificeerde motorrijtuigen (ill. 32.9).
    Tot in de jaren 1950 reden twee-assige trams. Nadien werden ze vervangen door langere rijtuigen op draaistellen. Hierdoor liepen ze zeer comfortabel door de bochten.

    Maar in september 1966 werd het tramspoor definitief verwijderd en in de plaats werden autobusdiensten ingelegd. De cafés van de 'Guukenèr' en van 'Polle Stoemp' (het ontbrak hem aan een voorarm) sloten hun deuren. Voorheen konden hier tramkaartjes worden aangekocht.

    Tegenover de parking staat nog steeds een merkwaardige reeks van zes aaneengeschakelde huisjes met een trapgevelmotief vooraan (ill. 32.10), die de tand des tijds hebben overleefd.

    Het grondgebied en dus ook de straten gelegen aan de rechterkant van de Ninoofsesteenweg kwamen reeds aan bod bij de beschrijving van de Lenniksesteenweg.

    De voornaamste straat die langs de linkerzijde aansluit op de Ninoofsesteenweg is de 

    32.1   LOUIS VANBEVERENSTRAAT
              ___________________________    

              Deze oorlogsheld (° Kessel-LO 1912) werd, in hoedanigheid van politiecommissaris van Halle, aangehouden op 20 juli 1942 en overleed te Sonneburg - Sachenhausen (D) op 13 december 1943.
    Drie urnen met stoffelijke resten van Hallenaren, die tijdens de tweede wereldoorlog in Duitse concentratiekampen zijn omgekomen, werden in 1970 vóór het oorlogsmonument 'Aan onze Helden' in het Albertpark geplaatst. Zij kregen allen in Halle een straatnaam toegewezen. Het gaat om: Eduard Bralion, René Deboeck, Jean Laroy, Loui Theunckens, Louis Vanbeveren en Paul Van Ruychevel.

    De straat ligt in 't verlengde van de huidige Zuster Bernardastraat, die deel uitmaakte van de oude 'Postweg'.
    Wie eertijds Halle verliet langs het 'Winket', de 'Poterne' of, in mindere mate, de Ninoofse Poort', een poortje in de stadsomwalling, kwam terecht op de 'Postweg', richting Geraardsbergen. Het traject volgde toentertijd de Louis Vanbeverenstraat, vroeger 'de oude weg naar Geraardsbergen', later de 'Gasstraat' genaamd, volgde een paar honderd meters de huidige Ninoofsesteenweg tot voorbij de Wolvendries en Scheissingen, om vervolgens langs de 'Galghe Wegh', nu Termeerenstraat, het grondgebied van Beert, Bellingen, Bogaarden, Herfelingen, Vollezele en Galmaarden te doorkruisen om zo het einddoel Geraardsbergen te bereiken. (ill. 32.11).
    Het was een zeer oude weg van groot economisch belang. Grote delen ervan vallen nagenoeg samen met de Romeinse weg Kester, Halle, Liberchies (van Halle tot Scheyssingen) en met de oude heerbaan Tongeren - Cassel (het deel van Bellingen naar Kester toe).
    In een recent verleden werd de straat volledig gedomineerd door twee enorme gasketels (ill. 32.12). In 1896 werd de gasfabriek (ill. 32.13) voor een periode van 30 jaar verpacht aan de  "S.A. Cie Générale de Gaz de France et de l'Etranger", maar later , in 1626, werd de pacht voor tien jaar verlengd en de gasverlichting voorzien van Auerbekken, die veel meerlicht gaven. Het was een uitvinding van de Oostenrijkse chemicus Auer in 1895. Sinds 1936 werd het bedrijf overgenomen door de plaatselijke gas- en elektriciteitsmaatschappijen.
    In de tweede helft van de 20ste eeuw werd de fabriek afgebroken en vervangen door nieuwe Electrabel / Iverlek-kantoren en magazijnen, die voor de elektriciteits- en gasbediening instonden.
    Sinds 15 oktober 2004 wapperen de vlaggen van het Don Boscoinstituut aan het hoofdgebouw (ill. 32.14), dat aangekocht werd door de Salesiaanse gemeenschap om er de theoretische lessen van het Centrum voor Deeltijds Onderwijs te verstrekken. De magazijnen aan de overkant maken echter geen deel uit van de verkoopovereenkomst.

    Langs deze straat bestaat eveneens de mogelijkheid om de voorstadparking de Gooikenaar te bereiken en te verlaten.
    In het midden wordt de straat doorkruist door de

    32.2  FELIX STEENSSTRAAT
             ____________________

             De naam van deze Halse koloniaal prijkt op het monument van de Pioniers van het Koloniaal Werk in het Albertpark. Het werk is van de hand van beeldhouwer Dolf Ledel en van architect Mario Knauer en in de volksmond bekend als de 'Witte Neger'.

    De rechterkant geeft uit op de Ninoofsesteenweg, terwijl het linkergedeelte de L. Vanbeverenstraat verbindt met de Elbeekstraat..
    De straat bevat nog heel wat typische kleine werkmanshuisjes die opgetrokken werden na de eerste wereldoorlog voor de arbeiders van de Halse bedrijven.

    32.3  ONZE-LIEVE-VROUW WEG  /  NIKKENBERG
             -----------------------------------------------------
    Juist voorbij de L. Vanbeverenstraat mondt de Onze-Lieve-Vrouwweg uit op de Ninoofsesteenweg. De benaming houdt uiteraard verband met de Mariaviering langs de Weg-Om. Het betreft een ommegang van ongeveer 5 km, die van de basiliek uit vertrekt langs velden en weiden, hoofdzakelijk gespreid over het gehucht Elbeek.
    Langsheen het traject werden talrijke huis- en veldkapellen gebouwd, van belangrijke historische tot de meest eenvoudige. De oudsten dateren uit de 18de en 19de eeuw.
    Het deel van de ommegang tussen de Elbeekstraat en de Ninoofsesteenweg werd als de Onze-Lieve-Vrouwweg opgenomen in het Halse stratenrepertorium. In feite bevindt deze weg zich op de Nikkenberg (Nicken Berg). De oorsprong van deze benaming is erg onduidelijk en er bestaan verschillende gissingen, zoals afkomstig van de Germaanse persoonsnaam 'Necho' (Neco, Niko).

    Palend aan de Ninoofsesteenweg werden door het O.C.M.W van Halle tien bejaardenwoningen (ill. 32.15) opgericht. Deze sociale appartementen, één verdieping hoog, worden zeer goed onderhouden en regelmatig aangepast aan de moderne noden van de bewoners, zoals trouwens ook twaalf andere serviceflats in de L. Vanbeverenstraat (ill. 32.16).
    Rond 1699 werd in de kerkrekeningen het toponiem 'Kuipersblok' vermeld. Het betreft een landbouwakker gelegen aan de Nikkenberg en vermoedelijk toebehorende aan boer Decuyper, die het perceel grond bewerkte. Hij stamde zeker af van een kuipersfamilie, dus een familie van vaten- en tonnenmakers.

    Drie kapellen sieren de top van de Nikkenberg. Achtereenvolgens wordt Onze-Lieve-Vrouw aanbeden aan:

    a) de kapel van de Boerinnengilde (ill. 32.17)
        -------------------------------
    In deze licht afgeronde driehoekige bakstenen kapel (h. 4 m, br.2,60 m,             d. 0,85 m) prijkt een plaasteren beeld (h. 50 cm) van Onze-Lieve-Vrouw van Halle met onderstaande tekst: Hulde aan Maria - Boerinnegilde en hun Proost - Halle, 15 mei 1938.

    b) de Godskapel (ill. 32.18)
        --------------
    Ook bij deze hoge bakstenen kapel (h. 2,20 m, br. 1,20 m, d 1,10 m) wordt het plaasteren beeld van de H. Maagd Maria vereerd.
    De tekst eronder luidt als volgt: "D.O.M. MARI DE VIRGINI - ST JOANNI BAPTISTAE - ANNO 1681"
    D.O.M. is de afkorting van de Latijnse woorden "Deo optimo, maximo". Aan de goede God, de almachtige Vader.

    c) de kapel van de Verzetsbeweging (ill. 32.19)
        ----------------------------------
    Aan de rand van de Ninoofsesteenweg, ingeplant vóór de bejaardenwoningen van het O.C.M.W., staat de breukstenen bidkapel (h. 2,50, br. 2,25 m) met een nis boven op de banksokkel, waarin een marmeren beeld (50 cm) van O.L.V. van Halle fungeert, met als ondertekst : Het Schuiloord van O.L.V van het Maquis FRET / Le Refuge à Notre Dame de Maquis FURET - 1946.
    Het beeld is van de hand van beeldhouwer Elström.        

    De eerste drie straten (Gentil Antheunisstraat, Dr. Emile Gallemaertstraat en de Groeningestraat) die langs de rechterzijde aansluiten op de Ninoofsesteenweg werden reeds aangehaald bij de beschrijving van de Lenniksesteenweg en komen derhalve hier niet meer aan bod.

    Tussen de Félix Steensstraat en de Nikkenberg trekken een hele rij aaneengesloten kleine werkmanshuisjes (ill. 32.20) onwillekeurig de aandacht.

    Het enige specifieke bedrijf aldaar op de NInoofsesteenweg is het takelbedrijf 'Auto-Snel-Weg', nr. 124 (ill. 32.21). Het staat 24/24 uur stand by om te interveniëren bij ongevallen en parkeerproblemen.

    Schuin tegenover de Groeningestraat bevindt zich het meest beroemde pand van de Ninoofsesteenweg op het grondgebied van Halle, nl. de herberg 'Lamme Gusj' (ill. 32.22).

    De parkingruimte vóór de herberg is reeds decennia de toegang tot het voetbalplein met een grote zittribune (ill. 32.23), die nog dateert uit de glorieperiode van de "Cercle" (stadscentrum) die toentertijd speelde in de nationale reeksen, tot de degradatie naar het provinciaal voetbal een feit werd. Na de fusie met aartsrivaal "Union" (Sint-Rochus) wordt onder de benaming K.S.K. Halle nog steeds op het provinciaal niveau gevoetbald, wat onverantwoord is voor een stad van omzeggens 35.000 inwoners!

    In de verweerde gevel van de herberg kon in 1883 nog het oorspronkelijke opschrift "Au Repos des Chasseurs - Guillaume Geerts - Dresseur de chiens de chasse" lezen (ill. 32.24).
    Hondenafrichter Geerts baatte de herberg 'Lamme Gisj' uit. Zijn rosse jachthond "Comtesse"bezorgde de afspanning een tweede benaming: 'Het Kasteel van Comtesse'. Het in het roos gekalkte gebouw lag beschut onder de kruinen van iepen en linden.
    Hij had vier dochters. Na zijn dood nam Trezeke, samen met haar zuster Louise, het beheer over. De zaak was wijd en zijd bekend als de "Jardin de Plaissance", het eindpunt van de zondagwandeling van de Hallenaren, het ontmoetingsoord bij uitstek voor Halse verliefde koppeltjes en de plaats waar prominenten en volkslui hun geliefde volkssport 'bollen' konden beoefenen op de bolderbaan (ill. 32.25).

    Op 18 september 1932 werd een bronzen gedenkplaat, een werk van Jan Canneel, op de gevel langs de straatzijde onthuld en herinnert eraan, dat hier in 1881 Hendrik Conscience (°1812) verbleef (ill. 32.26), de belangrijkste vertegenwoordiger van de romantiek in Vlaanderen, de schepper van de Vlaamse roman.

    In 1869 werd hij benoemd tot conservator van het Wiertzmuseum te Elsene en zou dat blijven tot aan zijn dood in 1883. Het museum groeide uit tot een waar trefpunt van flaminganten en kunstenaars.
    Tijdens deze periode kwam hij herhaaldelijk naar Halle waar zijn dochter Maria en zijn schoonzoon dichter Gentil Theodoor Antheunis woonachtig waren in de Lembeekstraat nr. 8, ondertussen de Louis Theunckensstraat geworden. Hij vertoefde er graag en maakte veel lange wandelingen met zijn oogappel Benjamin en zijn petekind Hendrik Antheunis, de oudste van de drie kleinkinderen. Deze was steeds de primus op school. Conscience zelf verloor, op vijf dagen tijd, zijn twee zonen Hildebert (26 j.) en Hendrikje (12 j.) tijdens een tyfusepidemie in Brussel.

    Van 1877 tot 1882 werd zijn schoonzoon benoemd tot vrederechter in Halle. Vooral na deze benoeming zou Conscience meermaals te Halle verblijven, maar overnachtte steeds in de afspanning 'Lamme Gisj' en niet bij zijn kinderen, waar hij de levenswijze te wereldlijk vond.

    Op zijn kleine kamer stond een ijzeren bed, een ruwe tafel, een paar stoelen en in de muur een paar nagels waaraan zijn kleren hingen. Hij waste zich onder het koude water van de pomp, zoals hij gewoon was geweest in zijn soldatentijd.

    Dixit Trezeke bevond zich naast zijn kamer het karrenhuis met strooien dak en open langs één kant. Van hieruit had de schepper van de 'Leeuw van Vlaanderen' - hij leerde zijn volk lezen -  een panoramisch zicht op het landschap.
    Daar of in het rieten prieeltje op enige afstand van de herberg gelegen, kon hij worden aangetroffen al schrijvend of schilderend, al vertellend of bij het bestuderen van zijn herbarium met wilde planten.
    Als man van het volk, pretentieloos en eenvoudig, vond hij hier de rust om de bosrijke heuvelen en de deinende akkers en weiden uit de omgeving te beschrijven, zoals in zijn boek 'Eene verwarde Zaak', dat reeds verscheen in 1874, dus vóór de bovengemoede periode. De gebeurtenissen spelen zich af in Halle, Essenbeek, Dworp en Beersel.

    Buiten een gedenksteen aan de zijgevel van het historisch stadhuis (ill. 32.27) met de tekst: Aan Conscience - Hulde der stad Halle waar hij gaarne verbleef 1812 - 1912 en een Hendrik Consciencestraat, werd in 1935, door de V.T.B. (Vlaamse Toeristenbond), het Consciencepad (ill. 32.28) als eerste bewegwijzerde wandelpad in Vlaanderen ingewandeld, een primeur voor Halle.

    Na de dood van Trezeke geraakte de herberg in verval. Er was een perscampagne nodig om de nieuwe eigenaars te doen afzien van hun afbraakplannen, zodat ze uiteindelijk tot restauratie en herstelling overgingen en het 'Consciencehuis' gespaard bleef.

    Even verder, aan de rechterzijde, tussen de steenweg en de Lampstraat (zie Lenniksesteenweg) werd in een recent verleden de villaverkaveling 'De Lamp' (ill. 32.29) aangelegd. De toegang gebeurt langs het

    32.4   LAMME GUICHE-ERF
              -------------------------
              Hoewel anders gespeld verwijst de benaming duidelijk naar de oorspronkelijke uitbater van de
              aan de overzijde liggende afspanning de 'Lamme (Lomme, Guillaume) Gisj (Geerts)'.
              De Lampstraat wordt bereikt langsheen de 

             L.A.  SLUYSSTRAAT
             _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _

             Deze Halse kunstenaar (° Oudenaken 19-01-1922 - +Halle 06-12-1988) was kapelmeester-organist van de Sint-Martinusbasiliek en directeur - voorzitter van het Mariakoor. Tevens was hij professor aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel en gewezen directeur van de Stedelijke Muziekacademie van Halle. Hij was ook de eerste laureaat van de internationale orgelwedstrijd  J.S. Bach te Gent. Hij werd vereerd met het gouden Sint-Romboutskruis en het pauselijke ereteken "Pro Ecclesia et Pontifice".
    Hij componeerde o.m. de vier- tot achtstemmige jubileummis "Laudamus Te" in Re klein, georchestreerd voor 75 jaar Mariakoor.

    Even voorbij de plaats waar de Lampstraat uitmondt op de Ninoofsesteenweg, vertrekt, aan de linkerkant, de 

    32.5  VICTOR DEMESMAEKERSTRAAT
             ______________________________ 
                   
             Zij vormt de enige rechtstreekse verbindingweg met de Edingsesteenweg en kruist onderweg o.m. de Elbeekstraat en de Beertsestraat.

    De benaming verwijst naar de Halse timmerman, tevens oorlogsheld, geboren in 1908 en overleden te Elbeek/Halle op 4 september 1944. Zijn naam staat eveneens vermeld op het oorlogsgedenkteken 'Aan onze Helden' in het Albertpark.

    Na de tweede wereldoorlog vestigden verschillende middenstanders en vrije beroepen uit het Halse er zich in het eerste gedeelte, tot aan de Elbeekstraat.
    De villabouw trok later natuurlijk ook andere bouwlustigen aan.
    Recenter werd aan de linkerzijde, bij het binnenrijden van de straat, de grond verkaveld door Haviland. Drie straten werden er evenwijdig met elkaar aangelegd en kregen de volgende benamingen bij beslissing van de gemeenteraad van 3 augustus 1989:

    32.5.1  HIPPELENBERG
                °°°°°°°°°°°°°°°°°°°
               Op de figuratieve kaart van 1754 betreffende de gronden die deel uitmaakten van het 'Groot Tiende' en toebehoorden aan de Halse jezuïeten, komt de naam Hippelenberg reeds voor.
    Deze situeerde zich tussen de huidige Nikkenberg en de Victor Demesmaekerstraat en wordt langs de zuidkant begrensd door de landelijke Wittenweg.

    32.5.2  BEVERKOUTER
                °°°°°°°°°°°°°°°°°°°
                Toponiem vermeld op de oudste kadasterplannen van Halle (1825). Kan in verband gebracht worden met "coutre" (Fr) = ploegijzer en de oorspronkelijke betekenis van bever 'de bruine' i.a.w. de 'Bruine Kouter'. De akker kan ook genoemd zijn naar het grootste knaagdier op het noordelijk halfrond, uitgerust met zwemvliezen tussen de tenen en een brede platte staart, die met schubben is bedekt.

    32.5.3  KAREELVELD
                °°°°°°°°°°°°°°°°°
                Toponiem dat veelvuldig voorkomt en herinnert aan de vroegere landelijke steenbakkerijen op het Halse grondgebied (kareelsteen = baksteen). 'Careel - quareel' is Oudnederlands voor tichelsteen, vierkante steen.
    Het verwijst naar het vroegere 'Careelveldt' (1754) dat een eind verderop naast de oude 'Baan van Geeraerts Berghen' lag.
    Het toponiem komt eveneens voor op de oudste kadasterplannen van Halle (1825).

    Tussen de V. Demesmaekerstraat en de weg naar de dorpskern van Beert bevindt zich het gehucht

    W O L V E N D R I E S  dat zich uitstrekt tot aan de grens van de
                                            gemeente Pepingen. 
     
    Op nr. 540 ligt de opvallende en uitzonderlijke grote gesloten hoeve 'den Mottier' (ill. 32.30), overeenkomstig de benaming van het achterliggende veld 'den Mortier', zoals het reeds vermeld stond op de figuratieve kaart uit 1754 i.v.m. met het 'Groot Tiende' ten bate van de Halse jezuïeten.De herkomst en de naamverwisseling zijn onduidelijk. Mogelijk is het de naam van een afspanning geweest met dusdanig uithangbord, verwijzend naar een zeer korte vuurmond van verschillend, meestal groot kaliber, die projectielen verschiet onder zeer kromme banen. De benaming kan ook slagen op de familienaam Mortier of Dumortier.
    De datum van 1886 is op de hoeve vermeld en heeft als onderschrift ED ML PL PP. - EDuard MaiLlard en PauLina PijPens, de toemalige eigenaars.

    Even verder, aan de overkant, bevindt zich de majestueuze kapel (h. 5 m, br. 5,20 m, d. 1,20 m) van de Wolvendries (ill. 32.31).
    Het gracieuze beeld van de H. Maria (h. 1,70 m) is links en rechts geflankeerd door drie engelen (h. 1,45 m). Alle beelden zijn gebeeldhouwd uit Franse steen.
    De koperen klokkentoren met kruis en haan bovenop wordt ondersteund door zes rijzige engelen, die op hun beurt steun vinden op een zware vierkante sokkel.
    De tekst luidt als volgt: O.L.V. Koningin 1954 bescherm ons.
    Begin september 2005 werd de 50ste verjaardag van de kapel gevierd. Dit gebeurde met een optocht met het zwarte O.L.V.-beeld van Halle vanuit de basiliek langs het Sacramentineklooster naar de wijk Wolvendries. Na de eucharistieviering in de garage Ameys (nr. 567), gelegen naast de vroegere bewaarschool, werd een receptie aan de talrijke prominenten en buurtbewoners aangeboden in de gemeenschapslokalen van de Wolvendries.

    Op de figuratieve kaart van 1754 zijn drie grote percelen te onderscheiden, nl.

    a)  'Wolvendriesch Bosch'. De benaming verwijst naar het hondachtige    
                                              roofdier, dat toentertijd aldaar opdook, zoniet naar 
                                              het veld of dries van de eigenaar De Wolf of Woolf
                                              = Wolfhard.

    b) ''t Halfveldt'. Een aannemelijke verklaring voor de benaming is een kouter in
                            het bezit van een halfbouwer d.w.z. grond bewerkt door een
                            pachter tegen de helft van de oogst.

    c) ''t Buyckborre' = 'Buikborre, Beekborre', de waterbron  van een beek.
                               Plaatsnaam voor de kouter op de hoek van de Haagstraat.
                               In 1381 reeds geciteerd als 'Buc Borre'. Het woord 'borre'  
                               werd toen veelvuldig gebruikt om een perceel weiland, met   
                               een drinkplaats voor de dieren, aan te duiden.

    Het gehucht was eertijds volledig bebost en reikte tot over de Groebegracht, rede waarom het eerste gedeelte van de V. Demesmaekerstraat toen de 'Bosschestraete / Bosstraat' heette.
    De geleidelijke ontbossing bracht een verarmd bouwland (dries) met zich mee, dat, in eerste instantie, meestal tot (schapen)weide werd omgevormd, om daarna als akkergrond te worden ontgonnen.

    De drie bovengenoemde percelen lagen tegenover het 'Papenveldt' en 'den Mortier', beschreven bij de behandeling van de Lenniksesteenweg.       Rechtover Scheyssingen vertrekt in de richting van Beert de

    32.6   HAAGSTRAAT
              _____________

              Zij is de laatste straat op het grondgebied van de stad Halle. Inderdaad, hoewel het verder gelegen TERMEEREN nog voor een deel toebehoort aan Halle, vertrekt deze weg aan het vroegere 'Lasarushuys' (Leprozenhuis) op de Ninoofsesteenweg maar reeds op het grondgebied van de gemeente Pepingen.
    In feite maakt deze weg een aansluiting met de Termeerenweg, die van Breedhout uit vertrekt en eveneens, iets verderop (300 m), op de Ninoofsesteenweg  uitmondt ter hoogte van het vroegere café 'Termeeren', ondertussen, door de nieuwe eigenaar, omgedoopt tot "Blue Bird".

    Op de hoek aan de hoofdbaan (nr. 643) staat de indrukwekkende gesloten hoeve (ill. 32.32), oorspronkelijk gekend als de 'hoeve De Cat', maar ondertussen bewoond door Alissa Van Eeckhoudt, de kleindochter van boer Vannerom, die het voor bekeken hield aan de hoek van de August Demaeghtlaan en de Elbeekstraat, nu ingepalmd door een Mac Donald restaurant.

    Aan de overkant, in de gevel van het hoekhuis nr. 648 (ill. 32.33), is nog een open nis met een kruis er boven te bespeuren, maar het beeld is reeds lang verdwenen. Volgens gegevens op de zijgevel, kant Scheyssingen, zou de oorspronkelijke woonst gebouwd zijn geweest in 1886. De indicatie er onder
    'I C P J C D' staat voor Ivo CoPpens en Josephina CarDijn. In ieder geval werden deze gegevens in een later stadium aangebracht, aangezien in 1965, op het toenmalige hoekcafé van het 'Lokaal Halle Sportief', niets vermeld stond, zoals blijkt uit de foto van de tramhalte Wolvendries. Toen was de nis nog afgesloten met een witgeverfd hekje (ill. 32.34).

    Hoewel de benaming Haagstraat spreekt voor zichzelf en normaliter verwijst naar een omheinde ruimte tot afscherming of afpaling van een stuk land in het bosrijk gehucht Wolvendries, is het niet denkbeeldig dat het toponiem dient opgevat te worden als de straat van het gekapte bos, want het woord 'haeg' werd niet enkel gebruikt voor een afsluiting, maar ook voor een kapplaats.

    Volgens de figuratieve kaart van 1754 met de percelen waarop het 'Groot Tiende' (rente opgestreken door de jezuïeten) van toepassing was, situeerde zich, tussen de Haagstraat en Termeeren, het 'Careelveldt' / Kareelveld, genaamd naar de ontginning aldaar van kareelstenen i.a.w. bakstenen.
    Op de kaart van Vander Maelen (1840) komt deze benaming niet meer voor en wordt de kouter als de 'Vijf Bunder' beschreven. De oude landmaat schommelde tussen 1,23 en 1,43 ha.

    Zoals blijkt uit diezelfde streekkaart verliet de oude weg naar Geraardsbergen vanaf hier de richting Ninove, om, onder de benaming 'Galge Wegh', sinds 1840 Termeeren, zijn weg verder te zetten over het grondgebied van de gemeente Beert.

    Zowel de leprozenhuizen (melaatsen, besmettingsgevaar) als de galgen voor het ophangen van misdadigers werden op de uiterste punten van de stad opgericht.


    Drie kouters palen aan Termeeren op het Halse grondgebied, nl.

    a) langs de linkerkant, achter de 'Vijf Bunder', de 'Beertkouter', een groot land-
                                      bouwperceel dat reikt tot aan de grens met de nabuurgemeente Beert. Deze komt op de oude topografische kaarten voor onder verscheidene benamingen, zoals: 'Den Beert Couter, Beete Cauter,...'. Tussen de 'Beertkouter' en de Haagstraat strekte zich de 'Ziekenweide' uit. Het gaat om de weide behorende tot of gelegen nabij het leprozenhuis van Pepingen.
    Varianten: ''t Sieckblock', 'Zieke Weide'. Hier verbleven destijds de melaatsen, vaak aangegeven als 'de zieken'. Men was zeer streng voor hen. Ze werden uit de gemeenschap gesloten. Zij moesten buiten de stadsmuren verblijven.

    b) langs de rechterzijde, het 'Galge Veldt, Galgeveld', met daarachter, tegen de 
                                         Beertse grens, het 'Schoorgat'. De eerste plaatsnaam werd reeds vermeld in 1535 en houdt verband met de galgen gelegen op de grenzen van Brabant en Henegouwen, respectievelijk op de Wolvendries, gekend als de galg van Pepingen , en op Stroppen, de galg van Stroppen.
    Een kapel ter ere van Sint-Anna bevindt zich aan het galgeveld op het grondgebied van de gemeente Pepingen. Het voormalige 'Sint-Annabosch' is verdwenen, maar strekte zich uit langs beide zijden van de Galgeweg (Termeerenstraat).

    Het 'Schoorgat' verwijst naar de gaffelvormige hoekkouter gelegen op de scheiding van Halle, Beert en Pepingen.
    De betekenis van 'gat' is vrij duidelijk. Het gaat om een stille of afgelegen plaats, een uitkant, een uithoek. Vermoedelijk moet 'schoor' in verband worden gebracht met het dialectwoord 'schoar, scheir', dus een schaar. Schaar heeft onder meer ook de betekenis van een aandeel in een gemeenschappelijke weide. Het is ook de eenheid waarin het aantal stuks vee berekend wordt dat men op de meent mag laten grazen. Een koe bv. wordt meestal  gerekend op 1 schaar, een vaars op 3/4 schaar.

    In de "Tableau Général des Communications Vicinales" (1843) staat de 'Poelstraat' vermeld als de weg van Beert naar Breedhout / Sint-Pieters-Leeuw.
    Ook op de Atlas der Wegen komt de 'Poelstraat' (straat aan de poel) voor.

    Het laatste huis, nr. 661, op het grondgebied van Halle is de enige familiesauna die Halle rijk is. De Aquatadema Thermen (ill. 32.35) omvatten o.m. 4 sauna's, 2 zwembaden waarvan één verwarmd en twee jacuzzis, één binnen en één buiten, een Turks stoombad met lichttherapie, een prachtige tuin, een bar en restauratie.
                             
                                                ******************
                                                           ****** 
                                                                *

    17-05-2007 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (31 Stemmen)
    >> Reageer (3)
    30-01-2007
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.F.21 SERVAIS (ADRIEN - FRANCOIS)
    Servais werd in Halle geboren op 6 juni 1807. De familie Servais - Bande woonde in 't Vondel. Om iets bij te verdienen speelde vader Servais viool en zong meestal op de Grote Markt. Adrien, met een 'holleblok-viool' mocht hem vergezellen. Dat straatmusiceren ligt aan de grondslag van de levensloop van A.F. Servais.

    In 1829 behaalde hij een eerste prijs cello aan het Koninklijk Muziekconservatorium te Brussel. Het jaar daarop werd hij door koning Leopold I aangesteld tot concertleider aan het hof. Na drie jaar lang in het orkest van de Muntschouwburg te hebben gespeeld, vertrok hij als cellist-virtuoos naar Parijs en oogstte de ene triomf na de andere. De rest van zijn leven was een niet-eindigende concerttournee door heel Europa en overal werd hij als een prins onthaald. Berlioz noemde hem de Paganini van de cello. Zijn zelf gecomponeerde opus 2 "Souvenir de Spa", een fantasie voor cello en piano, werd een wereldberoemd bravourstuk waarvan de uitvoering een ongewone virtuositeit en technische bekwaamheid vereist van de cellist.
    Adrien Servais was een kloek gebouwde man met grote handpalmen en lange vingers. Die handstructuur liet hem toe zonder moeite de moeilijkste passages te spelen en de meest complexe vingerzettingen te verwezenlijken die muzikanten met kleinere handen niet aankonden.

    In 1842 bracht Servais uit Rusland niet enkel zijn vrouw Sophie Feyghinn, maar ook een fortuin mee. Zij waren ginder getrouwd voor de orthodoxe kerk. In Halle werd dat huwelijk niet erkend. Sophie werd rooms-katholiek en een nieuw kerkelijk huwelijk werd aangegaan. De familie Servais kreeg zes kinderen, vier meisjes en twee jongens. De oudste dochter trouwde met beeldhouwer Godebski. Zijn jongste zoon Frederik-Jozef volgde de voetsporen van zijn vader op.

    Drie keer bezocht hij Rusland, maar zijn gezondheid liet te wensen over. In 1866 kwam hij uit het tsarenland terug, gaf nog enkele concerten in de voornaamste Belgische steden en stierf in zijn villa te Halle op 26 november van hetzelfde jaar.

    Gans de stad Halle was in diepe rouw. Bij zijn begrafenis op 28 november kwamen van overal stampvolle treinen toe en ook de hele Halse gemeenschap was bij de uitvaart aanwezig. Het was in Halle omzeggens een nationale rouwdag. Hij werd bijgezet in een grafkelder op het oud-kerkhof (nu G.B.warenhuis). Hij kreeg uiteraard een begrafenis op stadskosten. In zijn lijkrede riep de burgemeester de mensen op bij te dragen om de afgestorvene, bij middel van een standbeeld, te vereeuwigen. Een commissie 'Monument Servais' werd opgericht. Het standbeeld uit Carrarisch marmer werd door zijn schoonzoon Cyprien Godebski gebeiteld. Het kostte in 1870, 1500 goudfranken. Het werd plechtig onthuld op 1 oktober 1871.

    De innige wens van A. Servais was dat zijn hart in zijn geliefd Halle zou bewaard blijven. Daags na zijn dood werd de autopsie gedaan en werd zijn hart gebalsemd en in een urne aan het stadsbestuur overgedragen om het op het stadhuis te bewaren tot bij de inhuldiging van zijn standbeeld.
    Voor waarheid wordt aangenomen dat zijn gebalsemd hart in een urne ligt ingemetseld onder het voetstuk van zijn monument. In ieder geval werd bij de translatie van het stoffelijk overschot van Servais en zijn zoon Jozef, van het oud-kerkhof naar het nieuwe, in 1897 geen gewag gemaakt van het overbrengen van het hart naar het nieuwe grafmonument.

    Op 6 juni 1957, exact 150 jaar na de geboorte van A. Servais, verklaarde Frans Sablon, de toenmalige voorzitter van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle, het volgende: "Zolang men het hart van Servais bij ons zal horen kloppen naast en ondanks de scherpe zin voor realiteit en efficiency, zult U altijd Hallenaren, nog bevredeging blijven vinden in muzikaal kunstgenieten en in het scheppen van instrumentale en vocale schoonheid".

    Waarschijnlijk was Servais de eerste cellist die zijn instrument met een ijzeren steunpunt deed uitrusten. Zijn stradivariuscello van 1701 was erg groot. Zelfs Servais, met zijn grote gestalte, had moeite om die cello met zijn benen vast te houden zoals tot dan gebruikelijk was. Vanaf 1884 is de pin gemeen goed geworden. De pin maakt het bespelen makkelijker en laat ook meer virtuositeit toe.

    Het opschrift op de sokkel van Servais' standbeeld bleef lange tijd eentalig Frans maar kreeg uiteindelijk op de linker- en rechterkant een Nederlandse vertaling toegevoegd.

    De oorspronkelijke smeedijzeren omheining diende, ingevolge chemische verwering, te worden afgebroken.
    De strijkstok van zijn cello was reeds gehavend vóór de aanvang van de tweede wereldoorlog maar brak verder af bij het opblazen van de kanaalbruggen door de Engelsen, zodat hij, als het ware, een revolver in de rechterhand hield i.p.v. een strijkstok. Later werd dit euvel bijgewerkt.
    Ook de snaren van zijn cello ontbraken al geruime tijd maar werden hersteld in 1999 bij de restauratiewerken van het standbeeld.

    Tweehonderd jaar na zijn geboorte in Halle herdenkt de stad, met de organisatie van het Festival Servais 2007, deze vermaarde virtuoos van de 19de eeuw, die als cellist en componist in heel Europa werd gelauwerd. Zijn composities worden nog steeds wereldwijd uitgevoerd.

    Sinds 26 november 2006, honderdveertig jaar na zijn dood, wordt hij een jaar lang in Halle gevierd met concerten, tentoonstellingen en diverse activiteiten georganiseerd door de VZW Servais onder de coördinatie en het voorzitterschap van de heer Peter François (www.servais-vzw.org en www.servais2007.be) en onder de hoge bescherming van Koning Albert II.
    Ook (inter)nationaal wordt hij op vele plaatsen herdacht in 2007.
    Verschillende randactiviteiten zoals om. de creatie van 50 sigarenbandjes over Servais, Servaisbier en -pralines, toneelopvoeringen (De Fontein van Servais),...
    intentifiëren deze viering.



    30-01-2007 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (14 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    31-12-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.F. 28 DE ZUIDOOSTELIJKE OMSLUITING
          1. RENE DEBOECKSTRAAT
              - - - - - - - -- - - - - - - - - - -
              De straat verbindt het Bevrijdingsplein met de Suikerkaai en de facto het kanaal Brussel - Charleroi, dat in 1832 voor het eerst bevaarbaar was.
    Toen in 1850 de spoorverbinding Brussel, Halle, Edingen tot stand kwam, boog het traject buiten het station van Halle snel naar rechts af, over het kanaal, kruiste de Suikerkaai, de Zenne, de Bergense- en Edingsesteenweg, om langs het Wilgenveld de richting Edingen te kiezen.
    De René Deboeckstraat werd aangelegd op deze oude treinbedding, die pas in het begin van de 20ste eeuw werd afgeschaft nadat de verbreding van het kanaal een feit was en de spoorlijn een nieuw tracé verder over het kanaal werd toegewezen.

    De straat is tot op heden onbebouwd. Enkel de ateliers met parking van de garage Surkeyn (Opel), Bergensesteenweg 107, begrenzen aan de rechterkant de verbindingsweg vanaf het Bevrijdingsplein. Aan de overkant ligt de dieper gelegen parking van het restaurant "China Town". 

    Van op de Zennebrug wordt een mooi beeld geschapen van de bruisende rivier met links het achterplein van de opslagplaatsen van de firma Colruyt en rechts de achterliggende ruimte van het stadsmagazijn.
    Even verder ontvouwt zich een panorama met als inzet de zwaaikom en verder de gigantische ijzeren bruggen die over het kanaal werden aangelegd, ten einde het spoorwegverkeer naar Doornik en in de richting Bergen / Parijs, te verzekeren.

    Haar naam dankt de straat aan de Halse oorlogsheld (° 1904) die op 6 juli 1942 werd aangehouden en te Sonnenburg (D) overleed in 1944. Als brouwerijbediende trad hij tot de weerstand toe en nam de leiding van het Hals Belgisch Legioen op zich. Zijn naam staat vermeld op het oorlogsmonument 'Aan onze Helden' in het Albertpark.                    

          2. SUIKERKAAI
              - - - - - - - - - - 
              Op 't einde van de zwaaiplaats, tussen het kanaal en de Zenne, bevindt zich een kleine industriezone  gedomineerd door de Ets Denayer, die, halverwege de 20ste eeuw, oorspronkelijk hun magazijn met bouwmaterialen runden voorbij de kanaalbrug, tegenover het Stationsplein.

    De Suikerkaai herinnert aan de agro-industriële bloeiperiode van de stad Halle in de tweede helft van de 19de eeuw. Drie suikerfabrieken draaiden toetertijd op volle toeren.
    Boven de 'Bergenpoort', aan de Bergensesteenweg, bezaten de gebroeders Vanvolsem en de gebroeders Nerinckx, omstreeks 1850, de "Société Vanvolsem - Nerinckx & Cie pour la fabrication du sucre de betteraves".
    Aan de 'Bascuul' bevond zich de suikerfabriek van de familie Nerinckx en aan de hoek gevormd door de René Deboeckstraat met de Suikerkaai richtte de "Société en nom collectif  Vanvolsem - Nerickx" in 1864 een tweede suikerfabriek op. Het lossen en laden van de scheepsvrachten gebeurden aan de Suikerkaai.

    Op de eigendom (1 ha) toebehorend aan de gebroeders Vanvolsem, werd een constructie opgericht met een gevelbreedte van ±50 m op ±35 m diepte. Het bestuur ervan was enkel en alleen in handen van J.B. Vanvolsem. E. Nerinckx werd belast met de controle over de taken van de beheerder.
    Na het opstarten van de suikerfabriek werd de rest van het terrein omgevormd in een park met wandelpaden, een vijver langsheen de spoorweg (R. Deboeckstraat) en zelfs een brugje over de Zenne, een verbinding tussen het kasteel Vanvolsem, nu de stadsbibliotheek, en het industrieterrein.
    J.B. Vanvolsem kreeg op 15 juni 1870 de toelating om de uitbating van de suikerfabriek onder de benaming "Société Vanvolsem & Fils" verder te zetten.
    Na zijn overlijden op 7 februari 1872 verkreeg zijn weduwe (Thomas) en haar zeven kinderen deze eigendom en de maatschappij in volle eigendom, naakte eigendom of in vruchtgebruik.
    In 't begin van de 20ste eeuw kocht de "Raffinerie Tirlemontoise" de suikerfabriek op en ontmantelde ze tot leegstaande gebouwen.

    Op het einde van het jaar 1921 was de glorietijd van de plaatselijke suikerindustrie definitief voorbij en werd de eigendom tussen het kanaal en de Zenne openbaar verkocht, enerzijds, aan de heer Charles Van Lier (de suikerfabriek) en anderzijds, voor algemeen nut, de rest aan de stad Halle.

    Charles Van Lier was één van de gebroeders die de familiale cichoreifabriek 'Pacha' leidde.Hij trad uit onverdeeldheid en stichtte in de lege gebouwen van de oude suikerfabriek, een nieuwe cichoreifabriek onder de benaming "Le Coucou". Die koekoek legde zijn eieren niet in andermans nest. Er moest hard gewerkt worden om een deel van de cichoreimarkt te veroveren. Later kwam er echter een verzoening tussen de familieleden Van Lier en werd "Le Coucou" opgedoekt.
    Na de dood van de stichter werd de fabriek gesloopt en het terrein verkaveld.

    Een groot deel, de linkerkant van het domein, is nog steeds ingenomen door het stadsmagazijn. Het staat in voor het technisch beheer van de stadsgebouwen en -goederen.
    Drie grenspalen met de inscriptie AR(enberg), afkomstig van de molensite, liggen hier, dicht bij de Zenne, betere tijden af te wachten.
    Gezien de waarde van de meerstenen zullen ze opnieuw in de Molenborre worden aangebracht op het eerste verhoogde plateau langs de oude muur van de voormalige brouwerij De Boeck.
    Van de vijver en de wandelpaden is al decennia niets meer te bespeuren.

    Alle huizen langs de Suikerkaai, tussen het stadsmagazijn en de kanaalbrug, dateren van na het slopen van de suikerfabriek.

    Café ''t Kanaal' was in de eerste helft van de 20ste eeuw de pleisterplaats van de toenmalige Halse roeivereniging.
    Nu viert het kanaaltoerisme hier hoogtij. Drie nieuwe aanlegsteigers brengen de toeristen veilig ter bestemming.

    Het modernisme is in Halle haast niet vertegenwoordigd. Enkel aan de Suikerkaai nrs.15 tot 20 wordt een opmerkelijke rij woningen aangetroffen die in een combinatie van art deco en modernisme werden opgetrokken tussen 1936 en 1939 volgens plannen van architect Albert Demesmaeker. Zij ontstonden blijkbaar uit één enkel concept gezien het symmetrisch aspect dat onvermijdelijk opvalt. Afzonderlijk beschouwd verliezen deze woningen heel wat aan betekenis. De indeling van de vensters in kleinere horizontale stroken is typisch voor het interbellum, de periode tussen de twee wereldoorlogen in.

    Andere opvallende gebouwen zijn nr.12 met eclectische aspecten en de meubelwinkel van Steens die in 2004 gesloopt werd en nu de plaats heeft geruimd voor moderne appartementen met winkelruimten onderaan, goed gelegen naast de in- en uitrit van de parking van de distributiegroep Delhaize.

    Aan de overkant van het kanaal, voorbij de spoorweg, prijkt de villa, waarin tijdens W.O. II, de "Kommandatur" was gevestigd.

     LOUIS THEVENETLAAN
     - - - - - - - - - - - - - - - - - -
    Waar eens de suikerfabriek stond werd een doodlopende laan tot aan de Zenne aangelegd met villabebouwing langs beide zijden.
    Op het einde van de straat werd in 1964 een monument opgericht (h. 3 m, br. 3,70 m, d. 0,75 m) met de beeltenis van de H. Maria en het opschrift 'Moeder van de Schone Liefde, Bid voor Ons'. Beeldhouwer H. De Block zorgde voor de uitvoering.

    Louis Thevenet (°Brugge 12-02-1874 - + Halle 16-08-1930) was een van de markantste schilders uit de stad en de streek. Hij was een  goede kennis van de schrijver Herman Teirlinck. Hij was een ongekunstelde en spontane Brabantse fauvist en schepper van talrijke typische interieurs en landschappen. Hij vestigde zich in 1916 in de Sollenbeemd en verhuisde in 1927 naar de H. Cosciencestraat 41, nu 58 waar een herdenkingsplaat nu de gevel versiert. De Hallenaren noemden hem "La Nature".

          3. BASILIEKSTRAAT  « deel 4 »
              - - - - - - - - - - - - -
    De Suikerkaai sluit aan op het vierde en laatste deel van de Basiliekstraat. Tot in 1946 werd dit gedeelte de 'Statiestraat' of de 'Statieberg' geheten, de verbinding tussen de Parlklaan/Arkenvest en
    de kanaalbrug. De benaming leeft nog verder in het vokse toponiem 'Stoessenberg', wegens het plaatselijk reliëfverschil dat naar het station leidt.

    Op de linkerhoek bevindt zich het enige hotel, tevens restaurant, nu ook bodega, dat het Halse centrum nog rijk is.
    In het laatste decennia van de 19de eeuw was De Meurichy stadsontvanger te Halle. Hij nam de 14-jarige Juul De Brouwer in bescherming en beval hem aan bij de directie van de suikerfabriek Nerinckx. Juul werd basculeur en daarna als analist voor het suikergehalte aangesteld. Eens gehuwd vestigde hij zich eerst in de Vandenpeereboomstraat en achteraf aan de hoek van de 'Statiestraat' nabij de kanaalbrug.
    De boeren, paardenfokkers en bietenleveranciers van de Halse suikerfabrieken verkozen zijn hotel - café - restaurant tot hun stamlokaal en hielden het uithangbord "Hôtel des Eleveurs" mee boven de doopvont.
    In 1997 vierde het hotel zijn honderdste verjaardag. Het bleef steeds in handen van dezelfde familie. Opvolger Pierre runt het hotel-restaurant sinds 1972, nu bijgestaan door zijn zoon, die als keldermeester eveneens instaat voor de bodega in het voorste gedeelte van de zaak, waar, na 1832, het café "Au Canal de Charleroi" werd uitgebaat door Victor Malbecq, tevens verhuurder van rijtuigen.

    Iets dichter naar het centrum toe bevindt zich de toegang naar het achtergelegen grootwarenhuis Delhaize "Le Lion". Sinds 2003 werd een nieuwe grotere winkelruimte in gebruik genomen die reikt tot tegen de woonhuizen van de Thevenetlaan.

    Hier bevond zich voorheen de opvallende 'Villa Ricardo' gebouwd door de familie Vanvolsem. Op de voorgevel was een bord aangebracht met de inscriptie 'Wilt ge wel zijn, wilt ge rusten, zoekt het niet op vreemde kusten'.

    Langs de rechterkant wordt de eigendom begrensd door de Leide, die tussen 1400 en 1404 werd gegraven als aftakking van de Zenne, als waterverdedigingslinie en om het overstromingsgevaar in het Halse centrum in te dijken.
    Sedert 1962 werd het water van de oorspronkelijke Zenneloop volledig afgevoerd door de Leide, die door de demping van de oude Zennearm nu vereenzelvigd wordt met de Zenne.

    Heel de site tussen de Leide en de Arkenvest wordt ingepalmd door het Elisabethpark met vooraan de Openbare Stadsbibliotheek en achteraan de Stedelijke Kleuterschool 't Parkske.

    In 1869 besloot de Halse gemeenteraad een 'School en Volksboekerij' te organiseren. De boekerij was van meet af aan verbonden aan de gemeentelijke jongensschool. De verhuizing in 1962 naar de voormalige 'Marmitkensschool' in de Zuster Bernardastraat betekende een nieuwe start voor de bibliotheek. In 1978 vond de Stedelijke Openbare Bibliotheek een tijd lang een onderkomen in het Oud-Jezuïetencollege. Tijdelijk, want de plannen voor de restauratie van het kasteel Vanvolsem in het Elisabethpark wachtten al van 1976 op uitvoering. In mei 1982 kon de hoofdbibliotheek eindelijk verhuizen. De laatste twee vrije bibliotheken werden overgenomen, met name de Vrije Openbare Bibliotheek van Buizingen en de Parochiale Openbare Bibliotheek het 'Schild' van Halle-centrum. In november 1978 werd de Vrije Openbare Bibliotheek van Essenbeek, een filiaal van de stadsbibliotheek, door het ministerie erkend en van 1 januari 1979 werd de overname van de Parochiale Bibliotheek van Lembeek een feit.
    In 1986 werd de hoofdbibliotheek door het ministerie erkend als een voltijds werkende openbare bibliotheek. In september 1993 werd met de automatisering aangevangen. In maart 1997 werd een cd-rom-netwerk geïstalleerd en de leeszaal uitgerust met een internet-terminal.

    Het prachtige neoclassicistisch gebouw werd opgericht in 1842 door de kinderen Vanvolsem. Zij stamden uit een van de belangrijkste Halse families i.v.m. de agronijverheid in de 19de en het begin van de 20ste eeuw. Omstreeks 1920 werd hun domein, na openbare verkoop, eigendom van de stad, die respectievelijk de muziekschool en daarna het vredegerecht in het kasteel onderbracht
    Oorspronkelijk was de gevel bepleisterd, hetgeen in de neoclassicistische architectuur altijd het geval was. Bepleisterde gevels integreren zich vaak veel beter in een aangepast stadsbeeld. De ontpleistering gebeurde derhalve ten onrechte. In de tachtiger jaren liet het stadsbestuur het gebouw herstellen en opfrissen. Het park met het gerestaureerde gebouw was vroeger afgesloten met een smeedijzeren hekken.

    Twee portierhuizen, gebouwd in 1846, één tegen de Leide en het andere aan de Arkenvest, waren bestemd voor het dienstpersoneel. Later werden beide woningen gesloopt en het kunstsmeedwerk verdween spoorloos. De Vanvolsems' ontwierpen ook de lusttuin, met een ronde vijver en een fontein vóór de ingang van het gebouw.
    Vanuit het kasteelpark liep een brugje over de Leide naar de suikerfabriek, op de plaats waar nu het grootwarenhuis Delhaize is gesitueerd.

    In de tweede helft van de 20ste eeuw bouwde de stad in de lusttuin langs de kant van de Leide een driehoekig prieeltje waarin de op rust gestelde Hallenaren hun vrije tijd kunnen verdrijven.

    Vooraan links aan de vijver prijkt, op een hoge sokkel, een bronzen afgietsel van een borstbeeld van Jan Boon gemaakt door kunstenaar Luc Van Ruyssevelt. Het beeld zelf werd ontworpen door Marguerite Acarin toen ze samen nog actief waren bij het Vlaamse Volkstoneel. Het beeld werd eerder toevallig ontdekt op de zolder van het Oud-Jezuïetencollege.
    Zijn zoon Herman, nationaal aalmoezenier van de burgerluchtvaart, was aanwezig bij de inhuldiging van het beeld. Hij overleed schielijk in zijn kapel op de luchthaven van Zaventem in mei 2005.
    Als hoofdredacteur van de Standaard (1929) werd Jan Boon in 1936 gepromoveerd tot directeur-generaal en grote bezieler van de Openbare Omroep N.I.R., de voorloper van de B.R.T., die ondertussen geëvolueerd is tot de Vlaamse Radio en Televisie (V.R.T.). Zijn grootste verdienste was de invoering van de autonome televisie in Vlaanderen in 1953.
    Hij overleed onverwachts te Ukkel op oudejaar 1960.
    Een gedenkplaat in de Sint-Katharinavest 63 herinnert aldaar aan de geboorte in 1898 van de vader van de Vlaamse televisie.
    Na Kardinaal Cardijn werd hij tot tweede ereburger van de stad Halle uitgeroepen.

    Aan de rechterhoek in de voortuin domineert een eenzame, majestatische sequoia (mammoetboom), die reeds meer dan 160 jaar oud is, het bovenzicht van de 'Statieberg' vanuit de 'Bosstraat' bekeken. 

    Aan de overkant van het Elisabethpark bevindt zich het stadspark, het Albertpark.
    Beide parken situeren zich ter plekke waar, in de middeleeuwen, de stadsgrachten de waterverdedigingslinie van de stad Halle vormden. De grachten tussen de 'Bergenpoort' en het 'Vissegat' werden verpacht. De pachter was er toe gehouden werklieden ter beschikking te stellen om de 'Grote Vijver' te reinigen.
    In 1850 was het stadspark nog onbestaande.
    Nadat de grachten geen nut meer hadden voor de verdediging van de stad en toegelegd werden, behoorde de grond (85a 7Oca) gelegen tussen de 'Statiestraat, de Parklaan, de Leide en  't Vondel
    toe aan de familie Hannecart die op 11 oktober 1880 het terrein verkocht aan de Vanvolsems'. Deze stond het teenbos - hakhout, dunne taaie twijgen gesneden van wilgen laag bij de grond afgehakt, bestemd  voor (manden)vlechtwerk - af aan de stad. Het was een ruil voor een grond, belast met erfpacht, 30a 2ca groot, omklemd door de Arkenvest, de 'Statiestraat' en hun eigendommen gelegen langs de Bergensesteenweg en de Suikerkaai, het huidige Elisabethpark. De stad mocht er geen gebouw(en) oprichten, tenzij een paviljoen, een kiosk,... ten behoeve van het publiek dat aldaar zou komen wandelen, dit tot op een diepte van 55 m vanaf het midden van de 'Statieberg'
    Het park werd in 1896 aangelegd, het jaar daarop plechtig ingehuldigd en genoemd naar Albert I, de koning der Belgen.

    Op dit ogenblik sieren vier monumenten het wandelpark.

    1° Aan de linkerzijde van de hoofdingang staat een beeld dat door de Koninklijke Koloniale Kring
         van Halle werd opgericht voor koning Leopold II (°1835 - +1909), tevens soeverein vorst van
         Belgisch Kongo. Het monument werd ingehuldigd in 1953 in aanwezigheid van de minister van
         Koloniën en van de heer Jean Cuvelier (°1882 - +1962) sinds 1930, de eerste bisschop van de
         Kongolese provincie Matadi.

    2° Aan de overkant prijkt de zuil gekend als 'de witte neger'. Ze werd ontworpen door architect
         Mario Knauer en gebeeldhouwd door Dolf Ledel. Onder het medaillon met beeltenis van baron
         Jacques de Dixmude staan drie namen van Hallenaren die op deze wijze werden gehuldigd als
         pioniers van het koloniale werk in Belgisch Kongo. Achteraf kregen zij een straatnaam
         toegewezen.

    3° Een imponerend gedenkteken met de namen van de Hallenaren die hun leven hebben gegeven   
         voor de onafhankelijkheid van België in 1830 en ook tijdens de twee wereldoorlogen, siert het
         midden van het park. Het is een werk van architect Pauwels en beeldhouwer Rau.
         Drie urnen met stoffelijke resten van Hallenaren die tijdens de tweede wereldoorlog in Duitse
         concentratiekampen zijn omgekomen, werden sinds 1970 vóór het monument geplaatst                    (ill. 28.3.18). Zij kregen allen in Halle een straatnaam toegewezen. Het gaat om:
         Eduard Bralion, René Deboeck, Jean Laroy, Louis Theunckens, Louis Vanbeveren en Paul Van
         Ruychevel.

    4° Rechtover de Handbooghof bevindt zich sinds 2001 een bronzen eigentijdse momentopname van
        de 'Jeugd', een werk van Luc Van Ruyssevelt uit Oudenaken, dat een jonge en een meisje, die in 
        skate-uitrusting op een skateramp zitten, uitbeeldt. Het werd ingepland op de plaats waar, in 1974,
        het standbeeld 'Jeugd' van dezelfde kunstenaar werd vernield. Het oude beeldje stelde een jonge 
        en een meisje voor, met hun boekentasje op de weg naar school.

    In de eerste helft van de 20ste eeuw sierden jarenlang twee kanonnen het grasperk voorbij het martelarenmonument.
    Naar aanleiding van bijzondere gelegenheden werden beide parken na de tweede oorlog omgetoverd tot muzikale tempels waar ofwel gedanst kon worden (Elisabethpark), ofwel naar prachtige kioskmuziek (Albertpark) kon geluisterd worden.
    Het stadspark blijft de Halse schooljeugd bekoren. Hier wordt na schooltijd nagekaart met vrienden en vriendinnen. In wezen heeft het wandelpark de jongste decennia niets van zijn charme voor jonge verliefde koppels verloren. De capaciteit van de zitplaatsen werd trouwens recent nog aanzienlijk uitgebreid met boogvormige stenen banken aan de voorkant van het park.

    Aan de rechterzijde van het Albertpark, aangedrukt tegen de Leide, bevindt zich nog altijd het enige bakstenen urinoir dat de stad rijk is. Misschien wel een noodzakelijkheid, maar geen stichtend voorbeeld qua netheid en geurhinder.

    Het voorlaatste winkelpand, eertijds  de "Pâtisserie Caramin", met op het uitstalraam "Spécialité de Mastelles", was een echte goudmijn en alom gekend voor de rijstaarten en de roomijsjes.

    Aan de hoek, waar sinds decennia een decoratiewinkel door de familie Deceulener wordt uitgebaat, was voorheen de herberg met orgel "A la Réunion des Pêcheurs" gesitueerd, maar had oorspronkelijk als opschrift "A la Cour de Bruxelles".
    De 'Statiestraat' loopt over de kanaalbrug naar de Sint-Rochusparochie toe.
    Van hieruit kan eerste blik worden geworpen op de 'Villa Servais', het enige gebouw in Italiaanse stijl dat Halle rijk is.

    DE KANAALBRUG
    _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _

    De verbinding tussen het steenkoolrijke Henegouwen en de provincie Brabant door middel van een kanaal was een eeuwenoude droom. Het project ging meermalen van start: in 1656, in 1698, in 1802 en uiteindelijk definitief in 1826 onder Willem I, koning van de Verenigde Nederlanden.
    Het ABC kanaal (Antwerpen, Brussel, Charleroi) werd in oktober 1832 vrijgegeven voor de scheepvaaart. De brug over het kanaal werd mooi in het verlengde van de 'Statiestraat' aangelegd.
    Heel waarschijnlijk werd gelijktijdig met de bouw van een nieuw station in 1884 en de aanleg van een tweede spoorlijn, ook de kanaalbrug herschikt. Uit foto's van rond 1900 blijkt dat de brug schuin liep in de richting van de Sint-Rochusstraat.
    Het kanaal voor boten van 70 tot 100 ton voldeed weldra niet meer aan de behoeften van die tijd, en, iets voor de eerste wereldoorlog, werd al begonnen met het verbreden ervan. De werken werden onderbroken door de oorlog 1914-1918 en konden slechts beëindigd worden in 1932. Sindsdien kregen boten tot 600 en zelfs tot 1000 ton doorgang. Er moest dientengevolge een aangepaste brug worden gebouwd. Zij lag er amper 8 jaar toen in 1940 de tweede wereldoorlog uitbrak. De Engelsen dachten de vijand tegen te houden door de brug op te blazen op 17 mei, iets na 17 uur.
    Uw dienaar was, samen met zijn moeder, een van de laatste die er over mochten. Te voet vluchtten zij richting Breedhout. Ter hoogte van de Lampstraat hoorden zij reeds de daverende knal die de brug in het kanaal deed storten.
    Enkele uren tevoren waren de voetgangersbrug aan 't Vondel (Waggelbrug), de Sasbrug, het verder gelegen brugje naar Buizingen en de ijzeren spoorwegbruggen richting Lembeek al opgeblazen.
    De Engelsen speelden op zeker en plaatsten een overdreven zware lading springstof onder de kanaalbrug. Ze lieten ze springen toen de Duitsers reeds in de Albertstraat op Sint-Rochus vertoefden. Alles rond het kanaal lag half plat. Ze was opgeblazen langs de stadskant aan het jaagpad, zodat dit deel in het water lag samen met de middenstukken. Het vaste stuk langs de spoorzijde was maar licht beschadigd. De kanaalbrug was van een type dat uit drie delen bestond: een vast stuk aan de linker- en rechterzijde en de middelste verbindingselementen, die tussen die twee vaste stukken geklemd zaten en op hun plaats bleven door hun gewicht.
    De dag na de ontploffing hadden de Duitsers reeds een verbinding met balken en "poutrellen" ter vervanging van de Sasbrug tot stand gebracht.
    Enkele maanden later waren ze ook klaar met een noodbrug naast de ingestorte kanaalbrug.
    De Duitsers lieten het kanaal leeglopen om alle beton en puin van al de opgeblazen bruggen uit het kanaal te verwijderen.
    Van die gelegenheid werd ook gebruik gemaakt om in het midden op de bodem een betonnen basis te gieten met houten palen als steun voor de ijzeren 'poutrellen' van de voorlopige tweedelige brug. Ze werd omzeggens volledig met houten balken en boomstammen opgetrokken. Na tien jaar dienst en veelvuldige herstellingen werd beslist om terug een betonnen brug te bouwen.
    In 1952-1953 namen de heropbouwwerken een aanvang. De brug zou 60 cm meer hoogtedoorgang voor de schepen krijgen, zodat ook schepen van meer dan 1000 ton onder de brug zouden doorkunnen. Dit had uiteraard voor gevolg dat de 'Statieberg' 60 cm steiler werd, evenals de kant van de Willamekaai..
    Zes holtes werden in het beton van de brugstoel voorzien om in oorlogstijd op te vullen met dynamiet, zodat de brug kon opgeblazen worden.
    Het overige deel langs de spoorwegzijde was recuperatie van de oude brug en stond bijgevolg 60 cm lager dan de stadszijde. Daarom werd de brugstoel op ongeveer één meter boven het wateroppervlak uitgeboord met de drilboor. Ondertussen werd ook het geheel ondersteund. Twintig grote hydraulische vijzels met elk een handpomp werden er onder geplaatst. Op elke vijzel stond een manometer zodat kon afgelezen worden of kracht en druk gelijk verdeeld waren. Het pompen gebeurde eerst naast de kaaimuur, vervolgens naar het midden toe en dit gedurende een volle week, totdat het blok beton 60 cm hoger reikte en op gelijke hoogte lag met de stadskant.
    Daarna werden de ontbrekende elementen tussen de twee brugdelen, gemaakt uit spanbeton, ter plekke vervaardigd en hol gegoten. Toen de acht elementen na verschillende maanden klaar waren, werden ze met twee grote kranen tussen de twee vaste bestanddelen van de brug geplaatst.
    In 1953 was de brug volledig afgewerkt. Ze werd getest met tien exact gewogen vrachtwagens met elk tien ton zand erop. Zo werd gemeten hoeveel de brug doorboog en het resultaat vergeleken met de berekeningen van de ingenieurs.
    Daarna volgde de afbraak van de houten brug. De delen boven water demonteren was kinderspel, maar onder water moest de brugstoel, die in het midden van het kanaal door de Duitsers was gegoten, alsook de resten van de houten steunpalen, doorboord worden om er dynamietladingen in te plaatsen en alles op te blazen.. Dit moest gebeuren met een duikerspak, verzwaard met lood om de duiker onder water te houden. Hij was met darmen verbonden aan een luchtpomp bediend door twee mannen. Zij moesten op het juiste rytme draaien om de man onder water de gepaste hoeveelheid lucht te bezorgen. De pomp stond op een boot om zo kort mogelijk bij de duiker te zijn. Het lukte uiteindelijk en vele kleine brokken beton werden boven gehaald met een kraan.

    De beschadigde gebouwen werden terug opgebouwd met uitzondering van het hotel "A la Vue de la Station" tussen het kanaal en de spoorweg en de ijzerwinkel van Holemans op de hoek van de Suikerkaai en de Basiliekstraat, waar nu de parking van het "Hôtel des Eleveurs" is gesitueerd.

       4. WILLAMEKAAI
            - - - - - - - - - - - -

    Charles, Paul Willame (° 13-03-1880) werd in 1924 aangesteld als hoofdingenieur - directeur bij de speciale dienst der Kolenafvoerkanalen (Ministerie van Openbare Werken). In 1940 werd hij belast met de studiedienst voor de verbetering van het ABC kanaal tussen Klabbeek en Charleroi. Vijf jaar later kreeg hij de leiding van de dienst toegewezen.
    De straat die naast het kanaal de Basiliekstraat verbindt met de  sasbrug draagt zijn naam. De link is snel gelegd aangezien in een recent verleden deze weg nog de 'Kolenkaai' werd genoemd.

    Rond 1913 was even voorbij het jaagpad dat onder de kanaalbrug doorloopt, de belangrijke kolenhandel Marevoet - Demol gevestigd. Het herenhuis rechts van de inrijpoort, maakt er deel van uit.
    Boten van 60 à 70 ton voerden steenkolen uit het bekken van Charleroi aan. Deze werden gelost aan de 'Kolenkaai', herdoopt tot Willamekaai, na de verbreding van het kanaal. Gedurende een twintigtal jaren gebeurde het transport ook nog per spoor. De kolenhandel werd later ingenomen door de firma Denayer gespecialiseerd in bouwmaterialen. Deze uitbating werd echter overgeheveld naar het einde van de Suikerkaai, voorbij de zwaaikom.

    Rond 1900 werden er te Halle grote herenhuizen in neo-Vlaamse renaissancestijl opgetrokken. Getuigen hiervan de nummers 10, 19 en 22.

    Onder nr. 19 was oorspronkelijk een kankerinstituut gevestigd. Een reclamefolder omschreef de activiteiten als volgt: uitwendige kankers en alle aandoeningen die de huid aantasten, verminken, afgrijselijk misvormen en doden worden snel geheeld door de bloedstollende zalf van het instituut!
    Op dit ogenblik is het Centrum voor Leerlingenbegeleiding (De Ring) van de Vlaamse Gemeenschap er in ondergebracht.
    Het herenhuis nr. 22 is het meest indrukwekkende voorbeeld. Recent werd het opgekalfaterd door de bouwfirma MOWI uit Halle.

    Juist voor de eerste wereldoorlog werden veel gebouwen opgetrokken in eclectische stijl waaronder de nummers 13 ("Les Glycines" Blauwe regen), 14 ("Les Roses" De Rozen), 15 ("Les Hirondelles" De Zwaluwen) en 16 ("Les Flots" De Zee).
    Op sommigen werden art nouveau decoraties aangebracht onder de vorm van faiencetegels of         (s)graffito, ingekraste muurinscripties. Ze worden bekomen door figuren te maken op een zwarte muur, deze met witte kalk te besmeren en daarin dan lijnen te krassen, zodat de zwarte achtergrond zichtbaar wordt.

    De herenwoningen gelegen tegenover het moderne station van Halle vormen uiteraard een fel constrast met de even verder gelegen werkmanshuisjes.
    Het laatste blokgebouw, nr. 31, in neoclassicistische stijl opgetrokken, dat jarenlang als ontvangkantoor van de belastingen dienst deed, werd omgebouwd in appartementen met parkingmogelijkheden vooraan. Het gebouw leunt aan tegen de Zenne en de Dijkstraat.

       4.1   DIJKSTRAAT
               - - - - - - - - - -    
               Dit korte straatje herinnert aan de dam die rond 1576 werd opgeworpen in de toenmalige Leide ter hoogte van het O.L.V.-College. Hierdoor ontstond een kleine kunstmatige waterval. De dijk moest beletten dat, bij lage waterstand, te veel water via de Leide zou afvloeien en de molen op de Zenne (Molenborre) zonder drijfkracht zou vallen.
    Toen in 1956 besloten werd het Zennewater uit het stadscentrum langs de Leide af te leiden, was de verwijdering van de dam van essentieel belang. Dat betekende meteen de doodsteek voor de molen die uiteraard, bij gebrek aan water, niet meer bedrijfszeker was.
    De demping van de oorspronkelijke Zennearm liet echter toe de benaming van de Leide om te vormen in deze van de Zenne, zodat de rivier terug onder deze benaming door Halle kan stromen.

    Een gewelfde voetgangersbrug zorgde tot in 1972 voor de aansluiting tussen de kanaaldijk en 't Vondel.
    Door de jongere generatie werd de brug ten onrechte de 'Waggelbrug' genaamd. Ze was bedekt met ijzeren dekplaten die aardig lawaai maakten door erop te springen.
    Ze werd vervangen door de huidige brug in gewapend beton, in de volksmond als de 'stenen brug' bestempeld. De inhuldiging vond plaats op 09 september 1972.
    De werken werden uitgevoerd door de firma "Ponts, Tunnels et Terrassements" uit Brussel met een stockeerruimte in Lembeek

    In de Dijkstraat bevindt zich nog een zeldzaam putdeksel met de tekst "Fonderies Modernes Hal". Het werd geleverd door de ijzergieterij toentertijd gelegen aan de Arkenbrug. Sinds 2006 is het deksel vermoedelijk verdwenen onder een nieuwe asphaltlaag.

    De echte 'WAGGELBRUG', die trouwens werkelijk slingerde, bevond zich in het verlengde van de Dijkstraat over het kanaal, maar werd in mei 1940 door de Engelsen vernield om de Duitse opmars te stuiten.
    Het brugdek was aan metalen stangen bevestigd en moest uiteraard voldoende hoog boven het water hangen om de boten ruime doorgang te verschaffen. Hellende vlakken op de 'Kolenkaai' en in de Dijkstraat gaven rechtstreeks toegang tot het loopvlak van de brug, terwijl een jaagpad naast het water toeliet de boten zonder onderbreking verder te sjouwen. Bij het verbreden van het kanaal verdween het jaagpad en werden de hellingen weggewerkt. Dit is nog zichtbaar in de Dijkstraat.
    Langs beide zijden van het kanaal werden trappen aangelegd om het brugniveau te bereiken. De overeind gebleven toegangstrappen werden nog enige tijd na de oorlog in stand gehouden tot groot jolijt van de jeugd.

    Zowel de marktganger als de schoolkinderen die uit de richting Beersel, Buizingen en Sint-Rochus kwamen, maakten gretig gebruik van de 'Waggelbrug', de korste weg naar het stadscentrum.

    Op het eerste Halse stadsplan (1554) is ter hoogte van 't Vondel een kleine stadstoegang getekend, die ook 'Losschaert' werd genaamd. Hier werd bewust geen grote poort gebouwd.

    Aanleunend tegen de rechterkant van de Dijkstraat verloedert zienderogen de verlaten zeepziederij 'Klaar' met de woning eraan verbonden. Voorheen bevond zich hier het bedrijf "Klimis Frères", een groothandel in sponsen en zeemleren.

    Daarnaast bevindt zich nu ten behoeve van de marktganger een uitgestrekte parkeerruimte ter hoogte van de nieuwe spoorwegpasserelle. Hier stond in het begin van de 20ste eeuw nog een comfortabel groot herenhuis, dat blijkbaar onbezonnen veel te snel werd afgebroken.
    Eertijds liep hier de oude vaart in het verlengde van de "Pont Canal", een artificiële vaargeul over de Zenne, als dusdanig vermeld op het verbredingsplan van het ABC-kanaal. Ze bestond uit een soort grote goot van 3 m breed en 27 m lang. Aan beide zijden bevond zich een jaagpad van 2 m breed.

    Even verder, langs de rechterzijde van het kanaal, waar eertijds de Nederhemwijk was gesitueerd, domineert nu de nieuwe molen van Dedobbeleer het landschap.

    Ter hoogte van de eerste sluisdeur schittert nog steeds het mooie sassenierhuis (ill. 28.4.15) met onmiddellijk rechts ervan de

    4.2  SLINGERWEG / LEIDE
           _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _
           Zoals de naam het laat vermoeden verbindt deze bochtige baan, sinds de jaren zeventig, de Willamekaai met het rond punt aan het einde van het Possozplein.

    Twintig jaar vroeger daalde hier nog achter het sassenierhuis, een smalle grindweg af naar de veel dieper gelegen en verwilderde "brèche" om uit te monden langsheen de muur die het domein van de Zusters van Augustinus afsloot (ill. 28.4.16.1). Op het diepste punt kruiste een beekje de weg om het overtollige water van het moerassige gebied af te leiden naar de Zennearm.

    De rotssteen op het rondpunt (ill. 28.4.16.2) werd in 1961 opgericht als symbool van het verzet van de Halse weggevoerden en werkweigeraars tijdens de tweede wereldoorlog. Op de stenen vaas vóór het monument staat "Bittermark 1945". Achter het rotsblok werd ter gelegenheid van 40 jaar koningsschap een koningslinde gepland ter ere van zijne majesteit koning Boudewijn, toen 60 jaar jong.

    Van hieruit vertrekt een verbindingsweg naar de Dijkstraat en 't Vondel met de toepasselijke naam Leide. Het Zennewater (ill. 28.4.16.3) vloeit evenwijdig met de straat, om, aan het sassenierhuis, onder het kanaal te verdwijnen.

    Aan de linkerkant van de Slingerweg ligt een uitgestrekte parkingruimte vooral gebruikt door de marktgangers en de foorkramers.
    Het eenzame restaurant Zenn-Grill (ill. 28.4.16.4), een aangepaste versie van het vroegere ijsfabriekje, sluit de parking af. Het was de ambachtelijke vestiging van de maatschappij "Ons IJs / Notre Glace" van de banketbakkerij M. Renaux, gesitueerd op de hoek van de Grote Markt en de Zwaanstraat. In keramiektegeltjes is de naam Leide in de gevel van het restaurant aangebracht.
    Het fabriekje werd opgericht ter plekke van het 'bolwerk', ongetwijfeld de benaming van het gebied gelegen nabij de vroegere stadsomwalling. Dit 'bolwerk' was toentertijd eigendom van burgemeester Hannecart, die deze grond aan de stad schonk om, er buiten 't Vondel, een vuilnisstort te organiseren, waar de boeren zich konden bevoorraden met de mestafval van de binnenstad ten behoeve van hun akkers.

    De overkant van de straat wordt volledig gedomineerd door de gebouwen van het O.L.V.-College (ill. 28.4.16.5) en het achterste gedeelte van de brandweerkazerne (ill. 28.4.16.6) met aan de straat- kant een kleine stadsparking.
    Enkel het oudste gedeelte (1891) heeft een bijzondere architectonische waarde dank zij de neogotische uitbouw ter hoogte van de Dijkstraat.

    Tussen beide gebouwen vloeide tot 1962 de Zenne in haar natuurlijke bedding de stad uit om zich in de Leide te storten ter hoogte van de verroeste metalen borstwering, die er nog steeds zichtbaar is en waaronder, langs een geultje, nog wat rioolwater wordt afgevoerd (ill. 28.4.16.7).

    Enkele meters stroomafwaarts verdwijnt de rivier onder het kanaal (ill. 28.4.16.8) om na vijfhonderd meter, op het grondgebied van de deelgemeente Buizingen, als een herborene, opnieuw het daglicht te zien. Vervolgens meandert ze gezapig verder naar de Vlaamse hoofdstad Brussel waar ze jammer genoeg, vóór de aanvang van de 19de eeuw, volledig werd overwelfd.
    Van op de parking kan men zich een goed herinneringsbeeld vormen van de "Pont Canal", de plaats waar gedurende honderd jaar, van 1830 tot 1930, de aken in een aquaduct over de Zenne door paarden heen werden getrokken (ill. 28.4.16.9).

    4.3  SLINGERWEG / MONSEIGNEUR SENCIESTRAAT
           - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

           De rechterkant van de Slingerweg wordt omzeggens volledig ingenomen    door een functioneel ingerichte stadsparking (ill. 28.4.17.1). Deze is ontstaan op de ruimte die tot 1970 het verwaarloosde "brèche"-gebied vormde. In het midden van de Monseigneur Senciestraat werd de hoofdtoegang naar het sportcomplex DE BRES aangelegd (ill. 28.4.17.2). De benaming houdt uiteraard verband met de bres geslagen in de ommuring van de stad tussen het toenmalige kasteel en de 'Brusselpoort' tijdens het beleg van Filip van Cleef in 1489.
    Het sportcomplex bestaat uit een omnisportzaal, een gevechtssportzaal, een schietstand, een cafetaria, een atletiekpiste, een skateramp en, voor de kleintjes, een aangepaste speelaccomodatie.
    De schietstand wordt op dit ogenblik gebruikt door twee schietclubs en de politiekorpsen van Halle, Beersel en Sint-Pieters-Leeuw.

    Langs de kant van de Willamekaai wordt het zicht op de atletiekpiste gedeeltelijk onttrokken door de stadsparking die er werd gecreëerd ten behoeve van de marktbezoekers (ill. 28.4.18).
    Op deze plaats liep eertijds nog de oude vaart. Ze werd vanaf 1828 gegraven als verbinding tussen het Waalse kolenbekken en Brussel, dat reeds met een kanaal verbonden was met de Antwerpse haven.

    Toen de oude vaart moest worden verbreed, kreeg het kanaal in Halle een nieuwe loop toegewezen. Het werd naar de spoorlijn toe opgeschoven, met als gevolg dat de toegelegde vroegere bedding als verwaarloosd gebied aan de rand van de stad achterbleef.

    Hier regelt sluis nr. 7 (ill. 28.4.19), 10,50 m breed, met drie sasdeuren en dito overloopbrugjes, het waterniveau bij het versassen. De activiteit neemt geleidelijk toe aangezien het vrachtvervoer per schip wordt aangemoedigd door de hogere overheid, in zoverre, dat de NV Zeekanaal aanstalten maakt om het kanaal in Halle nogmaals aan te passen aan de toekomstige  noodwendigheden.
    Vóór de aanleg van het hellend vlak van Ronquïère, waardoor verschillende sluizen onderweg werden afgeschaft, was de sluis nummer 32 aan Halle toebedeeld.

    SASBRUG
    - - - - - - - -

    Bij het begin van de tweede wereldoorlog werd ze tot ontploffing gebracht door de Engelse troepen met het doel het Duitse offensief af te remmen. Maar de dag daarna hadden de Duitsers reeds een verbinding met balken en poetrellen over het kanaal tot stand gebracht, zodat ook de mensen van Sint-Rochus, Buizingen en Essenbeek terug het stadscentrum konden bereiken. Naderhand werd zij vervangen door de huidige stenen brug (ill. 28.4.20).

       5. VANDEMAELESTRAAT (Jan, Alfons)
           - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

    De straat ligt in het verlengde van de sasbrug en leidt naar de Jozef Michelstraat, alias 'Buizingenstraatje', en de Brusselsesteenweg. Er is geen bebouwing. Langs de linkerkant werd de atletiekpiste (ill. 28.5) zoveel mogelijk afgeschermd door aanplantingen en langs de rechterkant ligt een onbenut stuk grond op initiatieven te wachten. Volgens planning zou hier in de toekomst nog een voorstadsparking worden aangelegd.

    Waar nu de sportinfrastructuur is gesitueerd werd eertijds door de schuttersgilden omschreven als de 'Schape(n)kop' en onder de Franse Republiek als "Tête de Mouton".

    De straatnaam werd ontleend aan de Vlaamse werkman - dichter (° 1874         + 1938), auteur van zes verzenbundels, drie bloemlezingen en talrijke gelegenheidsgedichten waaronder de bede- en dankcantate voor de kroning van O.L.V. van Alsemberg (1934) met muziek van Remy Ghesquière.
    Hij werd onderscheiden o.m. met de gouden palmen van de Kroonorde en het Pauselijke Kruis "Pro Ecclesia et Pontifice".

       6. THIBAUTSTRAAT (Louis - Jean) (ill.28.6)
           - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

    De straatnaam herinnert aan de Halse oorlogsheld die als vrijwilliger bij de Belgische Nationale Beweging te Elbeek overleed op 04 september 1944.
    Zijn naam prijkt op het oorlogsmonument 'Aan onze Helden' in het Albertpark.

    De straat enkel bebouw langs de rechterkant, geeft uitzicht op de atletiekpiste en loopt dood op het Halse sportcentrum De Bres. Zij sluit omzeggens het stadscentrum af.

       7. SCHEEPSWERFKAAI
           _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _ _

    De benaming verwijst naar de oude scheepstimmerwerf van De Saeger (ill. 28.7.1) die bedrijvig was langsheen de oude vaart (1826) halverwege de "Pont Canal" en het sas van Buizingen. De werf was gekend als 'De Zaat'/'Het Zoet'.
    Het is de verbindingsweg tussen de J. Michelstraat / Vandemaelestraat en de Lariellestraat, waar het containerpark is gevestigd.
    Hij loopt in feite langsheen de achterkant van de woningen op de Brusselsesteenweg en smelt op het einde samen met het jaagpad, dat aan de sasbrug aanvangt.

    Even voorbij het begin van de weg bevindt zich de Renauxwijk (ill. 28.7.2).
    Weinig Hallenaren kennen deze hoger gelegen afgezonderde plaats, laat staan dat zij er ooit zijn geweest.
    De wijk ontstond in 1899. De benaming komt van Alphonse Renaux (°1860 +1947), banket- en beschuitbakker op de hoek gevormd door de Halse Grote Markt en de Zwaanstraat (ill. 28.7.3). De Renauxwijk omvatte een beschuitfabriek en stallingen. Ze werd in 1926 omgebouwd tot zeven huizen die langs een steile helling bereikbaar zijn.

    De doorlopende muur, met telkens, per achtertuin, een klein poortje geflankeerd door piramidevormen in zandsteen (ill. 82.7.4), geeft de richting aan die de oude vaart volgde en die hier in feite evenwijdig liep met de Brusselsesteenweg.

    Een eindje verder kan een doorsteek gemaakt worden naar de hoofdbaan door gebruik te maken van 'Jangskesweggel' (ill. 28.7.5).
    Daarnaast domineert de houthandel Belsack de linkerkant tot aan het containerpark (ill. 28.8.6).

       8. LARIELLESTRAAT (Robert)
           - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

    Betrokkene (°1891 +1914) sneuvelde in de eerste wereldoorlog. Zijn naam fungeert op het gedenkteken van de gesneuvelden vóór het gemeentehuis van Sint-Pieters-Leeuw. Over de straatnaam werd beslist door de gemeenteraad op 9 juli 1923.
    Volgens archiefplannen d.d. 31-03-1927 werd het gehucht stroppen ("Estroppe") afgehaakt van Sint-Pieters-Leeuw en deels gehecht, enerzijds, aan de stad Halle en anderzijds aan de gemeente Buizingen, gesitueerd aan de overkant van het kanaal.

    De straat stond ook bekend als de 'Kleine Steenweg' of als de buurtweg nr. 23. Links van de straat bevindt zich sinds 25 juni 1994 het containerpark (ill. 28.8.1). Het heeft als doel gesorteerd recycleerbaar afval in te zamelen. Voor volumineus afval wordt, buiten het individuele toegangsrecht, tevens een vaste stortprijs aangerekend.
    In de weide er tegenover ligt reeds jaren de geselecteerde afbraak van het historische station van Halle op recycling te wachten.

    Bovenaan, achter de huizen van de Brusselsesteenweg, kruist de oude Stoppenweg de straat. In de richting van Sint-Pieters-Leeuw loopt hij nu, na een vijftigtal meter dood op akkergrond. Naar Halle toe sluit hij aan op 'Jangskesweggel'. Op de hoek staat een vervallen bidkapel met altaar -  
    h. 4,50 m, br. 3 m, d. 2 m - (ill. 28.8.2).

       9. VAARTKANT  (ill. 28.9)
           - - - - - - - - - -

    Voorbij de Lariellestraat deint de Scheepswerfkaai uit en sluit aan op het jaagpad.

    Aan de overkant, in 't verlengde van de Lariellestraat, bevindt zich de Porseleinstraat op het grondgebied van de deelgemeente Buizingen. Eertijds maakte ze deel uit van de Lariellestraat, zoals dit nog duidelijk zichtbaar is boven het straatnaambord op de gevel van een huis. Beide delen waren verbonden door een betonnen brug over het kanaal, maar die werd bij het begin van de tweede wereldoorlog ook tot ontploffing gebracht.

    Ze herinnert aan het Halse porselein dat aldaar in de periode 1838-1894 werd vervaardigd in 't 'Pottekesfabriek' van "Arnold, Daboust et Cie", later respectievelijk uitgebaat onder de benamingen "J.B. Cappellemans aîné (et Daboust)" (ill. 28.9.1) en de "S.A. Belge de Céramique". De gebouwen werden overgenomen door de "Laminoirs et Tréfileries de Hal", beter bekend als de 'Marblon'. Een bijgebouw aan de overkant van de baan lag op Hals territorium. Op de linkse zijgevel is nog heel vaag de firmanaam te ontcijferen. De rechtervleugel van de fabriek is op dit ogenblik als opslagplaats ingepalmd door de NV Molens Dedobbeleer, terwijl de linkerzijde is ingenomen door de vennootschappen Sidero en Hensferstaux.

    Omdat het bedevaartsoord voor commerciële redenen beter in de markt lag dan de gemeente Buizingen, werd enkel gesproken over het Halse porselein.
    Het is nog te bewonderen in het West-Brabantse Streekmuseum op de bovenverdieping van het Oud-Jesuïetencollege (ill. 28.9.2).

    Iets verder lag toentertijd het sas nr. 49 van Buizingen (ill. 28.9.3). Het was niet breder dan de kanaalbrug. Het was op maat gemaakt. De kleine boten pasten precies in de sluis, zodat slechts één per één kon versast worden.
    De oude vaart Brussel - Charleroi werd opengesteld in 1832. Het vergde 73 km graafwerk en de bouw van 55 sluizen. De totale lengte op het grondgebied van Halle bedroeg ongeveer 2,9 km.
    De woning van de sluiswachter - bakker en het café 'In 't Sas' op de andere hoek van de straat, die, over de Zennebrug, leidde naar het centrum van Buizingen, zijn reeds lang verdwenen.

    In de buurt werkte ook de "Cotonnière de Van Ham" (ill. 28.9.4), eigendom van een rijke industrieel die in de Halse 'Stokerijstraat' woonde.
    De kleine waterval van de katoenspinnerij werd door de Buizingenaren de 'Konkel' (kink, kronkel) genoemd.

    Langsheen het kanaal werd een ganse rij huisjes gebouwd ten behoeve van de fabriekswerklieden, de 'Rattencarré' in de volksmond. Ze zijn al lang allemaal verdwenen, behalve op het einde van de straat waar de 'Cité Van Ham' (ill. 28.9.5) de tand des tijds heeft overleefd.

    Ook langs de linkeroever, op 100 m van de brug van Waterloo  - zo genoemd omdat de huidige Alsembergsesteenweg de verbindingsweg was naar het slagveld van Napoleon -  stonden een zevental werkmanshuisjes. Deze werden op het einde van ded 20ste eeuw opgekocht door de firma Colruyt die ze liet afbreken om plaats te ruimen voor een parking ten behoeve van haar personeel.

       10. ALSEMBERGSESTEENWEG  (ill. 28.10)
             - - - - - - - -- - - - - - - - - - - -

             Het betreft de verkeersweg tussen Stroppen / Brukom, via Buizingen en Dworp, naar het naburige Alsemberg. In 1827 was de 'Steenweg naar Waterloo' nog de gebruikelijke benaming. Hij vormt tevens de grens van het Halse grondgebied tussen de Waterloobrug (ill. 28.10.1) en de Brusselsesteenweg. De rechterzijde behoort tot de gemeente Sint-Pieters-Leeuw.

    Aan de linkerkant, ter hoogte van het nieuwe DATS-station (ill. 28.10.2), leidt het BILKENSVELD, een doodlopende toegangsweg naar de vleesindustrie 'Vlevico' (ill. 28.10.3)  en de bevoorradingsmagazijnen van de firma Colruyt (ill. 28.10.4).De steenweg wordt verder ingepalmd door verschillende KMO's.

       11.  BRUSSELSESTEENWEG (ill. 28.11)
              - - - - - - - - - - - - - - - - -

    Na de beschreven delen intra en extra-muros volgt hier het derde gedeelte van de Brusselsesteenweg tot aan de volgende verkeerslichten waar ooit de 'Pachafabriek' actief was.
    Niettegenstaande de toch wel lange afstand is het opvallend dat slechts één straat, de bovenvermelde Lariellestraat, langs de linkerzijde uitmondt op de Brusselsesteenweg. Op de gevel van het hoekhuis staat nog duidelijk vermeld dat de "S.A. Laminoirs et Tréfileries de Hal" voor het (vracht)verkeer enkel bereikbaar was langs de Sasbrug (ill. 28. 11.1).

    Aan de overzijde maken er drie hun opwachting: 

         28.11.A. ALSPUTWEG
                        ----------------
                        Deze landelijke weg leidt naar het gehucht Alsput gelegen op de grens van de stad Halle en de gemeente Sint-Pieters-Leeuw.
    Wegens het niet aanblazen van de 'h' in het plaatselijk dialect is Alsput vermoedelijk afkomstig van 'Halsput / Halleput' = waterput in de nabijheid van Halle.
    -----
    Langs de linkerkant, onder nr. 510, valt allereerst de Franse firma Lapeyre op (ill. 28.11.3).
    Ze bezit 13 fabrieken in Frankrijk, 2 in Polen en 1 in België. Ze produceert en verkoopt alle benodigdheden voor het inrichten van een volledige woning en biedt zowel aan particulieren als zelfstandigen, haar diensten aan.

    Voorbij de twee opeenvolgende garages strekt zich een open ruimte uit waarin zich de hoofdtoegang van de N.V. Kraft Foods bevindt naar de achtergelegen gebouwen (ill. 28.11.4).
    De onderneming is ontstaan ingevolge verscheidene fusies en overnames door Philip Morris, het Amerikaanse voedings- en genotsmiddelen concern. In 1993 fuseerde Kraft General Foods, op dat ogenblik al een onderdeel van Philip Morris, met Jacobs Suchard en zo ontstond in Europa de groep Kraft-Jacobs-Suchard. Sind mei 2000 werd de naam gewijzigd in Kraft Foods die in meer dan honderd landen is vertegenwoordigd, waaronder 26 in Europa. Kraf Foods vervaardigt en verkoopt een uitgebreid assortiment van voedingsmiddelen o.m. de chocolade "Côte d'Or" en andere suikerwaren, die het grootste marktaandeel vormen.
                         
    In de 19de eeuw verschenen overal in Europa grote chocoladefabrieken, ook in België (1870), o.a. te Anderlecht.
    Charles Neuhaus, een ambachtelijke chocoladefabrikant, creëerde en deponeerde in 1883 het merk "Côte d'Or", verwijzend naar de Goudkust, het huidige Ghana, waar hij een deel van zijn cacaobonen vandaan haalde.
    Sinds 1906 is de olifant het vaste, ijzersterke symbool voor de Belgische "Côte d'Or" chocolade     (ill. 28.11.5).
    Met de wereldtentoonstelling van 1935 in Brussel kwam de grote doorbraak. De mignonettes, koffiechocolaatjes en chocotoffs werden een begrip in België en de internationale erkenning bleef niet uit.
    Tijdens de tweede wereldoorlog werd het merk "Côte d'Or" tijdelijk vervangen door Congobar      (ill. 28.11.6).
    Het hoofdkantoor van Kraft Foods Benelux is trouwens ook in Brussel gevestigd. In 1996 werd de chocoladefabriek "Côte d'Or", gelegen in de Barastraat aan het Brusselse Zuidstation, overgeheveld naar de hoogtechnologische vestiging in Halle, langsheen de Brusselsesteenweg, waar nog uitbreidingsmogelijkheden voorhanden zijn.
    Ook op de Expo 58 werden de bezoekers getrakteerd op een nieuwigheid. Dessert 58 (ill. 28.11.7), een reep chocolade met pralinévulling, die bijzonder  in de smaak viel en nog steeds wordt geproduceerd.

    In 1987 daverde plots België op zijn grondvesten. Het familiebedrijf  "Côte d'Or", het nationaal symbool, werd overgenomen door het Zwitserse Jacobs-Suchard, dat, op zijn beurt, enkele jaren later werd opgeslorpt door de voedselgigant Kraft, de tweede grootste voedselproducent ter wereld.

    De vestiging in Halle omsluit, buiten het bezoek aan de fabriek, eveneens een uniek interactief pedagogisch verantwoord museum waar schoolkinderen zelf hun eigen reep chocolade mogen maken. In de sfeervolle nagebouwde chocoladetempel krijgen de kinderen geschiedenisles van de Azteken tot nu, aardrijkskunde van Midden-Amerika tot Europa, wetenschap van boom tot cacaoboon, techniek van cacaoboon tot chocolade en economie van fabricatie tot de consument.
    Op dit ogenblik worden vier bezoeken van twee uur per dag georganiseerd. Groepen moeten een jaar op voorhand reserveren willen ze er toegang krijgen. Een echte successtory enkel door mond aan mond reclame!

    De firma Colruyt en de N.V. Kraft Foods liggen naast elkaar in het industriepark Bilkensveld. Zij investeerden gezamelijk in een waterzuiveringsstation. Een contract voor 30 jaar werd opgesteld. Een uniek concept voor het eerst toegepast in Halle. De verontreiniging van het afvalwater, enerzijds van Vlevico, de vleesafdeling van Colruyt en, anderzijds, van Kraft Foods wordt voor 95% weggewerkt. De firma Trevi uit Gent bouwde het station en exploiteert het. Beide afvalwaters zijn complementair. Vlevico heeft een overschot aan stikstof en fosfor, terwijl Kraft precies deze stoffen te kort heeft. Het station (ill. 28.11.8) zuivert tot 600 m3 water per dag. Dat komt overeen met de waterzuivering voor een gemeente van 11.000 inwoners. De hoeveelheid slib die overblijft is zeer laag en mag aangewend worden in de landbouw.

    Eén van de drie bunkers uit W.O. II, die rechts van de hoofdbaan in het veld werden gebouwd, is in de verte, langs de linkerkant van de V.R.T.-toren, duidelijk zichtbaar (ill. 28.11.9).
    De eerste stond opgesteld dicht bij de steenweg, maar werd na de oorlog afgebroken.
    De derde ligt nog dieper in het veld verscholen en wordt hierdoor aan het oog onttrokken.

         28.11.B.   UYLENBROECKSTRAAT (Joseph)
                          - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

                          Betrokkene, geboren in Stroppen, ex Sint-Pieters-Leeuw, en  gesneuveld als sergeant van het 2de Regiment Grenadiers te Sint- Joris / Westende op 12 maart 1918, staat vermeld op het gedenkteken van de gesneuvelden aan de Ring in Sint-Pieters-Leeuw.

    De straat vertrekt aan de eerste woonhuizen van Halle en leidt naar de cité van Stroppen waar ze aansluit op de GUILLAUME DEVALCKSTRAAT (°1882 - +W.O. I) en de ALBERT (Louis) JAMBONSTRAAT (°1893 - +1914).
    Ook de naam van deze oorlogshelden komt voor op het Leeuse gedenkteken..

    Volgens archiefplannen d.d. 31 maart 1927 werd het gehucht Stroppen ("Estroppe") afgehaakt van Sint-Pieters-Leeuw en gehecht aan Halle en een klein deel aan Buizingen.
    De drie straatnamen werden toegekend door de gemeenteraad van Sint-Pieters-Leeuw in 1923.
    -----
    Een eindje verder, links van het tegelbedrijf Merckx en zoon, situeerde zich, achter de parkeerruimte, het kaasbedrijf van J.B. Denayer en Edw. Langhendries (ill. 28.11.11).De installatie vergde een zware investering aan oppervlakte en gebouwen.
    Er was een werkhuis voor verwerking en een drooggalerij met lattenwerk om er de afgewerkte kaas te laten rijpen. Er heerste daar een strenge zindelijkheid. De uitbaters waren de kaasheren van Halle, hoewel zij zelf bij het aankopen, het mengen en het herhandelen van de grondstoffen de handen uit de mouwen staken.
    Ze vervaardigden twee soorten kazen: de harde kaas (hette kèes) en de schepkaas (scheupkèes), de zogenaamde 'Brusselse kaas' (ill. 28.11.12).
    De werkwijze was in elk kaashuis dezelfde. Verschil kon enkel gevonden worden in de gebruikte ingrediënten voor het geven van de smaak.
    Grondstof was de malse witte kaas, de plattekaas. De kaasheren kochten die op bij de boeren tot ver buiten de stad.
    De plattekaas werd gemengd essentieel met zout, met kruidenpoeder en specerijen die het geheim van de stiel waren in elk kaashuis. Veelal kwam er wat boter bij te pas. Het mengsel werd duchtig gekneed tot een stevige brij. Na het kneden volgde het rollen in bollen die dan gedrukt werden in de vorm van een lage cilinder van ongeveer 13 cm doorsnee en 3 à 4 cm hoogte. Die platgedrukte kaas werd dan te gisten en te rijpen gelegd op droogrekken. Dagelijks moesten ze zorgvuldig gekeerd worden zonder ze te beschadigen. Na 2 à 3 weken was de harde kaas klaar. Om schepkaas te bekomen werd de harde kaas herwerkt, herkneed met bepaalde ingrediënten die meer smaak gaven en waardoor de schepkaas, als hij gerijpt was, een geler kleur kreeg en smeerbaar werd.
    De kaasnijverheid had nog een ander gevolg. Een aantal mandenmakers heeft daardoor de ondergang van hun ambacht kunnen overleven door het vervaardigen van mandjes waarin de wei kon uitlekken (ill. 28.11.12).

    Na tien jaar voorbereidend werk wordt de linkervleugel van het bouwvallige 'Kaashuis' van Stroppen, in de volksmond omgedoopt tot 'Kaaskot', eindelijk verbouwd om de Rode Kruisafdeling van Halle met een zestigtal vrijwilligers, vier ziekenwagens en een wagen om rolstoelgebruikers te vervoeren, er een deftig onderkomen te verschaffen. Aan de voorzijde wordt het 'Kaaskot' hersteld zoals het er vroeger uitzag. De stad Halle wil nadien de rechtervleugel laten opknappen om zelf in gebruik te nemen.
    Bij de herstructurering van de ambulancediensten werd de afdeling van Halle aangeduid tot centrale ambulancepost voor zuidwest Brabant. Alleen in Alsemberg blijft er nog een vooruitgeschoven post bestaan.

    Tegenover de houthandel Belsack (ill. 28.11.13) en 'Jangskesweggel' sluit het traject van de Weg-Om aan op de Brusselsesteenweg. Hier stonden de schuttersgilden de bedevaarderd op te wachten om hen tijdens het laatste gedeelte van de bidweg te begeleiden  tot aan de Sint-Martinuskerk.
    Ter plekke, naast het huisnummer 157, staat een bakstenen kapel, gedeeltelijk bepleisterd, van 4,20 m hoog en 1,90 m breed met verschillende grote plaasteren heiligenbeelden (ill. 28.11.14).
    Ze werd in 1882 gebouwd door P.J.B.H. Vankeerberghen, de eigenaar van het pachthof (nr. 329) iets verder naar Brussel toe en gelegen aan de overkant van de hoofdbaan (ill. 28.11.15). Hij bezat uitgestrekte landerijen en weiden in de omgeving.

    Dichter naar het centrum toe prijkt de aloude 'Statie van Gent' (ill. 28.11.16). Een arduinen staak met bovenaan een witmarmeren plaat in half reliëf die de H. Maagd voorstelt die ten hemel wordt opgenomen. Daaronder, in een mooi barokken medaillon het opschrift  'STt VAN DE STAD GENT'. Op de voorzijde van de staak staan de namen van 32 dekens, op de linker- en rechterzijde respectievelijk 29 en 19 namen van de Broederschap van Gent. De regels en statuten van dit Broederschap vermelden o.m.: "Het Broederschap en devotie van Onze L. Vrouwe van Halle vereenigt aen Genth de Hoofstad van Vlaenderen, en wettelijck ingestelt en opgeregt aldaer in de kerk van de P.P. Augustijnen met grootoeloop der ingesetene en uytlandige om te eeren haer H. Beeldt (7 december 1657).

    De staak staat aangeplakt tegen de lange monumentale muur die het ontzagwekkend kasteel van Devleminck (nr. 139) afschermt en volledig omringt (ill. 28.11.17).

    Op het einde van de 19de eeuw en tijdens de 20ste eeuw waren er te Halle twee bekende aannemers: Hanssens en Victor Devleminck. Deze laatste was de grootste en heeft zijn bedrijf uitgebouwd tot één van de belangrijkste bouwfirma's van zijn tijd in België. Als schepen van openbare werken, samen met burgemeeste Demaeght, lag hij aan de oorsprong van de vernieuwing van het Halse stadsbeeld. Zij lieten heel wat krotten slopen en er kwam uiteraard nieuwbouw in de plaats. In zaken had hij een fijne neus en een scherp oog. Hij speurde naar gronden geschikt om er steenbakkerijen uit te baten. Hij stond in de streek aan de spits van deze nijverheid en werd zelfs aandeelhouder van steenbakkerijen in de Rupelstreek. Kwestie van twee vliegen in één slag te slaan: bouwondernemer en eigenaar van kareelbakkerijen!

         28.11.C.   DE VLEMINCKLAAN (Alfred)
                          - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

                          Geboren te Halle in 1894 en gestorven in Aarschot in augustus 
    1914 staat hij als soldaat van het 9de Linieregiment vermeld op het oorlogs-monument 'Aan onze Helden' in het Albertpark.

    De laan loopt dood op de O.L.V.-weg ter hoogte van de Guido Gezellestraat.
    -----
    Aan de overkant van de straat, in nummer 132 (ill. 28.11.19), verbleven de Zusters van Sint-Vincentius à Paolo, beter bekend als de 'Wittekappen'. Zij vertoefden er van bij hun aankomst in 1916 tot wanneer zij Halle verlieten in 1972. Het pand behoorde oorspronkelijk toe aan de Sacramentinen die het vier jaar eerder verlieten om hun intrek te nemen in het nieuw gebouwde klooster op de Cypriaan Verhavertstraat. De 'Wittekappen', Zusters der Liefde, behartigden in Halle de thuisverzorging. In 1979 werd het leegstaande herenhuis overgelaten aan de dienst Welzijnszorg.

    Tussen de nummers 121 en 123 bevindt zich een ruime bakstenen kapel gewijd aan O.L.V van Halle met het opschrift AVE MARIA (ill. 28.11.20). Ze is 8 m hoog en diep en 4,50 m breed. Ze werd in 1905 gebouwd door de familie Van Lierde.
    In de eerste helft van de 20ste eeuw werd er elke zondag een lofdienst gehouden en soms een mis opgedragen. Maar in 1985 werd ze ontwijd door J.M. Mertens die er een verzekeringskantoor installeerde. Deze profanatie heeft echter niet lang standgehouden.

    Een klein muurkapelletje uit 1886 met een veelkleurig plaasteren beeld van O.L.V. van Halle, siert nog het huis nr. 109 en beëindigt de zuidoostelijke rondgang. Zoals blijkt uit de gedenksteen werd het door P. De Haeseleer opgedragen ter ere van O.L.V. van Tongeren (ill. 28.11.21).

                                                  ***************
                                                             *****
                                                                  *

    31-12-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (24 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    15-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.F.01 HISTORIEK


        Princes WALDETRUDIS, dochter van de graaf van Henegouwen, werd in 612 te Coulsolre geboren. Zij huwde in 636 met Maldegarius (Madelhart), een Frankische edelman, die, in opdracht van de Merovingische koning Dagobert I, de opstand in Iberië moest onderdrukken. Hij werd later tot gouverneur van Iberië aangesteld. Zij kregen vier kinderen, twee zonen en twee dochters. Rond 646 kwamen zij terug naar Coulsolre. Hij werd ben,oemd tot "domesticus" bij de koninklijke domeinen van Dagobert I.
    Na zeventien jaar huwelijk besloten beiden uit elkaar te gaan. Hij werd monnik en stichtte in 670 de adbij van Soignies. Zij trok zich achteraf terug als kloosterlinge in een woest en eenzaam gebied, dat later zou uitgroeien tot de huidige stad M%ons en stichtte er het beroemde Waldetrudisklooster van Bergen.

    Rond het jaar 650 schonk zij een domein, waartoe HALLE behoorde, aan de door haar opgerichte abdij van Bergen. In 656 trad ook zij toe tot het kooster. Zij overleed in 688 en werd er als abdis opgevolgd door (één van) haar dochters.

    Onder de Karolingers werd in 870 de " Pagus Bracbatensis " (Gouw Brabant) in vier graafschappen verdeeld: Biest (later Aalst), Ukkel (Brussel), Halle en Chièvres (later Aat).

    De hertogen van Brabant kregen slechts een fragment ervan in handen nl. het graafschap Brussel en het Nijvelse deel van het graafschap Halle. De rest werd verdeeld tussen de gravan van Vlaanderen (Aalst) en Henegouwen (Chièvres en de rest van het graafschap Halle).

    In 957 werd het klooster van Bergen door de aardbisschop van Keulen geseculeerd (verwereldlijkt) en vervangen door het KAPITTEL (raad van beheer) van WALDETRUDIS.
    Door het Concilie van Aken werd de (wereldlijke) abdijstaf verleend aan de graaf van Henegouwen.
    In de 11de eeuw lieten de gravan van Henegouwen het beheer van het Brabants gedeelte over aan de Brusselse kasteleins.
    De oudste KEURE van Halle werd uitgeschreven in 1225 door Johanna van Constantinopel, gravin van Henegouwen.
    In 1267 bracht Aleid van Holland het beeld van Onze-Lieve-Vrouw naar Halle en stichtte er aldus de bedevaart.
    Van 1347 tot 1351 kreeg Henegouwen af te rekenen met eenverschrikkelijke pestepidemie, bekend als de zwarte dood.
    In 1350 verkochten de Brusselse kasteleins Halle aan de graaf van Henegouwen.
    Tot op het einde van de 18de eeuw, het OUDE REGIME, maakte Halle deel uit van het graafschap Henegouwen. De stad lag op de toenmalige grens van Brabant en Henegouwen.
    Sinds 1787 protesteerden de Staten van Henegouwen tegen het bewind (1780-1790) van keizer Jozef II (Oostenrijkse Nederlanden). Dit gaf aanleiding tot de Brabantse Revolutie (1789-1790) en had de vorming van het VERENIGD KONINKRIJK DER NEDERLANDEN tot gevolg..
    Door de onmacht van de confederatie werd het land zonder moeite heroverd door de troepen van de nieuwe Oostenrijkse keizer Leopold II (1790-1792).
    In 1792 versloeg het Franse leger de Oostenrijkers bij Gemappes.
    Gedurende drie jaar werd Brabant echter onder een conservatief bewind geplaatst.
    Met de veldslag van Fleurus (1794) werden de Oostenrijkers definitief verslagen en kwam Henegouwen (met Halle) onder het Franse Bewind terecht.
    Vanaf 1 oktober 1795 werden de veroverde gewesten bij Frankrijk ingelijfd. Het land werd verdeeld in negen departementen en opgesplitst in kantons en gemeenten. Halle werd ingedeeld in het departement van de Dijle, met hoofdplaats Brussel, waaruit later de provincie Brabant zou ontstaan.
    Op 18 juni 1815 werden de troepen van Napoleon I verslagen bij Waterloo. Het Dijle-departement werd herdoopt tot de PROVINCIE ZUID-BRABANT.
    Onder Willen I, koning der Nederlanden, werden de gemeenten drastisch gefuseerd. De Franstalige gemeenten werden gehergroepeerd in het district Nijvel, de Nederlandstaligen maakten deel uit van de districten Brussel en Leuven.
    Vinnige klachten waren sinds lang opgegaan tegen de Hollandse regering en gaven aanleiding tot de BELGISCHE OMWENTELING die losbrak te Brussel op 25 augustus 1830 bij de opvoering van 'De Stomme van Portici' in de Muntschouwburg te Brussel.
    Koning Willem poogde de opstand tevergeefs te onderdrukken; zijn troepen moesten echter België ontruimen, met uitzondering van Antwerpen en een gedeelte van Limburg.
    Te Brussel kwam een VOORLOPIG BEWIND tot stand. Het riep de ONAFHANKELIJKHEID  van België uit.
    De grote mogendheden, die ondertussen in conferentie te Londen verenigd waren, besloten de onafhankelijkheid van België te erkennen.
    Nog vóór de koningskeuze had het Nationaal Congres in 1831 een GRONDWET opgesteld, die de vrijzinnigste was van heel Europa. Artikel 1 deelde het land, een unitaire staat, op in NEGEN PROVINCIEN, waaronder Brabant en Henegouwen.
    Na de zesde grondwetsherziening (Sint-Michielsakkoord 1992) luidt het art. 1 van de op 17 februari 1994 gecoördineerde grondwet: "België is een federale staat, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten". Dientengevolge werd, met ingang van 1 januari 1995, de provincie Brabant opgesplitst in een provincie VLAAMS-BRABANT en een provincie WAALS-BRABANT. Het overblijvende deel, Brussel-Hoofdstad, wordt, als provinciaal grondgebied, ingedeeld bij het BRUSSELS-HOOFDSTEDELIJK GEWEST.
    Halle, gelegen in Vlaams-Brabant, maakt derhalve deel uit van de Vlaamse gemeenschap, en treed alzo de 21ste eeuw tegemoet. In de schaduw van Brussel is Halle de meest zuidelijk gelegen Nederlandstalige stad van ons land en van Europa met een eigen Vlaams Brabantse aard.
    30 juni1998.*******************************************************************


    15-10-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (19 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    14-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.E. SAMENVATTING
    HOOFDSTUK - AANTAL BLADZIJDEN - PERIODE VAN BEHANDELING
    °°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°°
    DEEL I - ALGEMEEN
    ------------------------
    0. Voorgeschiedenis (4)                           sept. 1997
    1. Historiek (4)                                     tot juni 1998
    2. Evolutie (3)
    3. Heraldiek (2)
    4. Basiliek (exterieur) zie ook 22 (9)
    5. Patroonheiligen (6)

    6. Verdediging (16)                                 sept. 1998
    7. Overrompelingen (30)                      tot juni 1999
    8. Calamiteiten (7)                          
    9. Transportinfrastructuur (16)     

    DEEL II - OP WANDEL IN HALLE
    ---------------------------------------
    20. Grote Markt (2)                               sept. 1999
    21. Servais (2)                                    tot juni 2000
    22. Basiliek (interieur) zie ook 4 (24)
    23. Historisch stadhuis (4)

    24. De oude stadskern (18)                   sept. 2000
                                                             tot juni  2001
               
    25. De eerste omwalling (32)                 sept. 2001      
                                                              tot juni 2002 

    26. De tweede omwalling (28)               sept. 2002
                                                              tot juni 2003

    27. De noordwestelijke omsluiting (34)   sept.2003
                                                              tot juni 2004

    28. De zuidoostelijke omsluiting (20)      sept. 2004
                                                              tot juni 2005

    DEEL III - DE UITVALSWEGEN NAAR
    --------------------------------------------
    30. Lennik via Breedhout (42)               sept. 2005
    31. Alsput                                          tot juni 2006

    32. Ninove via Pepingen                       sept. 2006
    33. Beert                                           tot juni 2007

    34. Edingen via Saintes
    35. Mons via Tubize
    36. Lembeek via Rodenem

    37. Nivelles via Braine-le-Château
    38. Beersel via Buizingen

    39. Tussen Kanaal en Spoorweg

    14-10-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (18 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    13-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.D. VRAAGBAAK
    Wie kan mij inlichtingen bezorgen over de volgende onderwerpen:

    1. Willamekaai
         ------------
    Tussen de zeepziederij Klaar en de sassenierswoning aan de Slingerweg stond voorheen een groot herenhuis, ongeveer ter hoogte van de huidige spoorwegpasserel. Zonder moeite te herkennen op oude postkaarten. Alle informatie omtrent de woning en de bewoners is van harte welkom.

    2. Basiliekstraat (Korte Steenweg)
        --------------------------------
    Vóór en/of tijdens W.O. II hielden de kunstschilders Hulin en Mona Martin aan het historisch 
    stadhuis een winkel, waar nu juwelier Van Bellingen vertoeft. Wat is van hen geworden? Openden  
    zij een gallerij in het Brusselse?

    3. Jean Jacqminstraat
        -------------------
    Vóór het aanleggen van de verkaveling tussen de Hendrik Consciencestraat en de Deken 
    Michielsstraat verdwenen, mogelijk op onwettige wijze, de 14 grote kapellen en de wit marmeren  
    middenkapel van het oude Maria's Hof. Een onderdeel is nog terug te vinden in een weide boven 
    op de Kesterheide (IJzeren man)!!! Kan iemand mij hierover iets meer vertellen.

    4. Lariellestraat
        -------------
    Op de hoek gevormd met de oude Stroppenweg staat nog altijd een verwaarloosde bidkapel. Kan iemand mij hierover informatie bezorgen?

    5. August Demaeghtlaan
        ----------------------
    Waar bevond zich exact de vroegere cichoreifabriek 'Regina' op het domein van de firma Bricout?

    6. Hoek Lampstraat en Lenniksesteenweg
        ----------------------------------------
    Vóór de tweede wereldoorlog stond hier het 'stenen kruis'. Vermoedelijk een sokkel in arduin met een ijzeren kruis er boven op. Kent iemand de oorsprong van dit kruis? Bestaat er een foto van? Elke informatie is welgekomen.

    13-10-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (21 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    12-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.C. VERANTWOORDING
    Geïnteresseerd in de publicaties van de Koninklijke Geschied- en Oudheidkundige Kring van Halle en meer bepaald in de historische evolutie van de stad, vond ik mij aangesproken om mij dieper in deze materie in te wijden en alzo een globaal concept over het mariale bedevaartsoord te creëren. Een werk uiteraard van lange adem, dat over meerdere jaren wordt gespreid en in feite, met sporadische aanvullingen, nooit een einde neemt.

    Onderhavig cultuurhistorisch overzicht, samen met de bijhorende foto's, is uitgegroeid tot een zuiver persoonlijke vervolmaking, zonder enige commerciële bedoeling, een administratieve hobby als het ware!

    Hoewel gestoeld op de technische en wetenschappelijke literatuur streeft deze bijdrage geen professionele diepgang na, wel een vlot leesbare en planmatige lectuur, zonder noten of verwijzingen.

    Per rubriek is een zekere globalisatie gerespecteerd, beperkt tot wat mijn inziens interessant, wetenswaardig, nuttig of noodzakelijk kan zijn voor de lezer. Persoonsnamen en data worden stelselmatig genegeerd, tenzij de klaarheid van de tekst er baat bij vindt.

    Het merendeel van het bronmateriaal komt uit: Hallensia (K.G.O.K), Stedebouwkundige en Architectonische Analyses (Sint-Lukasarchief), Halse geschiedschrijving (J. Possoz, M.-J. Van den Weghe, R. Desmet, J. Vanvolsem, Tom Severs (kapelletjes),  ...), diverse boeken, tijdschriften, dagbladen en publicaties.

    Het ligt in de bedoeling de behandelde thema's in een later stadium bij te werken, door ze aan te vullen, bij te schaven of, indien nodig, aan te passen aan geëvolueerde standpunten.

    Het tweede gedeelte 'Op wandel in Halle' is alleszins een niet te versmaden informatiebron voor een ieder die geïnteresseerd de Mariastad doorkruist.

    12-10-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 2/5 - (14 Stemmen)
    >> Reageer (2)
    11-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.B. DOELSTELLING
    Op een pragmatische en overzichtelijke beschrijvende wijze alles samen te bundelen wat tot op heden verspreid werd gepubliceerd over de stad Halle, met als uitgangspunt het structurele en het architectonische, aangevuld met tal van oude en nieuwe foto's.

    11-10-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 4/5 - (15 Stemmen)
    >> Reageer (1)
    10-10-2006
    Klik hier om een link te hebben waarmee u dit artikel later terug kunt lezen.A. VOORSTELLING
    Mijn naam is Roger PLETINCKX, Lindenlaan 17, 1500 - Halle.
    Ik ben gepensioneerd sinds 1 juli 1992 in hoedanigheid van provincieambtenaar en sinds september 1997 heb ik mij, vnl. tijdens de wintermaanden, ingespannen om de geschiedenis van Halle beter te leren kennen door een overzicht neer te pennen, dat uiteraard resulteert in een monnikenwerk zonder einde.

                                                    

    10-10-2006 om 00:00 geschreven door rogier

    0 1 2 3 4 5 - Gemiddelde waardering: 3/5 - (69 Stemmen)
    >> Reageer (3)


    Archief per week
  • 23/06-29/06 2008
  • 09/06-15/06 2008
  • 09/07-15/07 2007
  • 18/06-24/06 2007
  • 14/05-20/05 2007
  • 29/01-04/02 2007
  • 25/12-31/12 2006
  • 09/10-15/10 2006

    E-mail mij

    Druk op onderstaande knop om mij te e-mailen.


    Blog als favoriet !

    Beoordeel dit blog
      Zeer goed
      Goed
      Voldoende
      Nog wat bijwerken
      Nog veel werk aan
     


    Zoeken in blog



    Blog tegen de regels? Meld het ons!
    Gratis blog op http://blog.seniorennet.be - SeniorenNet Blogs, eenvoudig, gratis en snel jouw eigen blog!